Review

Debuten van deze herfst

Wat leverde het afgelopen seizoen op aan eerstelingen? Welke schrijvers debuteren veelbelovend, welke vielen tegen? Elma Drayer houdt er zes tegen het licht.

De zestienjarige Merel groeit op in een dorp bij Roosendaal. Haar moeder is weduwe, haar grote zus studeert ver weg in Utrecht. En het is alsof haar bestaan er voor niemand toe doet. Ze loopt een rol mis in het schooltoneel, vriendinnen ontglippen haar, ze wordt verliefd op een jongen die haar als een dweil behandelt. En langzaam dringt tot Merel door wat de koffiekopjes met wijnresten betekenen die ze thuis dagelijks op het aanrecht vindt.

Liesbeth Mende (1975) houdt het ingetogen in haar debuutroman 'Afhaalmeisje'. Geen weidse gebaren, geen doorlopend verhaal. In kale zinnetjes, korte scènes, met opmerkelijk goede dialogen - Mende begon als scenarioschrijver - ontvouwt zich een pubermeisjesleven in de provincie. Beklemmend.

Nadrukkelijk eigentijds wil Karin Amatmoekrim (1976) zijn, in 'Het knipperleven'. Narcistisch studentenmeisje uit Amsterdam ('Mannen zijn over het algemeen gek op mijn lichaam') zwelgt in het grotestadsleven vol drank, uitgaan en vreemdgaan. ,,De diepten van de geest zijn verheffend maar ook deprimerend. Als je het gevoel hebt te diep weg te zinken, neem je een flinke hap lucht uit het dagelijks leven.”

Tot ze hoort dat ze een dodelijke ziekte onder de leden heeft, en ze binnen enkele maanden zal sterven. Ineens beseft ze dat ze 'echt helemaal niets' heeft bijgedragen aan de wereld. ,,Ik laat hem achter zoals hij waarschijnlijk altijd al geweest is: snakkend naar hoop en verlichting en tegelijkertijd totaal onverschillig voor wat ook maar enigszins betekenis heeft.” Een roman lang - het geeft onmiskenbaar spanning - overweegt ze of ze het doodsbericht aan haar liefje, vrienden en ouders moet vertellen.

Amatmoekrim heeft de hedendaagse lucht en leegte aardig gevangen. Maar haar debuut lijdt onder onhandige zinnen, lelijke woorden, uitleggerigheid. Een strenge rode pen had haar daarvoor behoed. Hinderlijk is ook dat geen van de bijfiguren het platte vlak ontstijgen: alle heertjes lijken op elkaar, de medemeisjes ook, de ouders krijgen amper reliëf. Onvolkomenheden die minder eenvoudig met de rode pen te ondervangen zijn.

De hoofdpersoon uit 'Broer' van Laurens Abbink Spaink (1973) leidt een even nietsig bestaan als het meisje van Amatmoekrim, maar dan in Utrecht. De debutant is een verklaard bewonderaar van Ronald Giphart, en dat is te merken. Feesten, drank, dope, louche vrienden, vaag vriendinnetje - enfin, het vertrouwde recept. Geestig is de schets van de jeugd van de held, zoon van twee carrièremakers.

,,Mijn ouders informeerden naar me alsof ik een bedrijf was waarin ze aandelen hadden. Op een van die jaarvergaderingen zei ik dat ik naar een normale kutschool wilde.”

Zijn lethargie heeft veel van doen met een verloren gewaande broer, zo blijkt. Die laat per email ineens weer van zich horen. Energiek besluit hij naar hem op zoek te gaan in Barcelona, met in zijn bagage de xtc-pillen waarom zijn broer vroeg. De lezer ziet van verre aankomen waarop de queeste zal uitlopen, de hoofdpersoon moet tot de laatste pagina's wachten.

Abbink Spaink kan schrijven. En 'Broer' is geslaagd te noemen in zijn genre. Dat valt onmogelijk te beweren van 'De vrouw in de kamer', bundel van leeftijdgenoot Yorgos Dalman (1973). Aan pretenties geen gebrek, maar de absurdistische verhalen - over zwervers, gekken, Urkers - zijn van een verpletterende saaiheid.

Lichtjaren zitten er tussen deze beide debuten en het brave van Frank Dorst (jaargang onbekend). In 'Pesach in Praag' worstelt een domineeszoon met de dood van zijn vriendin en het steile geloof van zijn vader. Het leven is geen lolletje, begrijpt de lezer, en als je met een almachtige God bent opgevoed al helemáál niet. Dorst probeert literair te schrijven, zonder opsmuk en met onverwachte perspectiefwisselingen. Het helpt niet: de geur van de streekroman blijft hangen.

Oorspronkelijker is het debuut van beeldend kunstenaar Florette Dijkstra (1963). In 'De vrouw van verf' vult ze de hiaten op in het leven van hertogin De la Salle. Halverwege de jaren twintig stond zij in Parijs model voor artdecoschilder Tamara de Lempicka. Het schilderij siert het omslag: een geheimzinnige, broeierige vrouw met rode kersenmond, ravenzwart kapsel, mannenjas en rijlaarzen.

Met grote verbeeldingskracht schetst Dijkstra háár portret van Marika de la Salle. Van haar Griekse jeugd, haar ultrakorte huwelijk, haar Parijse tijd, tot aan haar laatste levensjaren als excentrieke dame in een bergdorp. De auteur kiest, heel effectief, telkens een ander perspectief. De hertogin - ze was zo zwijgzaam dat mensen haar 'een ongekende intelligentie' toedichtten - komt langzaam uit de verf. En ook de bijfiguren mogen er zijn: de gouvernante, de toegewijde secretaris, de ziekelijke dochter die zichzelf opoffert voor haar tirannieke moeder.

Dijkstra's stijl is niet altijd even soepel. Ze vertelt haar verhaal wat plechtstatig, en bijna zonder dialoog. Neemt niet weg dat deze historische roman haasseaanse allure bezit. En dat is, na alle eigentijdse middelmaat, een niet-geringe verademing.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden