Debat over Hillen verengd tot schuld en publieke boete

Het staatsbezoek dat de Japanse keizer Akihito elf jaar geleden aan Nederland bracht, draaide van begin tot eind om de vraag of hij voldoende spijt zou betuigen voor het oorlogsleed dat zijn leger tussen 1941 en 1945 in de Oost had aangericht. Zelfs de duur en de diepte van de keizerlijke buiging voor het monument op de Dam werden onderwerp van publieke discussie. Een van de ochtendbladen meldde op gezag van Japankenners dat de keizer vijf graden dieper had gebogen dan gebruikelijk bij zulke ceremonieën.

Een vergelijkbaar vertoon van absurditeit begeleidde deze week het Kamerdebat over de mislukte evacuatie van een Nederlandse ingenieur uit Libië. In de beeldvorming van het debat was dat overigens niet meer dan de aanleiding. Waar het echt om ging, was het politieke lot van minister van defensie Hans Hillen. Dat hing niet zozeer af van een beoordeling van de feiten en het optreden van de regering, als wel van de houding van de bewindsman. 'Het komt erop aan dat hij meebeweegt met de Kamer', legde voormalig spindoctor Jack de Vries uit in 'De wereld draait door', toen het debat net was begonnen.

Een uur later voegde de lichaamstaaldeskundige die de tv-rubriek 'Uitgesproken EO' had uitgenodigd daaraan toe: 'Hij maakt een gelaten indruk'. De expert leidde dat af uit de entree van de minister in de Kamer. 'De andere ministers maken een praatje en lachen naar de fotografen. Dat wekt de indruk: we hebben niets te vrezen. Hillen doet dat niet. Hij is al bijna verslagen'.

Veel later op de avond, toen de minister zijn verdediging had gevoerd, meldde SP-fractieleider Roemer in 'Pauw & Witteman': "De minister oogde heel erg nerveus. Hij heeft wel excuses gemaakt, maar schuift de schuld ook naar anderen."

Vervolgens ging het ook daar weer over de houding van de minister. Politiek commentator Bessems van De Pers: 'Hij moet zich deemoedig en zelfkritisch tonen. De inzet van het debat is dat hij spijt betuigt. Dat moet er ook pijnlijk uitzien'. Niet alleen de houding van de minister deed ertoe, ook diens karakter. Voetbaldeskundige Derksen wist te melden dat het volk Hillen een arrogante vlerk vindt. 'Die arrogantie van hem wekt irritatie', meldde de lichaamstaalexpert al eerder.

Zo werd een kwestie van publieke verantwoording van een minister tegenover het parlement teruggebracht tot een hapklare soap, waarvan de plot was of de man met het slechte karakter en de arrogante houding al dan niet zijn trekken thuis zou krijgen. Veel kijkers zullen er de volgende dag van hebben opgekeken dat de minister er nog altijd zat. Zij kregen dan ook niet mee dat het afleggen van publieke verantwoording door een minister één ding is en het stellen van de vertrouwensvraag een ander.

Het antwoord op die vraag is een politieke kwestie, die nauw samenhangt met de machtsverhoudingen van het moment. Het inhoud geven aan de ministeriële verantwoordelijkheid is, zoals toenmalig premier Lubbers in de jaren tachtig zei, het hart van ons parlementaire stelsel. Daarbij past het ministers, als dienaren van het volk, dat zij de volksvertegenwoordiging juist en volledig informeren en eventuele fouten of tekortkomingen erkennen. Pas dan functioneert het stelsel en kunnen er omwille van het algemeen belang lessen worden getrokken.

In die zin mag van ministers een democratische houding worden verwacht. Maar dat had de lichaamstaalexpert niet voor ogen, toen hij de aandachtig knikkende Andries Knevel erop wees dat minister Hillen de laatste dagen iets voorovergebogen liep en zich zelfs lichamelijk afwendde van een journalist die hem een vraag stelde.

Misschien is het iets te veel gevraagd in kwesties als deze de minister als ambtsbekleder te onderscheiden van de persoon, maar het zou in het hijgerige mediaklimaat wel wat lucht en ruimte voor relativering geven. Zo gaat het hier steeds om risico- en niet om schuldaansprakelijkheid (in dat geval zou niet de Kamer, maar de Hoge Raad eraan te pas komen).

De verenging van de ministeriële verantwoordelijkheid tot een persoonlijke schuldvraag die om de zwaarste politieke afrekening vraagt, is niet alleen de media aan te rekenen. In de vorige regeerperiode maakte premier Balkenende er geen geheim van dat hij de kritiek van de onderzoekscommissie-Davids op de politieke steun van zijn eerste kabinet aan de Irakoorlog als een persoonlijke krenking beschouwde. Had hij niet naar eer en geweten gehandeld en een zuivere en integere afweging gemaakt?

Dat was helemaal niet het punt van Davids. Zijn commissie bekritiseerde de besluitvorming op een aantal onderdelen en constateerde lacunes in de informatie aan het parlement. Bovendien voerde zij verzachtende omstandigheden aan en deelde zij ook een flinke muilpeer aan de Kamer uit.

Door geen onderscheid te maken tussen functie en persoon, heden en verleden stond de premier zelf, nota bene zeven jaar na dato, een objectieve beoordeling van de geschiedenis in weg. Belast met zijn aangetaste ponteneur was het debat met de Kamer broeierig en beladen en geen voorbeeld van hoe het parlementaire stelsel goed functioneert.

Misschien nog wel ernstiger was dat hij de ministeriële plicht tot publieke verantwoording voorstelde als een blijk van zijn goedgunstigheid en persoonlijke moed ('Ik loop daar niet voor weg'). Zo is het niet. De ministeriële verantwoordelijkheid is noch een uitlaatklep voor gekwetste trots noch een kwestie van persoonlijke schuld en boete.

In het debat over Hillen verschoof het accent vervaarlijk van publieke verantwoording naar publieke boetedoening, met als hamvraag hoe diep de minister door het stof zou moeten gaan. Dat heeft meer weg van primitieve wraakzucht dan van democratische controle.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden