De zoveelste aanval in Z-Libanon

BAR ELIAS (Bekaa-vallei) - Terwijl de duisternis valt, kijken dokters en verpleegsters in stilte toe hoe in het Palestijnse ziekenhuis Bar Elias vier houten doodskisten in een schamel busje worden geladen. De kisten passen er niet helemaal in, dus de deuren worden met een touw vastgebonden.

De doden zijn het slachtoffer van de zoveelste aanval die de Israëlische luchtmacht deze week uitvoerde in het zuiden van Libanon. Het zijn Palestijnen uit Syrische kampen, die hier in Bar Elias trainden. In een ziekenhuis even verderop worden nog zes doden ingeladen. Het is een bizar iets, en je kunt de omstanders bijna hardop horen denken: Terwijl 150 kilometer verderop feest wordt gevierd wegens het vijftig-jarige bestaan van een staat, eindigen hier 20-jarige jongens in een kist vanwegen datzelfde land, dat ze nooit hebben gezien.

De meeste gewonden hebben het zienkenhuis al verlaten. Er is nog één jongen over, Salim (23), die op het punt staat te vertrekken. Waarheen wil hij niet zeggen. “Gewoon, naar huis.” Hij is gewond aan beide armen.

Het is moeilijk om informatie te krijgen over wat er nu precies is gebeurd, iedereen is achterdochtig. "We slapen, ik word wakker vanwege een fluitend geluid, een bom slaat in, ik word drie meter van mijn bed geslingerd, een tweede bom slaat in, bomen om mij heen beginnen neer te vallen, en ik word wakker in het ziekenhuis”, is alles wat zegt. Hoeveel jongens er sliepen, en wat ze er deden, wil hij niet kwijt. “Het was een trainingskamp voor medisch personeel.”

Het Palestijnese kamp was niet een echt kamp. Enkel een stenen huisje en een vijftal grote padvinderstenten. Het ging om een administratieve post, zegt de woordvoerder van de Fatah Uprising, een radicale groepering die zich verzet tegen het vredesproces en tegen Jasser Arafat. Omwonenden zeggen dat het om meer ging dan alleen dat. Er werd ook aan militaire trainig gedaan, want ze hoorden wel eens schoten.

Volgens de Nederlandse pater Brouwers, die op nog geen kilometer afstand van het kampje woonde, viel het allemaal wel mee. De post bevindt zich namelijk op het terrein van het Tanajel-klooster, waar de jezuïetenpater al vele tientallen jaren woont. Pater Brouwers, die het agrarische convent leidt (er wordt voornamelijk kaas en melk geproduceerd) was bekend met de Palestijnen.

“Het was eigenlijk een huis waar permanent zo'n vier à vijf Palestijnen woonden, en elk jaar werd in het veld daarnaast een trainingskamp georganiseerd voor Palestijnese jongeren.” Volgens de pater ging het voornamelijk om lichamelijke oefening. “Rennen en opdrukken enzo. Ze hadden geen wapens. Misschien een paar om te leren hoe het werkt, maar er was geen schietbaan bij.”

Het kampje werd elk voorjaar opgezet en in het najaar weer afgebroken, al achttien jaar lang. Het klooster had nooit toestemming gegeven aan de Palestijnen voor de tenten op haar terrein, maar in een streek waar de Syriërs het voor het zeggen hebben is toestemming niet altijd nodig. De geestelijke dacht aanvankelijk dat het om een aardbeving ging. “Er was weinig lawaai, maar alles stond te schudden hier”, vertelt hij in het gebouw naast de kerk van het convent. “Veel glasschade, meer niet. En het duurt even voordat je weet waar de bommen zijn gevallen.”

Vanaf de kerk zo'n achthonderd meter het land in, tussen de wijnstruiken en een veld met tarwe (nu half omgeploegd door de inslagen) ligt de post. Langs een stroompje, onder de inmiddels kaalgeslagen populieren, stonden de vijf tenten. Nu is er nog een halve over. De rest is in stukken gescheurd door de rondvliegende scherven messcherp metaal van de negen bommen die vlak voor de tenten zijn ingeslagen. En met de tenten, ook de ruim dertig Palestijnese jongeren die erin sliepen.

In de chaos van de avond ervoor, toen in het donker en over de afgebroken boomstammen heen de gewonden en doden naar het zandpad ernaast werden gedragen, is alle troep blijven liggen. Matrassen en stukken bebloede dekens, wat bestek, een schriftje met aantekeningen en een stapel borden.

Het merendeel van de jongeren was amper 19 jaar. Het waren dan ook nog geen echte strijders, maar Palestijnse jongeren uit verschillende kampen in de regio, Libanon en Syrië, die hier waarschijnlijk de eerste beginselen van de strijd kregen bijgebracht. Er is geen enkel spoor van wapens in het kamp, zelfs geen leeg munitiekistje, of lege hulzen.

Over het motief van de aanval weet niemands iets zinnigs te melden. “Motief? Is er dan een motief nodig”, zegt een dokter in het Palestijnse ziekenhuis. Pater Brouwers kan er ook niets over zeggen. Hij heeft andere dingen aan zijn hoofd. Hij moet de mis opdragen in het dorp verderop, en zijn 150 Hollstein-koeien zijn behoorlijk onrustig. Van eerdere bombardementen weet hij dat de melkproductie kan teruglopen tot een kwart.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden