De zonnebloem: meer dan een gele pierlala

(JÿRGEN CARIS, TROUW) Beeld
(JÿRGEN CARIS, TROUW)

Niet alle zonnebloemen zijn lange lijzen met een grote gele bloem. Er zijn ook kleintjes met witte of rode bloemen, al of niet gevuld.

Planten zijn even gevarieerd als mensen. Ze zijn mooi of lelijk, gezond of ziek, rechtlijnig of met alle winden meewaaiend. Er zijn er die anderen hun wil opleggen – bij planten heet dat woekeren, bij mensen de baas spelen. Sommige zijn zeer aanwezig, maar je hebt ook onderkruipsels waar je glad overheen kijkt. De een is mateloos populair, de ander heeft zo’n slechte reputatie dat je hem niet in de buurt wilt hebben. En zo kan ik nog wel even doorgaan.

Behalve dergelijke uitgesproken types heb je ook planten waar geen eenduidig etiket op te plakken valt. Grappig zijn ze maar lelijk, nuttig maar kwetsbaar, eetbaar maar onhandelbaar. Best aardig, maar wat moet je er mee?

De zonnebloem (Helianthus) is er zo een. Een lange pierlala met mooie bloemen die helaas te hoog hangen. Op ooghoogte is niet veel meer te zien dan een kale stengel met lelijke bladeren. Zodra het een beetje waait valt hij om, en je hebt er echte woekeraars tussen zitten.

Dit rijtje minpunten is waarschijnlijk de reden dat er in onze tuinen bijna geen zonnebloemen staan. Dat is trouwens niet altijd zo geweest. Toen de Spanjaarden de snelgroeiende bloem in de zestiende eeuw vanuit Noord- en Zuid-Amerika naar Europa meenamen, wilde iedereen hem hebben. Niet zozeer om in een vaas te zetten, alswel om te eten. Want alles aan de zonnebloem, van de zaden tot aan de wortels, bleek bewerkt te kunnen worden tot voedsel of medicijn. En dat was, in een tijd dat er nog geen supermarkt en farmaceutische industrie bestond, een groot pluspunt.

Maar gelukkig zitten kwekers niet stil. Doorlopend zijn ze op zoek naar manieren om planten te vervolmaken. Zijn die te lang, dan kruisen ze net zo lang tot ze een stuk korter zijn. Simpele bloemen veranderen ze in gevulde, knalgele bloemen in oranje of roodbruine, bezemstelen in takkenbossen. En daarom zijn er tegenwoordig zonnebloemen van vier meter maar ook van 40 centimeter, en alle maten daar tussenin. Met of zonder vertakte stelen. Met enkele of gevulde bloemen, in kleuren die oplopen van roomwit via geel, oranje, oranjerood en rood naar bruin.

De meeste zonnebloemen zijn eenjarig (Helianthus annuus). Maar er zijn ook vaste soorten die ieder jaar terugkomen. Wees daar wel voorzichtig mee, want er zitten woekeraars tussen. Wil je niet dat je tuin op een Zuid-Frans zonnebloemveld gaat lijken, laat dan in elk geval de H. atrorubens links liggen.

Met zonnebloemen kun je alle kanten op. De kleintjes kunnen in eenpot op het terras of op het balkon. De iets grotere soorten, die niet hoger worden dan anderhalve meter, zijn geschikt om er een tijdelijke haag van te maken. En de allergrootste, met achternamen als ’Giganteus’ en ’Giant’, zijn leuk voor kinderen omdat ze de plant kunnen zien groeien. Wat de bloemen extra fascinerend maakt, is dat ze in de richting van de zon draaien. Al klopt dit niet helemaal: ze draaien namelijk niet zozeer naar de zon als wel naar het licht. Zet je ze bij een hagelwitte muur, dan gaan ze die muur bestuderen.

Het lijkt alsof de zonnebloem bestaat uit één grote bloem, maar dat is niet zo. De gekleurde bloembladeren zijn steriele lintbloemen, die daar alleen maar zitten om insecten te lokken. De echte bloemen zitten in het donkere hart van de zonnebloem. Nadat die bevrucht zijn, vormen ze stuk voor stuk een zaadje. Geen wonder dat insecten dol zijn op de enorme voorraad bloempjes, en de vogels op de al even grote voorraad zaden.

Zonnebloempitten kun je tot half april binnen zaaien. Vanaf mei kunnen ze ook meteen buiten in de volle grond worden gestopt, maar de kans is groot dat de vogels en de muizen in je tuin dan een tijdlang harder groeien dan de zonnebloemen. En mochten er toch nog plantjes opkomen, dan weten de slakken daar wel raad mee. De beste manier om zonnebloemen te krijgen is dan ook om de pitten eerst in een potje te stoppen – één zaadje per pot. Zorg dat ze niet te warm staan, anders groeien ze te snel en krijgen ze een dunne steel die bij de eerste de beste windvlaag breekt. (Wat tussen twee haakjes geen ramp is, zoals ik uit ervaring weet. Zodra die lange steel op de grond ligt, blijft hij namelijk gewoon doorgroeien en komen op alle knooppunten bloemen tevoorschijn).

Na een of twee weken komt het plantje tevoorschijn. Zodra de wortels de pot vullen, kunnen de zonnebloemen uitgeplant worden. Zijn het van die grote, zet ze dan een kleine meter uit elkaar, het liefst op een warme beschutte plek. Behalve op natte grond doen zonnebloemen het op elke grondsoort.

Zijn de bloemen groot genoeg om de vaas in te kunnen, snijd ze dan ’s morgens vroeg af. Zet ze in warm water en houd ze uit de zon.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden