Deel III van Reve’s leven wordt nog veel treuriger

Jaren geleden las ik Bertrand Russells autobiografie. Een heerlijk, sprankelend verhaal. Ik vermoedde al dat Russell een onderhoudende, vriendelijke en vooral humorvolle man was, en bovendien gezegend met een zeldzame geestelijke scherpte. Daarnaast was hij op ontwapenende wijze erg openhartig over zijn tekortkomingen en een schat van een man voor zijn vrouwen en kinderen, waarbij hij het meervoud in die eerste categorie niet schuwde. Ik zag al deze prettige vermoedens fraai bevestigd in zijn autobiografie, die ik uit louter plezier las en herlas.

Toen kwam Ray Monk in 1996 met het eerste deel van zijn Russell-biografie. Het was verschrikkelijk. Het boek leek wel met een hamer geschreven. Er bleven slechts enkele resten over van mijn even spitse als grappige filosoof. Buiten zijn filosofische werk bleek Russell in huiselijke verwikkelingen een vervelende vent. Iemand die zijn ex-echtgenotes jarenlang bleef treiteren over wie de kinderen dit jaar met de Kerst zou hebben. Het resultaat was dat ik pissig werd op Ray Monk die volgens mij gewoon een hekel had aan Russell, al zou ik niet weten waarom.

Iets vergelijkbaars overkwam mij bij het lezen van Nop Maas’ biografie van Gerard Reve. Na het lezen van deel I voelde ik alleen maar dankbaarheid jegens Maas. Maar halverwege deel II werd ik overvallen door wrevel, die ik eerst op Maas wilde richten, maar waar sloeg dat eigenlijk op? Ik was natuurlijk pissig op Reve. Wat valt die tegen!

Hoewel dat ook weer onzin is. Het enig juiste commentaar is: wat geloofde ik zijn werk graag. Het ligt niet aan Maas. Je voelt in zijn schrijven een grondtoon van sympathie en achting, gevoelens die overeind blijven ook tijdens excursies naar de veel lagergelegen gebieden van Reve’s leven die we nooit eerder bezochten. Mijn wrevel wordt ook elders gevoeld, en dan wel degelijk beschouwd als door Maas veroorzaakt. Wilfred Takken klaagt in zijn recensie in de NRC: ’Maas vertelt geen verhaal, hij heeft geen leidend idee. Dit is veel meer een kroniek dan een biografie. Hij gaat van dag tot dag door Reve’s leven ....’

Het is verwijtend bedoeld, maar Maas heeft mijn zegen. Want juist door min of meer meegezeuld te worden van Jongen naar Depressie naar Drank naar Boek naar Depressie en dan weer naar Woede en opnieuw naar een Jongen, alles even uitzichtloos, ervaart de lezer hoe moeizaam dit leven zich dikwijls voortsleepte.

Eén van de vele prettige aspecten van Maas als biograaf is dat hij heeft gekozen voor een zeer dienstbare vorm van schrijven, waardoor het lijkt alsof je zelf zit te bladeren in Reve’s leven zonder dat de biograaf je steeds wijst waar je op moet letten. Hij maakt daarbij gretig gebruik van de dagboeken van Hanny Michaelis, die haar ex een leven lang bleef bezoeken, mogelijk in meerdere betekenissen van dat woord. Bij thuiskomst schreef ze een verslag van de toestanden die ze aantrof en zo slaagt Maas erin de ontwarring van de Tijger-Woelrat-Gerard-knoop in al zijn onafwendbaarheid te volgen. Gelukkig vind ik al mijn (op niets gestoelde) weerzin jegens Woelrat op onweerlegbare wijze bevestigd. Toch had ik liever niet geweten hoe mythisch de door Reve beschreven Veenendaal-situatie was. Toen ik indertijd de brieven aan Carmiggelt las in De Taal der Liefde vond ik het een even wonderlijk als aanbiddelijk gedoe: de oudere schrijver, met zijn twee jonge minnaars wonend in het rijtjeshuis van de moeder van één van de jongens. Moeder kookte, de Jongens waren creatief met Klei en de Schrijver torende daar hoog bovenuit door dat alles in een Eeuwig Licht te zetten.

Dat Tijger toen voorgoed van hem wegdreef, Woelrat hem uitzoog, Ma hem de strot uitkwam en hij zelf op fatale wijze op drift raakte, dat stond tot op heden nergens vermeld. Wat betreft het gezelschap dat Reve koos is Maas onwillekeurig genadeloos. Bij binnenkomst zijn Henk, Joseph, Ernst Jan, Vincent etc. ijverig, actief, handig, begaafd, geil, leuk, soepel, welgeschapen, huishoudelijk zeer kundig en als gegoten voor de blijvende rol die hij hun toedenkt. En toch komt er alleen maar ellende van. Als lezer weet je bij de zoveelste niet meer of dit vermogen om telkens opnieuw helemaal onderuit te gaan voor een jongen wijst op een uniek talent, of een pijnlijk gebrek.

Ik ervaar dat als een vervelende twijfel, die ik nooit had over Reve. Ik geloof niet dat voor elk schrijversleven geldt dat het verliest naarmate je het beter kent. Hoewel, weet u wat Beckett zijn Suzanne heeft aangedaan in hun latere jaren? En Wittgenstein die zijn leerlingen als driftige onderwijzer op het Oostenrijkse platteland veel te hard sloeg? Bij Proust misschien een paar rattelijkjes in de kast, maar voor het overige geen mensenverslinder. Carmiggelt? Die heeft Rubinstein voor haar rekening genomen. Oscar Wilde? Ach, Oscar Wilde. Elsschot? Daar staat ons nog heel wat te wachten vrees ik. Van Nescio weten we niks lijkt het. Overigens kan ik de aanhouders uit doorgaans zeer heldere bron melden dat deel III van Reve’s leven zo mogelijk nog treuriger wordt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden