Deeltijdbanen vertekenen beeld van arbeidsparticipatie/'Geen inkomensverlaging'

DEN HAAG - Zijn er nu wel of niet genoeg mensen aan het (betaalde) werk in Nederland? De afgelopen jaren klaagde de politiek steen en been dat het (betaalbare) evenwicht tussen werkenden en uitkeringsgerechtigen zoek zou zijn. Nu verschijnen er plotseling steeds meer berichten dat het meevalt.

BARBARA BERGER

Het idee dat in Nederland minder gewerkt wordt dan in de rest van Europa zou naar de wereld van de sprookjes kunnen worden verwezen.

Dit 'goede nieuws' was de laatste weken afkomstig van het Centraal bureau voor de statistiek (CBS). Uit zijn recente overzicht over de jaren 1987 tot 1991 blijken in Nederland zelfs meer mensen een (deeltijd) baan te hebben dan gemiddeld in de rest van Europa.

Zo telde in 1991 Nederland 63 procent betaald werkenden tegen een Europees gemiddelde van 61 procent. De groei van het aantal Nederlandse banen

dt mede veroorzaakt door een in 1987 geintroduceerde nieuwe telmethode van het CBS, waarbij plotseling allerlei 'kleine baantjes' die eerder niet meetelden, toch een plaats in de statistieken kregen. In de nieuwe methode, de Enquete beroepsbevolking (EBB) telt iedereen mee die meer dan een uur per week betaald werkt.

Op die manier steeg de werkgelegenheid in 1988 in een klap met 500 000 personen. Met diezelfde berekening loopt Nederland in 1991 zelfs nog 'maar' zes procent achter op de economisch heel sterke Oeso-landen. In dit verbond van de 24 sterkste westerse industrielanden ligt de arbeidsdeelname in personen dicht tegen de zeventig procent.

Nieuwe telmethode

De nieuwe CBS-publikaties duiden op het eerste oog op een grote verandering, maar dat plaatje is toch heel relatief, omdat het CBS alweer van plan is zijn telmethode te veranderen. Vanaf dit jaar tellen alleen nog banen mee waarbij minimaal twaalf uur per week wordt gewerkt.

Volgens deze berekening moeten de zojuist gepresenteerde hoge cijfers - die ook zoveel verwarring tot stand brengen - weer ras omlaag. Voor de gepresenteerde werkgelegenheid over 1990 geldt dat volgens deze nieuwe definitie 700 000 personen minder een baan zouden hebben dan nu volgens de EBB-methode is berekend.

Dat betekent dan dus niet een spectaculaire groei tot 62 procent men sen met een baan, zoals het CBS nu meldt, maar 'gewoon' 55 procent.

Veel interessanter dan deze cijferbrei zijn de uitkomsten als er niet in banen, maar in volle arbeidsjaren wordt gerekend. Volgens deze telling is het aantal werkenden in Nederland in het tijdvak 1987-1991 met 3,5 procent gestegen: van 47,5 naar 51 procent. Hierbij worden wel alle kleine deeltijdbanen mee en omgerekend in hele arbeidsjaren.

Zij zijn de maatstaf om te bekijken of de collectieve voorzieningen betaalbaar blijven. Want ook al stijgt de arbeidsdeelname in personen, betekent dat nog niet veel meer geld in het laadje van de rijkskas. Iemand met een (kleine) deeltijd baan betaalt minder sociale premies en belastingen.

Als de oude methode van voor 1987 wordt gehanteerd, dus zonder al die kleine banen, groeit het aantal arbeidsjaren maar met twee procent, dus niet naar 51, maar naar 49 procent in 1991. Welke cijfers je ook wilt geloven, de gewerkte arbeidsjaren in Nederland komen nu weliswaar boven Spanje en Ierland uit, en naderen Belgie, Griekenland en Ita ie, maar ze lopen nog steeds achter op het EG-gemiddelde. Volgens dit gemiddelde steeg de arbeidsdeelname in arbeidsjaren van 53 naar 55 procent. De discussie over het wel of niet tellen van deeltijdbanen speelt op internationaal niveau niet zo sterk, omdat Nederland in verhouding veel meer deeltijdbanen heeft dan de meeste andere landen.

"Dus is het overdreven om nu plotseling te juichen, of te doen alsof de arbeidsdeelname in Nederland geen probleem meer is" , stelt dr. C. W. A. M. van Paridon, econoom en stafmedewerker van de Weten schappelijke raad voor het rege ringsbeleid (WRR). "Zeker als je de kosten van de sociale stelsels in de verschillende landen vergelijkt. Daar loopt Nederland nog steeds voorop." Van Paridon heeft vorig jaar meegewerkt aan het WRR-rapport 'Een werkend perspectief', waarin de WRR indringend waarschuwt voor de (onbetaalbare) gevolgen van de te lage arbeidsparticipatie in Nederland. De waarschuwing van de WRR, maar ook de cijfers van de miljoenennota's en de rapporten van het Centraal planbureau vormden vorig jaar onder meer de politieke basis voor de voorstellen over de beperking van de sociale zekerheid, zoals de WAO.

Als de werkgelegenheid in Nederland zich werkelijk zo gunstig zou ontwikkelen, dan zou de noodzaak wegvallen om in de sociale zekerheid in te grijpen. De emotionele discussies over de Nederlandse arbeidsdeelname van vorig jaar zomer naar aanleiding van het WAO-debat zouden dan weer terugkeren. Van Paridon besloot daarom alle cijfers nog eens op een rij te zetten.

Vandaag verschijnt zijn overzicht in Economischstatistische berichten (ESB). Hij concludeert daarin dat "de arbeidsparticipatie in Nederland zich weliswaar in de goede richting beweegt, maar dat er nog steeds sprake is van aanzienlijke achterstand op anderen in de EG en de Oeso" .

Van Paridon: "Bovendien zijn er nog steeds grote problemen onder be paalde groepen van de bevolking. De arbeidsdeelname onder oudere mannen daalt dramatisch in Neder land. Van de groep tussen de 55 en 64 jaar werkt nog maar veertig pro cent, voor zestig procent moet dus een uitkering worden betaald.

Dit percentage ligt 22 punt lager dan in de Oesolanden, waar gemiddeld 62 procent van de oudere mannen nog werkt." Ook vrouwen boven de 35 werken in Nederland verhoudingsgewijs veel minder dan in andere landen. "Vrouwen lopen wel over de hele linie hun achterstand in. Maar dat zijn vooral deeltijdbanen. Dus hun arbeidsdeelname in arbeidsjaren stijgt nog heel langzaam."

Van Paridon eindigt zijn artikel in ESB - als WRRmedewerker niet onverwacht - door nog eens de conclusies van het WRR-rapport te bevestigen: "Regering en politieke partijen hoeven hun beleidsvoorstellen niet bij te stellen."

In de persoonlijke toelichting wordt Van Paridon concreter: "Ik vind het tijd worden om op sociale wijze te denken over wijzigingen in het stelsel van sociale zekerheid, met name om na te gaan hoe de arbeidsdeelname wordt vergroot. Daarmee bedoel ik niet meteen een terugkeer naar het beperkte basisstelsel voor de sociale zekerheid, zoals bepaalde kringen in het CDA een tijd terug hebben voorgesteld.

Je zag dat zelfs de dreiging met verscherpte WAO-maatregelen al een groot effect heeft gehad op het aantal WAO'ers. In het bestaande systeem zat geen enkele prikkel om iets aan de uitstroom in de WAO te doen, en die moet er dus wel zijn. Voorzichtige en sociaal afgewogen wettelijke maatregelen kunnen dus nog een veel groter effect hebben. Doe dat eerst eens, voordat je tot inkomensverlagingen overgaat of aan het pensioenstelsel gaat tornen."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden