Debuteren: op YouTube of op papier?

Gedichten op YouTube trekken meer aandacht dan publicatie in een literair tijdschrift. Is dat gedoemd te verdwijnen? Nee, de voorkeur voor papier blijft, ook bij jonge schrijvers.

Vorige maand debuteerden Marjolijn van Heemstra en Gilles van der Loo, de een met gedichten op YouTube, de ander met een verhaal in Tirade. De publicatie van Van Heemstra trok veel aandacht, niet alleen omdat dit het eerste poëziedebuut op YouTube was, maar ook omdat haar gedichten werden voorgedragen door een stoet aan bekende Nederlanders. Van der Loos eerste verhaal verscheen vrijwel geruisloos in een literair tijdschrift dat al meer dan een halve eeuw bestaat.

Je zou het modern versus klassiek debuteren kunnen noemen. De moderne debutant weet wat hij of zij wil. En dat is liever vandaag nog zijn boek in de schappen, dan morgen. Jasper Henderson, oud-redacteur bij onder andere uitgeverij Nieuw Amsterdam, zei daarover onlangs in De Groene Amsterdammer: „Een groot deel van de nieuwste lichting schrijvers is mondiger, weet precies wat er in de literaire wereld te koop is. Ze gaan gericht te werk om hun manuscript aan de man te brengen.”

Wie als beginnend schrijver opgemerkt wil worden, stuurt zijn werk liever niet naar een literair tijdschrift met een handjevol abonnees. Een jonge auteur met publicatiedrang wacht niet tot een redactie zijn schrijfsels heeft beoordeeld als hij met één druk op de knop zijn verhaal op een weblog kan plaatsen. Het tafereel uit onderstaand gedicht van Gerrit Komrij lijkt steeds meer tot het verleden te horen.

Toen het letterkundig tijdschrift

Hem een briefje toe deed komen,

Waarin stond: ‘Mijnheer, uw verzen

Waren lang niet slecht, we zullen

Er eerdaags een paar van plaatsen,’

Zwol zijn borst tot slagschiphoogte.

De literaire tijdschriften hebben hun rol als kweekvijver voor literair talent verloren. Het zijn duur uitgegeven bladen die niet met hun tijd mee zijn gegaan. En bovendien, ze zijn nauwelijks nog van elkaar te onderscheiden door het ontbreken van een eigen poëticale signatuur. Die kritiek klinkt al enige jaren, maar kwam afgelopen week opnieuw aan de orde tijdens het debat ’Tegen de barbaren’, in een volle Rode Hoed in Amsterdam. Daar spraken redacteuren van De Gids, De Revisor, Hollands Maandblad en Tirade, literair agent Paul Sebes en enkele literaire critici, over de toekomst van de gevestigde literaire tijdschriften. Hebben die nog bestaansrecht in een wereld die steeds digitaler en steeds multimedialer wordt?

Sebes maakt in zijn zoektocht naar talent handig gebruik van de moderne communicatietechnieken. Niet alleen schreef zijn agentschap een schrijfwedstrijd uit via Twitter, ook lanceerde hij een online literair tijdschrift voor jongeren, pulpfictie.nl.

Wie een verhaal instuurt heeft, mits de kwaliteit goed genoeg bevonden wordt, binnen een dag kans op publicatie op internet. Lezers kunnen met een duim omhoog of omlaag hun waardering aangeven. Jonge schrijvers weten hem te vinden. „We lezen alles wat binnenkomt. Scouten via de literaire tijdschriften doen we nauwelijks.”

Veel van de traditionele tijdschriften zijn inmiddels ook op internet te vinden. De meeste hebben een website die fungeert als etalage en archief. Er worden voorproefjes gegeven van het nieuwste nummer. De eerste pagina van het verhaal van Van der Loo bijvoorbeeld, kan op de website van Tirade gelezen worden. Ook inzenden hoeft niet meer in drievoud per post, maar kan bij de meeste tijdschriften inmiddels per e-mail.

Bij De Revisor is onlangs een nieuwe redactie aangetreden die vanaf het najaar serieuzere stappen op internet gaat zetten. Er komen vier nummers per jaar, waarvan twee in boekvorm en twee digitaal. Dichter en criticus Erik Lindner is een van de nieuwe redacteuren. Hij ziet wel mogelijkheden voor het tijdschrift. „Het is ook een vrijplaats, er is nog ruimte voor experiment. In de toekomstige internetversie van De Revisor kunnen we bijvoorbeeld heel goed combinaties van beeld en tekst publiceren. Op dat snijvlak gebeurt veel interessants.”

Toch is ’digitaal gaan’ alleen niet het antwoord op de tijdschriften in verdrukking. Lindner, die onder meer doceerde aan de opleiding Beeld en Taal van de Rietveld Academie, signaleert onder studenten ook een tegenovergestelde tendens.

„Jonge mensen komen niet naar zo’n schrijfopleiding om uiteindelijk hun verhaal of gedicht te bloggen. Ik merk bij leerlingen een enorm degout voor internetpublicaties.” Ester Naomi Perquin, dichter en redacteur van Tirade, signaleert die voorkeur voor papier ook: „Iemand die online gepubliceerd kan worden, zoekt liever even verder.”

Debutanten die hun werk straks naar De Revisor sturen, zullen waarschijnlijk eerst een plaats in het digitale tijdschrift krijgen. Lindner vindt het daarbij wel belangrijk om auteurs goed naar hun publicaties te begeleiden.

Dat ziet ook Bastiaan Bommeljé, enig redacteur van Hollands Maandblad, als de opdracht van de literaire tijdschriften. Beginnende auteurs staan nog altijd „massaal aan het hek te rammelen om gepubliceerd te worden”. Eva Maria Staal was er één van. Ze stuurde een verhaal toe aan Hollands Maandblad dat „net niet slecht genoeg was”. Toch zag Bommeljé haar talent en ging onder het motto „zonder wrijving geen glans” stevig met haar aan de slag. Het leidde uiteindelijk tot de geslaagde debuutroman ’Probeer het mortuarium’.

Een tijdschriftpublicatie kan een auteur een „stevig gefundeerd literair nest” bieden, zoals Eva Maria Staal het formuleert. Het plaatst je in een traditie en geeft een zeker kwaliteitskeurmerk dat ontbreekt bij publicatie op YouTube of een weblog.

Maar een nest vinden waar je je thuis voelt is lastig als alle – alleen in Nederland meer dan tien – tijdschriften op elkaar lijken. Er is nauwelijks nog een auteur te vinden die, zoals een jaar of twintig geleden, exclusief aan een blaadje verbonden is. Erik Lindner publiceert deze maand gedichten in liefst drie verschillende tijdschriften. Iedereen mag overal zijn zegje doen.

Bovendien vissen de literaire bladen allemaal in dezelfde Nederlandse vijver. Aandacht voor Nederlandse literatuur in een internationale context is er weinig, zeker sinds het roemruchte tijdschrift Raster vorig jaar ophield te bestaan.

Henk Pröpper, directeur van het Nederlands Letterenfonds dat subsidies aan de tijdschriften verstrekt, betreurt het verdwijnen van Raster. „Het tijdschrift bood een oog op de wereld en heeft belangrijke internationale schrijvers in Nederland geïntroduceerd. Als je je uitsluitend op de Nederlandse literatuur richt, wordt het allemaal erg provinciaals.”

Mede dankzij inspanningen van subsidiënten werd de portal literairetijdschriften.org geïnitieerd, die toegang biedt tot de websites van de meeste bladen. Maar willen de tijdschriften het langzame antwoord op literatuur in een snelle markt zijn, dan zullen ze zich sterker moeten profileren, of nog verder gaande vormen van samenwerking moeten zoeken. Met elkaar, met buitenliteraire organisaties.

En misschien vooral met de schrijfopleidingen, waar het talent van de toekomst begint.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden