De zwarte Voltaire

Jaffe Vink vindt het ’bijzonder wrang om vast te stellen dat Ayaan Hirsi Ali – voor wie Nederland het land is dat zij liefheeft – moet vertrekken’. Aan haar opvattingen kan het niet liggen, want die zijn ’heel gewoon, bijna huiselijk’. Nee, het ligt aan de islam die ’twee grote problemen kent: de positie van de afvallige en de voorstelling van het paradijs’.

Alles is zo gewoon. We kijken naar het kamerdebat op de televisie, dinsdagavond in klein gezelschap. Ze heeft haar zwarte pumps uitgeschopt. Blote voeten. Roodgelakte teennagels. Drie, vier dagen geleden gelakt, schat ik. Vanochtend geen tijd gehad om ze opnieuw te lakken. Misschien morgen of overmorgen. Even rustig zitten met dat kleine magische flesje van Chanel en dat millimeterige kwastje. We hebben het er nu niet over gehad: over het belang van pumps en roodgelakte teennagels.

Om twee uur in de nacht vertrek ik. De tweede termijn van het debat is afgelopen, er komt nog een derde termijn. Maar ik verwacht niet dat de minister valt, ze zal aan het eind mompelend en hakkelend iets toegeven, en ik moet nog met de nachttrein naar huis, want mijn auto staat in een parkeergarage die zijn deuren om elf uur ’s avonds sluit.

En dan verandert alles wat zo gewoon is – televisie kijken, wijn inschenken, commentaar leveren, boos worden en lachen – want ik kan hier niet zomaar een taxi bellen, die en die straat, nummer zoveel. Nee, dat kan niet. Ik wandel vier straten verder, links, rechts, rechts, links, en bel dan een taxi, staand voor een ander huis in een andere straat, nummer 31, het huis is donker, bij nummer 33 is het licht nog aan, daar kijkt men nog naar het debat, of wellicht heerst er een andere werkelijkheid en zit daar een eenzame, gescheiden vrouw die de slaap niet kan vatten, te kijken naar een Franse B-film. ’Ja, ik wil graag een taxi. Huisnummer 33.’ Tien minuten later rijden we door verlaten Haagse straten naar het desolate Centraal Station. Er is één loket open: enkele reis Amsterdam. De trein staat te wachten. We rijden door de Hollandse nacht met een tiental passagiers in de coupé, hangend en slapend, en de onvermijdelijke, luidruchtige dronkelappen. Het kamerdebat is nog gaande, maar lijkt al mijlenver weg, en de persconferentie van de vrouw met de zwarte pumps – ’ik ben Ayaan, dochter van Hirsi, die de zoon is van Magan’ – die persconferentie met zijn honderden journalisten, cameraploegen en zijn duizendvoudige flitslampen, lijkt lichtjaren heen in deze donkere nacht.

In New York is het nu negen uur in de avond. Misschien zit de journalist van The New York Times, die ik vanmiddag sprak, nog te schrijven aan haar artikel over dit verwarde land. ’Hoe moet ik dit uitleggen? Hoe moet ik dit duidelijk maken?’ vroeg ze met een lichte wanhoop. En bij The Wall Street Journal, die vandaag schreef over ’de Hollandse ziekte’ ligt al het artikel klaar dat morgen verschijnt, twee pagina’s groot, over The girl next door, met een foto op de voorpagina van de vrouw, die nu ergens in Den Haag naar de staart van het debat zit te kijken in het appartement dat daar beschreven wordt: ’Ze woont in een appartement met kogelvrij glas, en wordt naar haar werk in het Nederlandse parlement gereden door gewapende bodyguards, die steeds een andere route nemen om mogelijke aanslagplegers te misleiden.’

De opvattingen van Ayaan Hirsi Ali zijn heel gewoon, bijna huiselijk. Ze bepleit de vrijheid van het individu, de gelijkheid van man en vrouw, de emancipatie van allochtone vrouwen en met name ook van moslimvrouwen. Daar valt geen kantoorklerk van achterover, maar de wereldwijde moslimgemeenschap wel.

Laten we eens kijken naar wat ze over de profeet Mohammed heeft gezegd, in het bekende interview met Arjan Visser over de Tien Geboden (Trouw, 25-1-2003): ’’Hij werd verliefd op Aisha, de negenjarige dochter van zijn beste vriend. Haar vader zei: ’Wacht alsjeblieft tot ze de puberteit heeft bereikt’, maar Mohammed wilde zo lang niet wachten. Dus wat gebeurt er? Hij krijgt van Allah de boodschap door dat Aisha zich moet klaarmaken voor Mohammed. Dat is kennelijk de leer van Mohammed: het is geoorloofd om het kind van je beste vriend af te pakken. Mohammed is, gemeten naar onze westerse maatstaven, een perverse man. Een tiran.’’

Dat is allemaal niet erg keurig van Mohammed. Had hij niet moeten doen. Hij geeft niet het goede voorbeeld. Hierbij vergeleken lijkt Nabokov met zijn Lolita een softie.

Mogen we – ’gemeten naar onze westerse maatstaven’ – een oordeel hebben over de liefdesperikelen van de profeet? Mogen we hem in dit geval ’pervers’ noemen? Wat is hier in hemelsnaam mis mee? Dit is toch een uiterst brave – je zou bijna zeggen: politiek correcte – opvatting. Alle streetcornerworkers, buurtregisseurs en gezinsopvoeders kunnen dit in koor meezingen.

Wat doet de interviewer, die geen vreemdeling is in de literatuur: hij schrikt. Niet van de escapade van Mohammed, maar van de typering van Hirsi Ali. „Jij schrikt ervan als ik die dingen zeg, maar je maakt een fout die de meeste autochtone Nederlanders maken: je vergeet waar ik vandaan kom. Ik ben moslim geweest, ik weet waar ik over praat. Ik vind het verschrikkelijk dat ik, levend in een democratisch land, waar het recht op vrije meningsuiting ons grootste goed is, nog altijd te maken heb met de postume chantage van de profeet Mohammed.’’

Vul een andere naam in en er openbaart zich een wereld van verschil: „Jezus werd verliefd op Aisha, de negenjarige dochter van zijn beste vriend. Haar vader zei: ’Wacht alsjeblieft tot ze de puberteit heeft bereikt’, maar Jezus wilde zo lang niet wachten. Dus wat gebeurt er? Hij krijgt van God de boodschap door dat Aisha zich moet klaarmaken voor Jezus.’’

Veertien dagen na de moord op Theo van Gogh beschreef de socioloog Ruud Koopmans in de Volkskrant een droom: „Gisteren droomde ik dat de profeet Mohammed, geprezen zij zijn naam, aan mij verscheen in de gedaante van een muisgrijze ezel. We kwamen gelijk ter zake en ik nam hem drie keer achter elkaar langdurig van achteren.’’

Dat is geen kattenpis, zullen we maar zeggen, maar er heeft voorzover ik weet geen haan naar gekraaid. Hoe komt dat? De Volkskrant is een veelgelezen krant, ook in kringen van ’Nova’ en ’Zembla’, maar nergens viel een gekrenkte moslim te bespeuren. Zelfs de lorrige amateur-historicus Geert Mak, die in die beruchte novembermaand alle krantenstukjes uitknipte, begon geen ach en wee te roepen.

Hoe komt het dat als Hirsi Ali een oordeel over de profeet geeft, dat past bij eigentijdse opvattingen over een zindelijk liefdesleven, er een storm opsteekt, en dat als Ruud Koopmans een droom heeft, waarin hij de profeet, in de gedaante van een muisgrijze ezel, drie keer achter elkaar langdurig van achteren neemt, en daarvan verslag doet in de Volkskrant, er geen enkele reactie komt?

De reden zal toch niet zijn dat Koopmans eerst de profeet beledigt en in de volgende alinea schrijft dat het niet zijn bedoeling is de profeet te beledigen: „Wie anno 2004 de profeet der moslims op een dergelijke provocerende manier met bestialiteit en homoseksualiteit in verband brengt, is zijn leven niet zeker. Mijn leven is mij lief, dus haast ik me te benadrukken dat het niet mijn bedoeling is moslims te kwetsen of de profeet te beledigen.’’

Christenen, agnosten, atheïsten, ietsisten en andere vreemde kostgangers van onze God – althans een deel van hen – zullen de droom van Koopmans hebben herkend als een parafrase van een passage uit Nader tot U van Gerard Reve. Ik wil ook absoluut niemand beledigen, maar ik kan me voorstellen dat niet alle moslims dit literaire werk uit 1966 van onze homoseksuele volksschrijver paraat hebben. Hun zou ik aanraden dit boek eens ter hand te nemen en er af en toe uit te reciteren, desnoods vanaf de minaret van de Westermoskee. Ook is het de moeite waard het artikel van Koopmans te lezen. Hij beschrijft daarin namelijk hoe de Hollandse goegemeente op dit prachtwerk van Reve reageerde.

„Christelijk Nederland was in alle staten. De SGP stelde kamervragen en christelijke organisaties spanden rechtszaken aan, tot de Hoge Raad aan toe, die de blasfemist Reve alle won. Maar: Reve is niet met de dood bedreigd door opgefokte Staphorster jongeren of gekielhaald door Urker vissers. Reve was geen geïsoleerd geval. In dat tijdperk, lang voordat Mohammed B. en zijn kornuiten geboren werden, was het beledigen en provoceren van het christelijk geloof een populair tijdverdrijf onder journalisten, kunstenaars en televisiemakers.’’

(De hoofdredactie van NRC Handelsblad was al lang weer vergeten dat beledigen en provoceren ook onder journalisten populair was – tenminste als je dat maar deed tegen christenen – want in haar commentaar van afgelopen woensdag weet zij fijntjes op te merken dat Hirsi Ali’s ’tot in het uiterste doorgevoerde strijd voor de vrijheid van meningsuiting leidde tot de verdediging van een recht om te beledigen; een stap te ver’.)

Koopmans beschrijft ontroerend de reactie van zijn ouders, die indertijd ter kerke gingen bij de pinkstergemeente en zich groen en geel ergerden aan al dat gevloek en godsgelaster. „Maar wat deden ze: ze zongen met de leden van hun gemeente op het Centraal Station psalmen voor de zondaars en stonden te folderen bij ’duivelse’ popfestivals.’’

Hij eindigt zijn artikel met enkele zinnen die ik graag onderstreep: „Er is geen land in Europa waar moslims meer vrijheid hebben om hun godsdienst te beleven en eigen instituties als scholen op te richten dan in Nederland. Wie die vrijheid wil blijven genieten, moet accepteren dat waar veel kan, weinig heilig is. Wie dat niet kan of wil accepteren, staat het vrij te vertrekken naar een religieuze heilstaat naar keuze. Maar wij – christenen, moslims, joden, atheïsten of wat dan ook – voor wie Nederland het land is dat wij liefhebben, hebben geen andere plek om naartoe te gaan.’’

Het is bijzonder wrang om vast te stellen dat Ayaan Hirsi Ali – voor wie Nederland het land is dat zij liefheeft – moet vertrekken. Er is gelukkig nog een andere plek: Amerika. En er zullen er straks meer komen die zich gedwongen voelen haar voorbeeld te volgen.

De socioloog J.A.A. van Doorn, die er zijn hobby van heeft gemaakt om moslims te ontzien en die er altijd als de kippen bij is om elke uitspraak van Hirsi Ali in de grond te boren, deze socioloog heeft eens een zin geschreven die de grondslag toont van zijn gedachten over de islam. Deze zin: ’De islam ligt als een rotsblok in ons vlakke religieuze landschap. Wie erop bijten wil, bijt op graniet.’ (Trouw, 1-2-2003)

Het is een keiharde zin. Hier is ook geen spoor van de postmoderne labbekak die stelt dat ’de’ islam niet bestaat. Deze zin van Van Doorn getuigt van een ongekende somberheid over de mogelijkheden van integratie, laat staan van zoiets suffigs als een dialoog. Van Doorn is tien keer zwartgalliger dan alle islamcritici bij elkaar. Het verraderlijke is alleen dat hij week in week uit probeert de betekenis van deze zin uit te wissen en langzamerhand zelf de gestalte heeft aangenomen van de vleesgeworden dhimmitude: hij schikt zich in zijn lot en onderwerpt zich als een echte dhimmi aan de wetten van het rotsblok. In zijn commentaar op het WRR-rapport over de islam blijkt hoe dat uitpakt: „Hoewel ik aan het tomeloze gekakel van onze zelfbenoemde islamkenners nooit enige waarde had gehecht, ontdekte ik nu pas de buitengewoon gedifferentieerde werkelijkheid die ter zake van het rechtsbestel in moslimlanden bestaat. Zo blijkt zonneklaar dat van ’de’ sjaria geen sprake is.’’ (Trouw, 27-4-2006)

Het is Afshin Ellian geweest – ongetwijfeld een van ’onze zelfbenoemde islamkenners’ – die dit soort genuanceerd gepruil al eens naar het rijk der fabelen heeft verwezen: ’’Dat ’de’ sjaria niet zou bestaan, kun je wel in Europa beweren, maar niet in Teheran. Dan moet je rennen voor je leven.’’

In hetzelfde artikel waarin Van Doorn zijn slagzin schrijft – ’De islam ligt als een rotsblok in ons vlakke religieuze landschap. Wie erop bijten wil, bijt op graniet.’ – komt Hirsi Ali natuurlijk ook ter sprake en ’onze zelfbenoemde islamkenners’ zijn nu veranderd in ’naïeve supporters’: ’Anders dan Hirsi Ali en haar naïeve supporters menen, is er geen sprake van dat de islam binnen afzienbare tijd ingrijpend zal veranderen.’ En toch moet de islam veranderen, of ze dat nu wil of niet.

Toen Hirsi Ali in januari 2005 in Nederland terugkeerde na een onderduikperiode van tweeënhalve maand, zei ze dat ’in een open samenleving alleen plaats is voor religies die in vrijheid worden beleden’. Bij onze gekoesterde godsdienstvrijheid hoort ook de vrijheid van godsdienstkritiek en ook de vrijheid om een godsdienst de rug toe te keren.

Dat laatste punt is belangrijk. De islam kent twee grote problemen die opgelost moeten worden: het eerste is de positie van de afvallige, het tweede is de voorstelling van het paradijs.

Een moslim die zich niet meer kan vinden in de islam en atheïst wordt of christen of een doodgewone humanist, iemand die de islam de rug toekeert, moet – volgens de regels van het islamitische spel – worden gedood.

Het eerste wat de moslimgemeenschap nu moet doen is deze idiotie uit haar godsdienst wegsnijden, en wel zo snel mogelijk. Hoe kan een godsdienst respect verwachten, die zo met zijn afvalligen omgaat? Ik daag de imams uit hierover te preken, ik daag ze uit hierover te schrijven.

Eerder stelde ik de vraag hoe het kwam dat de uitspraken van Hirsi Ali over de profeet zoveel rumoer veroorzaakten en de uitspraken van Koopmans geen ene rimpeling. Dat komt doordat ze een afvallige moslim is. Haar leven was anders gelopen als de moslimgemeenschap in staat was geweest tot enige forse zelfkritiek.

Het tweede probleem is het paradijs. Wat wordt er bedoeld met dat gehunker naar het paradijs waar de zeventig maagden op de martelaren wachten? Het lijkt me toch een heel gezwoeg om die zeventig maagden af te werken. En kijkt Allah toe bij deze islamitische pornoshow?

Het lijkt me dat de imams hier een schone taak wacht: zo gaan we niet met vrouwen om. Daar, in dat paradijs, zit iets scheef. Er is niets mis met enig geloof in paradijs of hiernamaals, hoewel ik daar zelf wat minder zeker van ben, en ik gun iedereen zijn spotgoedkope lustfantasietjes, maar het zou ook goed zijn als de moslimmannen – ja, ja, ook de christenmannen en de humanistische heertjes, maar die komen volgende keer aan de beurt – als de moslimmannen enige aandacht besteden aan die lastige strijd met het driftleven hier op aarde. Dat zou de verhouding van mannen en vrouwen ten goede kunnen komen.

Dat beeld van het paradijs moet worden gekritiseerd, beste imams. Dat wordt een hele klus, maar begin er vandaag nog aan, want het is echt nodig. Ik denk dat Mohammed B., nadat hij Theo van Gogh in de Linnaeusstraat met kogels had doorzeefd, zijn keel had doorgezaagd en de brief aan Ayaan Hirsi Ali met een mes in zijn borst had gestoken – dit allemaal vlakbij de Van Domselaerstraat waar hij werd geboren en tot zijn zevende opgroeide, waar de voetstappen liggen van het jongetje dat hij ooit was, het jongetje dat in het Oosterpark ging spelen, datzelfde Oosterpark waar hij na zijn daad rustig naartoe wandelde, de dood tegemoet, de martelaarsdood – het paradijs voor zich zag, dat kan niet anders, het paradijs dat hem was beloofd volgens zijn geloof. Beste imams, kritiseer dat beeld van het paradijs, kritiseer de dood van de martelaar, in naam van het leven dat heilig is. Vier het leven, imams. Leer dat uw kinderen. Vier het leven. En zeg tegen uw kinderen dat Ayaan Hirsi Ali ook gewoon mag leven. Gun haar het leven. Zeg dat tegen uw kinderen. Zeg dat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden