Degas en Monet in het kantoordomein

Voor de kunst- en architectuurliefhebber is de binnenstad van Chicago een eldorado. Nergens in Amerika (nou ja, New York en Los Angeles komen aardig in de buurt) zie je op de vierkante mijl zoveel gebouwen van bekende architecten. Chicago staat bekend als de wieg van de hoogbouw, de wolkenkrabberbouw die zich hier voor het eerst manifesteerde. Dat betekent dat elke zichzelf respecterende architect wel iets in Chicago heeft willen neerzetten. Je komt er uiteraard Louis Sullivan (de eerste wolkenkrabberbouwer) en zijn compagnon Dankmar Adler tegen, maar ook Ludwig Mies van der Rohe, de niet minder beroemde Frank Lloyd Wright en Eero Saarinen, Helmuth Jahn en Henry Ives Cobb, I.M. Pei en Ralph Johnson. Gerenommeerde bureaus als Skidmore, Owings & Merrill, Marshall & Fox en Perkins & Will hebben hun stempel op stadsdelen gezet.

Niet bekend

Nee, het belang van het gebouw zit 'm meer in het interieur. Al direct bij aankomst in het atrium word je overvallen door een één etage hoog reikende sculptuur van Henry Moore. De entreehal is het visitekaartje voor de bedrijven die zich hier tientallen etages hoog hebben gevestigd. Banken zitten hier, handelsbedrijven, financiële instanties die Chicago tot het zakencentrum van Amerika's Mid-West hebben gemaakt.

De Moore blijft je bij als je op de 47ste etage uitstapt. Hier bevindt zich het hoofdkantoor van de firma wier naam is verbonden is aan een Amerikaanse vrouw die vanwege haar recept voor het bakken van koekjes de geschiedenis is ingegaan. Bij Sara Lee Corporation, althans bij fabrieksvestigingen die zich buiten Chicago bevinden, bakken ze nog altijd zoete broodjes (bagels). Daarnaast legt de firma (met een omzet van 18,6 miljard) zich toe op de vervaardiging van uiteenlopende huishoudelijke artikelen, variërend van badschuim onder de naam Badedas, van schoenpoetssmeer (Kiwi) en wasmiddelen (Biotex), tot lingerie (Cacharel en Playtex) en sportkleding (Champions). En van koffie en thee, die in Nederland wordt geproduceerd door Douwe Egberts, ook al zo'n naam van vroeger die huiselijkheid uitstraalt. Trouwens, ook Kanis en Gunnink, Duyvis, en Lassie zijn van oorsprong Nederlandse merken die tegenwoordig onder de vlag van de multinational Sara Lee Corporation varen. Dat alles bezorgt Sara Lee een omzet van zo'n 18,6 miljard dollar, waarmee het bedrijf tot de grootste producenten in zijn soort behoort.

We zijn echter niet voor een bedrijfsreportage naar Chicago afgereisd, maar melden ons om een blik te slaan op de kunstcollectie. Als zovele andere bedrijven verzamelt Sara Lee kunst. Kunstcollecties kunnen een bedrijf een goede naam verschaffen: Rockefeller, de Chase Manhattan Bank, First National Bank (in Chicago de belangrijkste verzamelaar) en Readers Digest zijn er voorbeelden van. “We verzamelen geen Rembrandts, zoals een bank zou doen, we zijn een multinationaal bedrijf dat kunst verzamelt met internationale aspecten. Daar zitten een paar namen bij die je zullen verrassen,” zegt Janice Toftey, staflid van de firma.

Verrassingen zijn er op een rondgang door het bedrijf inderdaad. Sara Lee hangt haar kunst her en der 'op zaal', Een galerieruimte is er niet, de kantoorruimtes zijn besloten. Om die reden kennen weinigen de kunstschatten, ok al omdat het bedrijf er zelden mee naar buiten treedt. De kunstcollectie is geen verkoopargument, het verzamelen heeft een kunsthistorische grondslag, maar mag bovenal worden gezien als eerbetoon aan de vroegere eigenaar van het bedrijf. Nathan Cummings, die leefde van 1896-1985, kwam oorspronkelijk uit Canada, waar hij was geboren uit Litouwse emigranten. “Beschouw de verzameling van Sara Lee Corporation als een memorial collection, ter nagedachtenis aan de grondlegger van het bedrijf”, zegt Toftey.

Het tonen van de verzameling in het Larense Singer Museum dient ook een bedrijfsbelang. Op deze manier worden de werknemers van Douwe Egberts en al die andere Nederlandse dochters in staat gesteld om de kunstcollectie van het moederbedrijf bezichtigen, zonder daarvoor naar Chicago te moeten reizen.

Nathan Cummings had een grote liefde voor de Franse impressionistische schilderkunst, maar zag ook veel in de vroeg-modernen. Onder die categorie mag je Picasso verstaan, Braque en Léger, Matisse en Moore, Jean Arp en Giacometti, Manzú en Kandinsky. Met de laatste als uitzondering, maar abstracten kwamen er bij Cummings niet in. Enige vorm van herkenbaarheid moest aanwezig zijn, maar meer nog moest de kunst hem ontroeren. Die emotie geeft de verzameling ook vandaag de dag nog door. Het zijn vanuit kunsthistorisch perspectief bezien toppers, maar het element bekoring, charme, melancholie en hartstocht speelt een even belangrijke grote rol.

Het aardige is dat het ook voor het personeel een levendige verzameling is. Natuurlijk hebben de staf van het bedrijf, het management en de bestuursraad uitzicht op de beste keus, maar vijf etages lager, waar 300 typisten, boekhouders en ander administratief personeel werkt, hangt ook het een en ander. Daar zie je niet de grote namen, maar lokale kunstenaars die in Chicago vaak heel aardig werk maakten.

Met de toppers word je boven echter van begin af aan geconfronteerd. De receptioniste draait haar rug noodgedwongen naar een tuingezicht van Edouard Vuillard, een van die grote 'kleine' meesters van het Franse post-impressionisme die in elk doek zo veel intimiteit legde. Aleen al dit doek is straks de reis naar het Singer Museum waard, Vuillard zie je immers zelden in onze musea. Wilt u nog enkele hoogtepunten zien, vraagt rondleider Bob Eskridge, in het dagelijkse leven conservator van The Art Institute of Chicago, één van de belangrijkste kunstmusea in de Verenigde Staten. Eskridge wordt evenals enkele van zijn collega's regelmatig door Sara Lee ingehuurd om de collectie te bestuderen en te conserveren. Hij neemt de bezoeker allereerst mee naar de kantoren waar de hoofddirectie zetelt. Steve McMillan, president van Sara Lee Corporation en ooit in Nederland woonachtig geweest, kijkt uit op delen van de verzameling waar je jaloers op kunt zijn. Bijna nonchalant neergezet zie je hier een half-abstracte tors van Jean Arp, terwijl aan de muur een gezicht van Pissarro op Parijs hangt. De aquarel van Dunoyer de Segonzac en de als altijd heel mooie Sisley zijn geen affiches, maar echte kunst mijnheer! Verder gaat het, naar de directiezaal waar ooit Cor Boonstra zetelde, voordat hij baas bij Philips werd. Hier wordt uitzicht geboden op een prachtige, nog maar drie jaar geleden verworven Claude Monet, het aandoenlijke kinderportret van zijn zoontje Jean op een hobbelpaard. Daarnaast hangt een stilleven van Paul Gauguin, een onderwerp dat je zelden van de Franse post-impressionist ziet. Richard Brettell, een collega van Eskridge in het Art Institute en sinds lange tijd bezig met de Sara Lee collectie, vindt het ook een bijzonder schilderij: “Wat je ziet is een grote drinkkroes en een veel kleinere van ijzer (of van tin, wat meer voor de hand ligt - C.S.). Ze staan pal tegenover elkaar, de ene lijkt de ander weg te drukken. Gauguin verwijst hiermee waarschijnlijk naar een fabel van La Fontaine, of van Aesopus met de titel 'De aardewerken kan en de ijzeren kan'. Bij La Fontaine gaan de beide kannen een gesprek aan. De ijzeren blijkt veel sterker te zijn, die van aardewerk gaat kapot nadat hij op reis is gegaan. Gauguin zou dit tafreel hebben geschilderd met de bedoeling dat je in de aardewerken kan zijn vrouw Mette zou zien. Zij gingen ook op reis, met als gevolg dat hun huwelijk stuk ging.”

Als zulke fraaie werken bij de subtop van het bedrijf hangen, wat moet er dan niet te zien bij de baas himself, te weten mr. John H. Bryan? Natuurlijk mag Bryan zijn voorkeuren uitspreken over wat hij aan de wand krijgt te zien, maar er is een rouleringssysteem waardoor iedereen de kans krijgt kennis te maken met nieuwe favorieten. Bryants kunst is eigenlijk heel bescheiden. Hij 'beheert' momenteel een klein beeld van Henri Matisse uit 1911, een van de twee beelden van Matisse in deze verzameling en beschikt ook over een sculptuur van Giacometti. Aan de wand twee stillevens, van Pissarro en Matisse, achter de vergadertafel een pastel van Degas. Voorwaar, er zijn slechtere keuzes te maken.

Dan denk je, hangt er niets in de gangen, waarvan er in deze ruimtes die toch hoofdzakelijk om te vergaderen zijn bestemd, zoveel zijn? Nee hoor, ook de saaiste muren worden van de beste werken voorzien. Hier een mooi stadsgezicht van Sisley, daar een portret en een gezicht op het Franse Pyreneeënstadje Céret, beide van Soutine, een Reclining Figure van Henry Moore. Normaal zouden er zelfs op de toiletten impressionisten hangen, maar een snelle inspectie met als doel de handen te wassen roept in de restroom van de heren geen begeerte op.

En waar ze in dit hoofdkantoor ook niet hangen, is verrassenderwijs de vergaderzaal van de bestuursraad. Toftey wil je best in de Boardroom laten kijken, maar waarschuwt bijvoorbaat: 'daar hangt maar één schilderij'. Het blijkt een portret te zijn van de schilder Daniel Greene, die in 1979 Nathan Cummings heeft vereeuwigd, zes jaar voor zijn dood.

Het Singer Museum laat straks een kleine vijftig werken zien. Dat is zonder meer de beste keus, want Sara Lee legt geen belemmeringen op het uitlenen. Toch is dat nog maar het topje van de ijsberg. Toen Cummings in 1985 stierf, liet hij een verzameling van ongeveer 1500 werken na. Die zijn niet allemaal bij Sara Lee terechtgekomen. Een deel zit bij de erfgenamen, een ander deel werd verkocht. Musea in New York, Washington en Chicago kregen al eerder schenkingen, de Stanford University heeft een museum dat zijn naam draagt, het Metropolitan Museum of Art heeft een afdeling met pré-Columbiaans naar hem genoemd. Sara Lee Corporation wil wel van tijd tot tijd een voor de verzameling belangrijk werk terugkopen. Het bedrijf heeft daar overigens geen apart budget voor, er wordt niet gericht verzameld. Soms moet een minder goed schilderij worden verkocht ten gunste van een belangrijker doek.

Eén schilderij komt echter nooit in de aanbieding. Dat is een oogstscène van Camille Pissarro uit 1893. Aan deze Pissarro hebben ze bij Sara Lee goede herinneringen. Het doek was het eerste schilderij dat Cummings in het begin van de jaren '40 kocht. Kort tevoren was hij voor het eerst met kunst en kunstenaars in aanraking gekomen. Op aanraden van een advertentieverkoper had hij een kunstenaar gevraagd om het uitzicht te schilderen van zijn kantoor (toen nog niet op het adres 3 1st National Plaza) in twee versies, overdag en bij nacht. De beide doeken bevielen hem zo goed, dat hij voortaan besloot om meer kunst aan te schaffen. Cummings kocht bij sommige schilders rechtstreeks, hij wilde graag bevriend zijn met Picasso, Miró, Arp en Braque, zocht ook erkenning voor zijn verzamelopvattingen bij Henry Moore. Kort voor zijn dood beleefde de zakenman-in-ruste zijn grootste triomf toen hij zag dat de directie van Sara Lee Corporation schilderijen uit zijn verzameling verwierf om daarmee een begin te maken met de Memorial Collection. Het werd de ultieme bevestiging van zijn carrière.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden