Deense Biedermeier-bonbons

Vanaf za 1 maart t/m 19 mei in Museum Het Paleis, Lange Voorhout 74 in Den Haag, di-zo 11-17 uur. Div. publicaties. VVV Den Haag biedt gedurende deze periode speciale verblijfsarrangementen, bij de Ned. Spoorwegen zijn gecombineerde trein- en toegangsbiljetten verkrijgbaar.

Voor Sillevis, die in Den Haag tal van tentoonstellingen met negentiende-eeuwse kunst heeft georganiseerd, was het een ontdekking van jewelste toen hij de Deense schilder- en beeldhouwkunst onder ogen kreeg. Ontdekkingen in de kunst worden steeds schaarser, omdat er zoveel kunsthistorici op zijn gespitst om iets nieuws te vinden. Deze kunst echter, die zich op minder dan 800 kilometer afstand bevindt, was nooit eerder het land uit geweest. Pas recent toont het buitenland enige belangstelling voor wat de Denen zo angstvallig voor zichzelf behouden: musea in Londen, Parijs en Los Angeles hebben al overzichten van de Deense kunst in huis gehad, in München is deze week een overzicht van de schilder Christen Kbke opengegaan. In de collecties van niet-Deense musea kom je deze schilderijen trouwens zelden tegen, in Nederland bijvoorbeeld is er niet één bekend. Het prijsniveau voor geveilde Deense meesters volgt de stijgende belangstelling: doeken die een miljoen opbrengen, zijn geen uitzondering meer.

Wat is er toch zo bijzonder aan die Deense kunst? In het geval van de expositie in het Museum Het Paleis in Den Haag, gaat het om kunst uit de negentiende eeuw. In Denemarken zelf wordt hij de Gouden Eeuw genoemd, wat enige verwarring oplevert met de Hollandse Gouden Eeuw, die zich twee eeuwen eerder afspeelde. De Deense Gouden Eeuw heeft bovendien maar een halve eeuw geduurd: hij begon rond 1800 en liep in 1850 af. Eigenlijk al twee jaar eerder: in 1848, een jaar na de afschaffing van de absolute monarchie (Christian VIII was in 1847 overleden), kregen de Denen hun eerste democratische grondwet, wat als het begin van een nieuwe tijd werd gezien. In datzelfde jaar stierven gelijktijdig enkele van de grootste Deense schilders van dat moment. Als jonge kunstenaars maakten ze snel faam, maar ze konden dat ongelukkigerwijs niet bestendigen. Dat gold voor Christen Kbke, die in 1810 was geboren, voor Johan Thomas Lundbye (1818), voor Martinus Rrbye (1803) en voor Adam Müller die al eerder, in 1844 was overleden, slechts 33 jaar oud.

De Gouden Eeuw was het Deense equivalent voor wat in Duitsland en Oostenrijk de Biedermeiertijd was. Dat is althans de mening van William Gelius, een in Kopenhagen opgeleide kunsthistoricus die directeur is van het Kunstmuseum in het Jutlandse Ribe. Schilders uit (Noord-)Duitsland onderhielden contacten met de Denen in Kopenhagen. Zoals Caspar David Friedrich - die in Kopenhagen les had gekregen van Nicolai Abraham Abildgaard, de 'vader' van de Deense Gouden Eeuw - en Philipp Otto Runge, twee Duitse schilders die hun stempel hebben gezet op de Europese schilderkunst van de eerste helft van de negentiende eeuw.

Het Ribe-museum is een van de bruikleengevers van de Haagse expositie: Sillevis kreeg van Gelius een door Christen Kbke geschilderd portret. Voor Deense begrippen heeft Gelius een geprononceerde mening over 'zijn' Gouden Eeuw: “De wortels van de Gouden Eeuw liggen in de Deense Kunstacademie, die in 1754 werd opgericht. Toen de eerste lichting studenten van deze opleiding klaar was, konden ze meteen docent worden. Zo ontstond de eerste generatie Deense schilders, want hun eigen docenten kwamen nog uit Frankrijk en Italië. Ze verstonden hun vak uitstekend, maar de inhoud van hun werk is erg arm. Karakteristiek voor hun werk vind ik het realisme en de nuchterheid waarmee ze hun onderwerpen aanpakten. Ze waren in die tijd ook niet vatbaar voor romantische opvattingen die elders in Europa zo veel opgang maakten. De Romantiek is op een enkele uitzondering na aan Denemarken voorbijgegaan. De Deense Gouden Eeuw mist grote ideeën; men schilderde down to earth, zonder vast thema. Maar wat ze ook kozen, het werd zorgvuldig en met het hart gedaan.”

Toch moeten er meer redenen zijn waarom deze schilderkunst zich in zo'n korte tijd zo massaal kon manifesteren. En dat in een periode waarin Denemarken door tal van rampen werd bezocht. Want het sociale klimaat ten tijde van de eerste decennia van de negentiende eeuw was bepaald geen pretje. Denemarken was verwikkeld in de zogenoemde Napoleontische oorlogen, het verloor Noorwegen en raakte Sleeswijk-Holstein aan Duitsland kwijt.

Dat alles bij elkaar lijkt geen goede voedingsbodem voor een vitaal en enthousiast beleefd kunstklimaat. Ik leg de vraag voor aan Marianne Saabye, directeur van Den Hirschsprungske Samling - na het Statens Museum en het Thorvaldsens Museum het belangrijkste museum in Kopenhagen voor de Deense Gouden Eeuw. “Het vreemde is”, zegt ze, te midden van haar collectie die met werk van Eckersberg, Kbke, Lundbye, Skovgaard, Vermehren en Bendz op topniveau staat, “dat er ondanks de economische en politieke malaise een zelfbewuste klasse van de kleinburgerij kon ontstaan. Zij hadden geld om kunst te kopen. Voor opdrachten was er geen geld, de kunstenaars werkten altijd voor de vrije markt, maar ze wisten wel afzet te vinden.”

Saabye verklaart de teloorgang van de Gouden Eeuw, rond 1850, uit het feit dat de Deense schilders niet langer meer naar Rome gingen om daar kennis en inzichten omtrent de Antieken op te doen. Veel reizen konden ze trouwens niet, omdat Denemarken drie jaar lang in oorlog was met het Duitsland, waardoor ook de uitwisseling tussen kunstenaars onderling vastliep.

Invloed van de Antieken heeft de Deense schilder- en beeldhouwkunst zeker drie decennia beziggehouden; Eckersberg en Kbke waren op dat punt de grote stimulatoren. “ Omstreeks 1850 vond de kunsthistoricus N. L. Hyen dat de Deense schilders aandacht voor hun eigen geschiedenis en hun eigen land moesten krijgen, in plaats van Romeinse gladiatoren, colossea, en ruïnes af te beelden. Johan Thomas Lundbye, die in Rome is geweest, pikt dat als eerste op. Als hij terugkomt in Denemarken, schildert hij niet langer Antieke ruïnes, maar zoekt het Deense platteland op”, aldus Saabye.

Zijn Eckersberg en Kbke representatief voor het Deense realisme, is Lundbye dat voor de ontwikkeling naar een meer op romantische invloeden gerichte kunst, Bertel Thorvaldsen moet als dé meester van het neo-classicisme worden gezien. Er zijn in Denemarken kunsthistorici die de beeldhouwer Thorvaldsen niet tot de Deense Gouden Eeuw rekenen, vooral op grond van zijn leeftijd. Thorvaldsen werd in 1770 in Kopenhagen geboren en werkte gedurende vele jaren in Rome. Maar met zijn dood in 1844 werd hij weer helemaal 'Deens'. Hij ligt namelijk begraven in zijn eigen museum, een tempelachtig gebouw in het centrum van Kopenhagen. Thorvaldsen wilde alleen naar Denemarken terugkeren als zijn nadrukkelijke wens was ingewilligd: hij vond dat zijn werk zo'n grote kwaliteit had, dat het in een museum voor het nageslacht bewaard moest blijven. En omdat zo'n museum er in Kopenhagen niet was - dat kon ook moeilijk, want Thorvaldsen had al zijn werk in Rome, verspreid over vijf ateliers - moest het maar gebouwd worden.

Niet bekend

Het Thorvaldsens Museum, ondergebracht in een voormalige koninklijke koetsenstal uit de 18de eeuw met een in dezelfde stijl opgetrokken nieuwbouw, is in meer dan één opzicht een tempel. De Deense kunst is aan Thorvaldsen veel schatplichtig geweest, maar Thorvaldsen is dat aan Denemarken veel minder geweest. Na zijn academietijd, waarin hij opviel als een zeer getalenteerd student, ging hij op 23-jarige leeftijd naar Italië. Met een medaille en een beurs, die in Nederland de Prix de Rome zou worden genoemd, zou hij tientallen jaren lang de kunst van de Romeinen bestuderen.

Daar bleef het niet bij, want in Rome werd Thorvaldsen een van de meest gevraagde beeldhouwers. Zeer tegen de zin van Antonio Canova, zijn Italiaanse evenknie, kreeg hij de meest uiteenlopende opdrachten. De protestantse Thorvaldsen ontving zelfs verzoeken van de katholieke kerk, zoals een enorm beeld van de Hlg. Petrus bewijst. Dat staat nu, in de vorm van een model, in het Thorvaldsens Museum, wedijverend met een even hoog beeld van de Duitse schrijver Friedrich Schiller waarvoor Thorvaldsen het origineel in Stuttgart liet afleveren. Hij liet van elk beeld een model afgieten om er nog eens naar te kunnen kijken en te bestuderen. Het museum in Kopenhagen biedt zodoende een representatief overzicht van deze beeldhouwer - naast een vracht aan schilderijen uit de Gouden Eeuw die Thorvaldsen als mecenas in Rome collectionneerde.

“Wat Thorvaldsen onderscheidt van zijn tijdgenoten is zijn gevoel voor ingehouden emotie”, zegt Sillevis, die een groot liefhebber is van Thorvaldsen. Die ingehouden emotie heeft wel tot gevolg dat het werk ingetogen oogt. Sterker nog, het doet kil en afstandelijk aan.

Er is nog iets anders dat Thorvaldsens werk niet geheel en al 'Deens' doet zijn. Hij werkte met in Italië bekende formaten. Dat wil zeggen: hij schuwde het megalomane niet. De meeste beelden, vooral de monumenten voor grote ruimten, zijn gemiddeld drie keer groter dan menshoog. Je kijkt altijd òp tegen het werk van Thorvaldsen, en dat is iets heel anders dan wat er bij de schilderkunst gebeurt.

Zo iets naar een buitenlandse tentoonstelling te verslepen levert grote problemen op. Sillevis koos wijselijk voor een paar kleine werken en een groep tekeningen die een aardige indruk van Thorvaldsens werkwijze geven. Qua transport was het versturen van de zeventig schilderijen en de honderd tekeningen een stuk gemakkelijker. Last had het Haagse museum wel van het feit dat er juist op dit ogenblik een expositie gewijd aan het werk van Christen Kbke rondtoert. Bovendien kon Sillevis de allerbelangrijkste werken van zowel Kbke als Eckersberg niet krijgen omdat de Deense musea die doodeenvoudig niet laten gaan. “We willen ons publiek niet teleurstellen dat er speciaal op af komt”, zegt Marianne Saabye, staande voor het beroemde schilderij 'Vrouw voor een spiegel' van Eckersberg in haar museum. Anders was dat hét hoogtepunt van de expositie geweest.

Desondanks biedt de tentoonstelling in Den Haag een goede indruk van de Deense Gouden Eeuw. Vooral de schilderkunst valt op door het steevast overheersende heldere daglicht waarin alle scènes worden gezet, geïnspireerd door de Franse schilders als Corot en David. Corot bracht de Denen op het idee om buiten te gaan schilderen, lang voor de impressionisten dat deden; David leerde de Denen op zijn Parijse atelier onder daglichtcondities te werken. Dit alles zorgt voor een welhaast mediterraan karakter dat uniek is in de Scandinavische kunst. De onderwerpen mogen er niet toe doen - landschappen, topografie, historie en mythologie vormen de meerderheid, verder wat portretten, weinig stillevens -, maar de uiteindelijke resultaten zijn een lust voor het oog.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden