’Death in Venice’ in Brussel is helder en verontrustend mooi

’We moeten allemaal verliezen, ook dat waarvan we het meest menen te genieten’. Het is een van de laatste regels uit het geweldige libretto dat Myfanwy Piper voor Benjamin Brittens laatste opera ’Death in Venice’ (1973) maakte.

De zin wordt gezongen door de manager van het vermaarde Hotel des Bains op het Venetiaanse Lido. Even daarvoor zong hij: ’Wie komt en gaat, is mijn zaak’.

Deze hotelmanager staat natuurlijk voor Hades, de god van de onderwereld. En de oude gondelier die de schrijver Gustav von Aschenbach naar het hotel puntert is Charon, de veerman die de doden tegen betaling over de Styx zet. Britten laat hotelmanager en gondelier door dezelfde bariton zingen en bedeelt hem met nog vijf rollen. Britten creëert op die manier een alom aanwezige Mefisto-figuur.

De hotelmanager zingt de eerste regels tot Von Aschenbach en het is duidelijk dat de schrijver afscheid moet nemen van zijn ideaalbeeld van schoonheid, de Poolse jongen Tadzio. Afscheid moet hij ook nemen van zijn eigen leven, want in de lagunestad met de bijnaam ’La Serenissima’, toppunt van schoonheid, heeft Von Aschenbach cholera opgelopen.

In het werkelijk aangrijpende en poëtische slotbeeld dat Deborah Warner samen met haar team voor de Munt-productie bedacht, sterft Von Aschenbach verkrampt in zijn strandstoel terwijl achter hem Tadzio (een rol voor een danser) tegen de ondergaande zon op blote voeten de zee inloopt.

De opera van Britten en Piper, gebaseerd op de gelijknamige novelle van Thomas Mann zit boordevol symboliek en bespiegelingen over schoonheid, creativiteit, wijsheid, zinnelijkheid en passie. Ondanks die ’grote filosofische waarden’ blijft het een theatrale vertelling en het is Warners verdienste dat ze die vertelling in prachtige beelden en heldere structuren weet te vangen. De vele snelle scènewisselingen worden met soepele meesterhand gerealiseerd en het is mooi om te zien hoe de lelijke pestepidemie langzaam de schone beelden binnenwoekert.

Paul Daniel leidt het uitgedunde Munt-orkest met sfeer en ritmische precisie door de partituur. De gamelan-achtige klanken spetteren en sprankelen de bak uit als zonweerkaatsingen op het Venetiaanse water. In de grote scènes houdt Daniel de boel meesterlijk bij elkaar. Maar ondanks die scènes is Brittens opera toch vooral een grote monoloog voor Von Aschenbach.

John Graham-Hall zingt en acteert die rol met zeldzame klasse. Hij werd aan het eind toegejuicht door het Brusselse publiek dat de zieke stertenor Ian Bostridge geen moment gemist had. Andrew Shore is al even subliem in de vele baritonrollen waarin hij als een kameleon van stem en type verandert. Leon Cooke (Tadzio) en zijn dansende collega’s passen perfect in het sfeervolle plaatje dat deze productie tot een topvoorstelling maakt. Benieuwd wat daar concertant in het Concertgebouw (3 februari) van overblijft.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden