DEENSE MUSEA

Het Deens Verkeersbureau, Postbus 266 in 2300 AG Leiden, tel. 071 23 32 83, levert op aanvraag een brochure over kunst en toerisme op Jutland.

Ze voelen zich de Drenten van Europa. Jutland ligt verweg, ver van Kopenhagen waar alles gebeurt wat Denemarken aanbelangt, ver van de culturele centra in Europa waar elk jaar een miljoenenpubliek naar toe komt. Met ongenoegen zien de Jutlandse kunstbonzen dat de Deense hoofdstad volgend jaar culturele hoofdstad van Europa zal zijn; dat betekent meer publiek dat in plaats van naar Aalborg en Aarhus naar het oostelijkste eiland afreist. En publiek kunnen ze tussen Tönder en Skagen best hebben. Toeristen krijgen ze genoeg, maar die komen vooral op de stranden af. De Duitsers, nummer één op de lijst voor Zweden, Noren en de Nederlanders, komen in horden naar het fjordenrijke Jutland, waar ze onmiddellijk een huisje, het liefst aan het strand, bezetten. En Duitsers bezoeken ongaarne een museum, zo is de ervaring.

Nee, dan Nederlanders. Hebben veel culturele belangstelling, hoeven ook niet zo nodig in een huis aan zee te zitten en zijn graag actief op vakantie. Zijn bovendien nieuwsgierig, willen van alles weten. Dankbare gasten, waar we er veel van willen zien, dachten ze op Jutland. Dus openden ze dit voorjaar een Nederlands offensief in de Jutlandse musea. In elk museum ligt een Nederlandstalige brochure die informatie over gebouw, collectie en exposities geeft. Het Deens Verkeersbureau in Leiden bundelde al die museale informatie in een gids die in een zestal tochten de kunst belicht.

De Deense musea, en in het bijzonder die van Jutland, zijn bij de eigen bevolking matig populair. De bezoekcijfers wijzen dat uit, maar proefondervindelijk vind je ook je eigen bewijs. Op een doordeweekse dag is het zelfs in de belangrijkste musea uitgesproken rustig. Tijdens een bezoek zie je zo hier en daar wel een geïnteresseerde rondlopen, maar drommen, nee, die komen er niet. Wie in Denemarken vertelt dat het Haagse Gemeentemuseum beslist ontevreden is over de opkomst op de Mondriaan-tentoonstelling die 'maar' 100.000 bezoekers trekt, wordt meewarig bekeken: dat is voor Deense begrippen een topper! Een van de oorzaken van het gebrek aan populariteit kan zijn dat het gemiddelde Deense museum geen uitgebreid expositieprogramma heeft. Wie eenmaal de (statische) verzameling heeft gezien, komt niet snel meer terug. Ook in Nederland worden die musea het drukst bezocht die een aantrekkelijk programma hebben.

De musea op Jutland moeten het hebben van hun vaste bezit, dat doorgaans sterk Deense trekken kent. Afgezien van de musea in de grote steden Aalborg en Aarhus en het kleinere Silkeborg hebben de musea wel plaatselijke helden, of op zijn best nationale schilders in huis, maar tonen ze weinig interesse voor het buitenland. Dat leidt tot onevenwichtige verzamelingen: door de nadruk op het eigene te leggen, is er geen relatie te leggen met internationale stromingen, waaraan dat eigene vaak schatplichtig is. Duidelijk ervaar je dat in stijlen als het symbolisme en surrealisme, die in musea in Tínder, Vejen, Vejle en Horsens goed vertegenwoordigd zijn en in mindere mate in Silkeborg en Aalborg. Menige Deense representant blijkt onder invloed te hebben gewerkt van schilders als Dali, Breton en Ernst, maar die voorbeelden zelf vind je nergens terug.

Pas als de Denen zelf een bijdrage aan moderne stromingen hebben geleverd, wordt het een interessant verhaal. Dan blijkt dat hun land een aantal reuzen aan de schilderkunst te hebben geleverd. Neem het Kunstmuseum in Silkeborg. Vriendelijke stad, niet al te groot en idyllisch gelegen aan de plassen. Een goede plek om je tent op te slaan en de omgeving te verkennen. Het restauratiewezen is, als overal op Jutland, van voortreffelijke kwaliteit. Tussen de middag een overvloedige lunch, beginnend met een boterham met haring en een bijpassende slok aquavit die op kousevoeten naar het hoofd sluipt, en uitmondend in een schaal zeebanket van vers gehalte, het is in de gemiddelde kro de gewoonste zaak van de wereld.

Het Silkeborg Kunstmuseum is het museum van Troels Andersen. En Troels Andersen is Cobra. En Cobra is in Silkeborg in de eerste plaats Asger Jorn. Andersen was de man achter de Jorn-expositie die vorig jaar in het Stedelijk Museum in Amsterdam werd gehouden. Zijn museum (45.000 bezoekers, even veel als de stad aan inwoners telt) is de thuishaven van een enorme Jorn-collectie, de omvangrijkste (5000 werken, de meeste op papier) in Denemarken en daarmee in de wereld. Het museum bezit het ultieme hoogtepunt uit Jorns oeuvre: Stalingrad. Het werk heeft die titel gekregen als eerbewijs aan de slag die rond en in deze Russische stad werd geleverd. Stalingrad is een in alle opzichten opmerkelijk schilderij. Je kunt er tien keer naar kijken en er tien keer iets anders in zien. Troels Andersen: “Het licht in het museum is van doorslaggevend belang voor het karakter van het doek. De afgelopen winter was het schilderij heel koud, heel wit. Nu, met het voorjaar, wordt het doek veel levendiger.” Het bijzondere van het museum zit in de inrichting: het gebouw, dat zich op het eerste gezicht voordoet als een labyrinth, blijkt een trits van aaneengeschakelde ateliers te bevatten. Elke ruimte, voorzien van hoog binnenkomend daglicht, kent langs de lange zijde een balkon waar tekeningen en werken op papier worden getoond. Vanaf het balkon heb je een mooi uitzicht op de schilderijen.

Andersen is behalve een groot Jorn-liefhebber, waarvan hij in een reeks (!) biografieën heeft getuigd, ook goed op de hoogte van de twee andere poten van Cobra, te weten Brussel en Amsterdam. In het Silkeborgs museum, dat beter het Cobramuseum genoemd kan worden, sta je plotseling oog in oog met werken van Karel Appel, Theo Wolvecamp, Corneille en Constant. Troels Andersen: “Ik beschouw Silkeborg als hét prototype van het Deense provinciale museum. Dat betreft zowel de architectuur (van Niels Frithiof Truelsen-red.) als de collectie.” De hier verzamelde Denen kom je dan ook onophoudelijk tegen in de andere Jutlandse musea.

Niet voor Jorn, maar wel voor Carl-Henning Pedersen zou je naar Henning moeten gaan. De afstand is nog geen veertig kilometer, de route schilderachtig en de horeca-gelegenheden het aanleggen waard. Herning is na Silkeborg hét museum voor de Cobra-liefhebber. Het museumgebouw, ondergebracht in een voormalige weverij, ziet er uit als een trommel, die rond een weitje een vrijwel gesloten cirkel beslaat. De hele muur is door Pedersen aan de binnenzijde beschilderd, die hiermee zijn opus magnum leverde. De verzameling is naast de Cobraschilders (Pedersen, Henry Heerup, Else Alfelt) belangrijk vanwege de conceptuelen van het vroegste uur. Door banden die de stad met Piero Manzoni onderhield, zijn hier zijn beste werken terechtgekomen. Manzoni ontleende in de jaren van Fluxus en happeningskunst faam aan het feit dat hij lucht inblikte, blikjes die hij keurig van een sokkeltje voorzag. Om Pedersen te zien moet je het kunstmuseum verlaten om het nabij gelegen Pedersenmuseum, naar een ontwerp van Mads Mller, te bezoeken. Het is een echte one man show: Pedersen heeft zowel het exterieur gedecoreerd als het interieur volgehangen met eigen werk. Sinds anderhalf jaar heeft dit gebouw een dependance die grotendeels onder de grond zit. Licht ontleent de zaal aan een glazen uitbouw die boven de grond steekt, op een wijze die geïnspireerd lijkt door de Chinees-Amerikaanse architect Pei die het Louvre van een glazen piramide-entreé voorzag. Dit jaar maakte Pedersen een keus uit eigen werk dat in de nieuwe dependance is te zien, terwijl dat van zijn eerste vrouw Else Alfelt in de 'oudbouw' hangt. Alfelt was niet de beste van de Cobra-schilders, haar werk hangt er waarschijnlijk meer uit piëteitsredenen.

Van Herning in het westen naar het Nordjutlandse Kunstmuseum in het noordelijke Aalborg, loopt de route langs musea in plaatsen als Holstebro en Skive. Holstebro is interessant om zijn architectuur, een geslaagde combinatie van oud- en nieuwbouw. Rond een villa van een tabakshandelaar uit de vorige eeuw die zijn geld in kunst van zijn tijd stak, zijn twee vleugels uitgezet die deels kunst, deels lokale geschiedenis bevatten. Het kunstmuseum kiest voor een klein aantal kunstenaars van wie zoveel mogelijk werk wordt getoond. Dertig duizend bezoekers komen daar jaarlijks op af, een groot deel wordt op educatieve gronden naar binnen gehaald. Trots is men er op de Cobra-kunstenaar Henry Heerup en de kelder waar grafiek van moderne klassieken als Picasso en Matisse is te zien.

In Skive daarentegen kom je zowaar een Nederlander tegen (de Groningse fijnschilder Roelof de Roo) die de toon zet voor een collectie hoofdzakelijk Deense figuratieven. Een plaatselijke bekendheid is Jírgen Geisted, die naar zeggen van de museumdirectie onder invloed van Dick Ket heeft gestaan. Je kunt hier kennismaken met wat Denemarken aan realisme en expressionisme heeft voortgebracht, zowel voor- als na-oorlogs. Bij de vooroorlogse expressionisten merk je opeens wat er zo schort aan deze richting van de Deense schilderkunst: het gebrek aan originaliteit. Wie je ook voor ogen krijgt, in iedere Deen zie je het voorbeeld uit het buitenland. Neem Vilhelm Lundstrím (1893-1950) en je verwijst naar Gromaire en Derain. Zie Jens Síndergaard (1895-1957) en je denkt onmiddellijk aan Van Gogh. Neem Knud Agger (what's in a name voor een schilder), die leefde van 1895 tot 1973 en je ziet Pierre Bonnard voor je.

Nee, dan liever de hedendaagse expressionisten. Dan kom je onvermijdelijk op Per Kirkeby (1938) uit. Hij wordt in zijn eigen land beschouwd als de grootste Deense schilder van deze tijd. Van hem wil elk museum in Denemarken minstens één schilderij hebben. Zo ook Skive, wat gezien de beperkte financiële middelen een tour de force moet zijn geweest.

Voor Kirkeby kan je het best naar Aarhus. Het Kunstmuseum is een schepping van C.F. Míller die het gebouw, aan de rand van de universiteitswijk waar hij ook veel heeft ontworpen, in een klakkeloze utiliteitsstijl bedacht. Het is het eerste museum waar op deze Jutlandse reis Bertil Thorvaldsen is te zien, de neo-klassicistische beeldhouwer van wie in Kopenhagen zo veel werk wordt bewaard. Maar je gaat niet naar Aarhus voor Thorvaldsen. Hier wordt de grootste Kirkeby-collectie bewaard. Met 75 schilderijen en een even groot aantal werken op papier krijg je hier een goed beeld van de vroege Kirkeby te zien.

Aarhus heeft een expositiebeleid dat aan de hedendaagse kunst, waarin Kirkeby een niet onbelangrijke rol speelt, recht doet. James Turrell, Bruce Naumann en Jeff Koons heben hier in recente tijden geëxposeerd. Het Aarhus Kunstmuseum slaagt er in dit aantrekkelijke programma met een beperkt budget te realiseren. Het jaarlijkse budget bedraagt twee miljoen kronen (zes ton), waarvan slechts 100.000 kronen (¿ 30.000) voor aankopen. Voor elke tentoonstelling moet een beroep worden gedaan op externe sponsors. Tot voor kort kwamen daar drie fabrikanten van respectievelijk bier (Carlsberg), sigaretten en kaas voor in aanmerking, maar sinds vorig jaar loopt in heel Denemarken de inbreng van de sponsoring fors terug, zodat Aarhus danig in de problemen zit.

Van een dergelijk treurig verhaal is in Aalborg geen sprake. Directrice Nina Hobolth lijkt zowel een goede financiële als artistieke manager te zijn, die haar museum een voortdurende successtory voorhoudt. Het gebouw van de Finse architect Alvar Aalto is op zich al een bezoek waard. Een perfecte mix van dag- en kunstlicht in galerie-achtige ruimten die heel licht van toon zijn. De ontvangsthal heeft helaas veel weg van een mortuarium en verdient beter meubilair, maar dat is een handicap die veel Deense musea kennen: het nationale design is inmiddels behoorlijk gedateerd.

Met een budget van zes miljoen kronen (1,8 miljoen gulden), waarvan tien procent voor aankopen, heeft Hobolth geen reden om te klagen. Het Aalborgs Kunstmuseum heeft een internationale visie op de moderne kunst: je ziet hier namen als Marc Chagall, Max Ernst, Eugène Boudin, Daniel Spoerri en Nam June Paik. Een verrassing is de laatste naam: Paik blijkt onderdeel van een aparte afdeling met Fluxus/happenings/installatiekunst uit de jaren zestig. Hier vind je zijn bekende televisie-aquarium compleet met rondzwemmende goudvisjes. De Denen blijken aan de Fluxus-beweging een opmerkelijke bijdrage te hebben geleverd, van Arthur Köpcke is hoogst interessant werk te zien. Hobolth kan er mee voor de dag komen: na drie dagen Cobra en Kirkeby is dit een speelse afwisseling op het tot dan toe over-serieuze menu. De Deense kunst is van een grote, nadrukkelijke ernst doortrokken, kent weinig zelfbespiegeling, want oogt geserreerd koel en mist (met uitzondering van de Cobra-schilders) een nieuwsgierige makende visie op de mens. In de Deense Fluxuskunst wordt dat allemaal rechtgetrokken. Maar wat is het jammer dat juist dat zo weinig te zien is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden