’Degenen die jullie genezen, gaan jullie doden’

Bij de mislukte aanslagen in Londen en Glasgow precies een week geleden kwamen voor het eerst moslimartsen op het toneel als terreurverdachten. Niet voor het eerst was de dokterseed ondergeschikt aan geweld.

Achteraf zijn altijd veel dingen voorspelbaar. Het was bekend dat hoger opgeleide mensen uitstekend in staat zijn tot terrorisme, omdat ze de kennis kunnen vergaren om een aanslag te plegen en zich in moeilijke omstandigheden staande kunnen houden. Het was ook bekend dat iemand in het Midden-Oosten de beste kans heeft om zich omhoog te werken via de advocatuur, door een technische opleiding, of door scholing als arts.

De advocatuur is moeilijk verplaatsbaar naar het buitenland, maar ingenieurs en artsen kunnen op veel plekken aan de slag. En extremistische ingenieurs hadden we al gehad: zij pleegden onder meer de aanslagen van 11 september 2001. Dus het wachten was op de extremistische artsen.

Ook Groot-Brittannië was in dat verband lange tijd een logische bestemming. De Britse National Health Service (NHS) heeft een schreeuwend tekort aan menskracht. Van de 238.729 artsen bij de NHS komt liefst 37 procent van over de grenzen. Van hen zijn er 27.558 Indiërs, 6634 Pakistaan, 1987 Irakees, 184 Jordanees; nog honderden anderen komen uit andere landen met grote moslimbevolkingen. Als een arts in Groot-Brittannië wilde werken, moest hij een medisch examen afleggen; naar zijn politieke en religieuze overtuiging werd niet gevraagd. Inmiddels wordt de achtergrond van kandidaten beter nagezocht.

Het is dus logisch dat artsen met extremistische overtuiging op die manier Groot-Brittannië zijn binnengekomen. Van de acht opgepakte verdachten van de aanslagen in Glasgow en Londen staat van zeven vast dat ze werkzaam waren in de medische sector. Twee waren Indiërs, twee Irakees, twee Jordaniër, één Saoediër en één nog onbekend. Spin in het web was de talentvolle Jordaanse neurochirurg Mohammed Asha (26).

Er was ook al bekend dat artsen prominente posities vervullen bij islamitische terreurorganisaties. Bij dit soort leiders is loyaliteit aan de medische verplichting tot genezing kennelijk ondergeschikt aan de eisen die de politieke islam stelt.

Een bekende is al-Zawahiri, de leider van Al-Kaida in Irak. Binnen de Palestijnse beweging PLO zat de arts George Habasj in de leiding, terwijl Mahmoed Zahar het brein was van de Hamas-coup in Gaza. Wie in Gaza met Hamasleiders in contact wilde komen kon sowieso het beste een apotheek binnenstappen: medici vormden de toegang tot de elite.

Zelfs het feit dat artsen in Groot-Brittannië een aanslag wilden plegen had bekend kunnen zijn. Een Anglicaanse dominee, Andrew White, die in Bagdad probeert een dialoog gaande te houden tussen de verschillende religieuze stromingen in het land, meldde woensdag dat drie maanden geleden een Iraakse Al-Kaidaleider (in de veertig, Westers gekleed) tegen hem had gezegd: „Degenen die jullie genezen, gaan jullie doden.”

„Het was alsof ik sprak met de duivel”, bekende de dominee tegenover persbureau AP, maar White meldde alleen de algemene dreiging van een aanslag aan het Britse ministerie van buitenlandse zaken en liet na de verwijzing naar medici te noemen.

Toch hadden de Britse veiligheidsdiensten al veel artsen op het oog als potentiële terreurverdachten. Iemand als Bilal Abdulla – de man die op de bijrijdersstoel zat van de auto die de vliegterminal van Glasgow probeerde binnen te rijden – stond genoteerd omdat hij banden had met radicale groeperingen.

Een ander had fel commentaar geleverd op de Deense Mohammed-cartoons. Weer anderen hadden contact gehad met al bekende extremisten.

Nog onduidelijk is of de verdachten naar Groot-Brittannië zijn gestuurd om een aanslag te plegen, of dat ze elkaar in de Britse ziekenhuizen hebben ontmoet en daar hun plannen hebben uitgedokterd.

Volgens Shiraz Maher, een Pakistaan die zich bewoog in radicale moslimkringen maar zich later daarvan afkeerde, is dat laatste het geval. Hij kende Bilal Abdulla uit zijn tijd als promovendus in Cambridge, toen Maher nog volgelingen recruteerde voor de beweging Hizb-ut Tahir. Abdulla was toen nog 24, had dat jaar zijn medische opleiding in Bagdad voltooid en was naar Groot-Brittannië gekomen om zijn leven te beteren. Hij was juist bezig met de verplichte cursus die het mogelijk maakt om als arts in Groot-Brittannië te wonen.

Tegen die tijd had hij al enige persoonlijke trauma’s opgelopen, vertelde Maher in het weekblad de New Statesman. Net als veel Irakezen had Abdulla’s familie geleden onder Saddam Hoessein, die hij haatte. Recentelijk was een van zijn beste vrienden aan de universiteit van Bagdad gedood door sjiieten, die hij ook haatte.

Bilal was een vrome soennitische moslim – een wahabiet. Hij ging bijvoorbeeld niet naar een Turks afhaalrestaurant in Cambridge omdat de moslims daar niet naar de moskee gingen. Hij toonde een grote zorg voor gelovigen in nood – een goede motivatie om arts te worden – maar een grote haat tegenover niet-gelovigen en moslims van andere stromingen.

Bilal overwoog terug te gaan naar Irak om te helpen de Britten en de Amerikanen eruit te gooien, en vierde succesvolle aanslagen op coalitietroepen. Toen de Amerikanen in 2004 uitgerekend op de belangrijke 27ste dag van Ramadan de aanval op Falloedja openden, bad hij de hele nacht om een gunstige afloop voor het soennitische verzet.

Maher verhuisde naar Birmingham en verloor Abdulla uit het oog. De arts ging werken in het Royal Alexandra Hospital ziekenhuis bij Glasgow, waar hij een waarschuwing kreeg omdat hij tijdens werktijd teveel tijd doorbracht op internet – of hij op die wijze de aanslagen plande wordt nu onderzocht.

Twee jaar later reed hij de vliegterminal binnen en stak de collega-arts naast hem zichzelf in brand. Als de aanslag was gelukt, hadden tientallen mensen het leven kunnen verliezen.

Duidelijk is dat bij Abdulla en zijn medeverdachten de loyaliteit aan de zaak van het islamitisch extremisme het won van de loyaliteit aan de Eed van Hippocrates. Die luidt in de moslimversie iets anders (zie beide inzetten rechts), maar bevat een expliciete plicht om zowel moslims als niet-moslims te behandelen.

Er is wel discussie mogelijk over de laatste zin van de eed, die men kan interpreteren als volgt: het doden van iemand die een misdaad heeft begaan, is toegestaan. Maar de vraag is of het naleven van de eed überhaupt een factor was, gezien de dominante rol van de islam in het leven van de verdachten.

Ook christelijke artsen leven niet altijd naar de eed. Dat geldt uiteraard voor criminele huisartsen en verplegers die op grote schaal mensen hebben vermoord – zoals de Britse huisarts Harold Shipman en de Duitse verpleger Stephan Letter – of voor iemand als de nazi-arts Mengele. Maar dat geldt ook voor bijvoorbeeld de psychiater Radovan Karadzic, leider van de Bosnische Serviërs. Net als bij de moslimartsen in Groot-Brittannië gaf hij kennelijk de bevrijding van zijn volk een hogere prioriteit dan zijn plichten als arts, al ging die strijd gepaard met grote moordpartijen en andere schendingen van de mensenrechten.

In de Europese geschiedenis zijn artsen ook op brede schaal ingezet bij martelingen, beschreef Giovanni Maio in 2001 in een artikel in het wetenschappelijk tijdschrift The Lancet. Niet alleen moesten ze ervoor zorgen dat de gemartelde niet het leven liet voordat hij een bekentenis had afgelegd, maar ook hielpen ze – zeker in de twintigste eeuw – bij het ontwikkelen van technieken die de martelingen verbeterden. Die betrokkenheid stond lang niet ter discussie, omdat bewijsvoering door martelen tot de achttiende eeuw een algemeen aanvaard onderdeel was van het juridische proces. Als artsen bezwaar maakten, dan deden ze dat omdat ze twijfelden aan de betrouwbaarheid van de bekentenis.

Pas na de Tweede Wereldoorlog, en zeker na de jaren zeventig toen internationale artsenorganisaties verklaringen uitgaven tegen martelen, kwam aan die algemene acceptatie een eind. Maar Maio twijfelt er niet aan dat artsen ook nu nog op grote schaal betrokken zijn. Het verhullen van de marteling door zichtbare sporen daarvan te voorkomen, maakt de inzet van medische kennis noodzakelijk. Bijvoorbeeld in de strijd tegen het islamitisch terrorisme.

Er is dus weinig reden verbaasd te zijn over de inzet van artsen aan beide kanten van het huidige conflict. Loyaliteit aan een andere politieke, religieuze of sociale queeste heeft al zeer vaak de loyaliteit aan de Eed van Hippocrates overtroffen. De eed is slechts één van de maatschappelijke normen waar een individu zich aan gebonden voelt. Als andere normen naar iemands overtuiging de verplichting veroorzaken om dood en verderf te zaaien onder onschuldige burgers, dan kan die eed daar niet tegenop.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden