De zon? Die bergen ze s'avonds op

Vraag: waarom gaat de zon 's avonds rood onder? Antwoord: omdat hij in de hel kijkt. De angst dat zich onder de aarde de hel bevond en dat je daar, ver van het Europese vasteland, op onbekende plekken in de Atlantische Oeaan pardoes in kon tuimelen, vormde een van de grootste obstakels bij de recrutering van zeelui voor de reizen van Columbus. Columbus mag er dan zelf min of meer op gespeculeerd hebben dat de aarde rond was, of zijn ondergeschikten ook allemaal deze overtuiging bezaten, is sterk de vraag.

ROB SCHOUTEN en RUUD VERDONCK

De door het christendom gepropageerde theorie dat de aarde plat moest wezen, bijvoorbeeld omdat hij volgens Jesaja 11:12 vier einden had, en dat hij bovendien het onbeweeglijke centrum van het heelal was (waarom moest Jozua anders, blijkens Jozua 10:12, zon en maan stilzetten en niet de aarde?), zal menigeen vertrouwder zijn geweest dan de gedachte aan de aarde als een onduidelijk in het heelal voortbewegende bol.

Hoewel enkele Griekse denkers, zoals Pythagoras en Aristoteles, al eens geopperd hadden dat een bolle aarde om de zon draaide en niet andersom, hielden vrijwel alle oude culturen het erop dat de aarde een soort verankerde pannekoek was, of dat nu een convexe cirkel was omringd door oceanen, een ronde plaat die ondersteund werd door vier olifanten die weer op een grote zeeschildpad stonden, of een rechthoekige tafel op pijlers.

Zelfs de astronomisch nogal voorlijke Babyloniers keken kennelijk niet verder dan hun neus lang was. Dan hadden ze namelijk kunnen zien dat voorwerpen op grote afstand, als je je ervan verwijdert, langzaam achter de horizon zinken en dat de aardeschaduw op de maan bij een maansverduistering cirkelvormig is.

Fundering

Het christendom plakte vervolgens alle heersende antieke theorieen over een platte aarde bij elkaar en gaf het een bijbelse fundering. En wie mocht denken dat de grootste natuurkundige misvatting uit de geschiedenis door de revolutionaire reizen van Columbus snel uit de weg geruimd werd, heeft het mis. De roomskatholieke kerk zwichtte pas in 1820 onder paus Pius VII, voor de Copernicaanse astronomie, waarin de aarde haar centrale plaats in het universum kwijtraakte, en het duurde nog weer vijftien jaar alvorens de werken van Copernicus en Galilei daadwerkelijk van de index werden gehaald. Ook het protestantisme had het er moeilijk mee. Calvijn moest niets van een aardbol weten en Luther maakte Copernicus uit voor een astrologische parvenu.

Nee, het was volmaakt duidelijk als je goed om je heen keek en braaf de bijbel las. Onder de aarde zat de hel. Erboven, als een soort plafond, stond als een boog het firmament waaraan God elke avond trouw maan en sterren hing. Op de tweede etage, boven het firmament, had je de hemel (maar misschien zat er nog een oceaan tussen, die zo nu en dan door wat raampjes water op de aarde liet regenen - Gervasius van Tilbury had uit deze oceaan boven ons hoofd zelfs wel eens ankers en zeelui zien vallen!). Wat de onmiskenbare beweging van de zon betreft: die werd iedere avond achter een grote berg opgeslagen, of misschien ook wel in een put gestopt.

Niet alleen het bijbelse, ook het gezonde verstand kon niet bij de astronomische nieuwlichterij van een aardbol. In twee zeventiende-eeuwse geschriften, de Antiaristarchus en de Anticopernicus catholicus worden de voornaamste argumenten tegen een bolle, bewegende aarde nog eens samengevat: het water zou van de aarde afspoelen de ruimte in; de wind zou permanent uit het oosten blazen; afgeschoten pijlen zouden achter hun schutter neervallen, de mens zou klauwen bezitten als een kat om zich daarmee aan het aardoppervlak vast te houden. Bovendien was de aarde koud en koude was strijdig met beweging en vernietigde die zelfs, zoals je kon zien aan dieren die bewegingloos werden als ze koud werden.

Blaeu

Je kon ook, zoals de Amsterdamse drukker Blaeu, maar helemaal geen standpunt innemen. In zijn boek over het gebruik van globes, uit 1642, gaf hij een deel van de handleiding volgens de oude Ptolemaeische inzichten, het andere deel volgens de nieuwe Copernicaanse. Voor elk wat wils.

Belangrijker nog dan de onopgeloste vraag of de aarde bol danwel plat was, vond men overigens de kwestie van de keerzijde. Als de aarde dus, God verhoede het, misschien niet plat in het water dreef, wie of wat woonde er dan aan de ander kant? Kerkvader Lactantius maakte iedereen belachelijk die geloofde dat men elders op aarde de voetstappen boven het hoofd zette, dat planten er naar beneden groeiden en regen, hagel en sneeuw omhoog naar de aarde vielen. Een sterk argument was ook dat een bewoonde keerzijde theologisch ongewenst was: hoe zouden de bewoners daar ooit op tijd de tweede komst van Christus vernemen. Met dit soort aardrijkskunde waren Columbus' zeelui opgegroeid en het is dan ook niet zo verwonderlijk dat ze niet zo'n zin hadden de geografische proef op de theologische som te nemen.

Columbus' ontdekking van Amerika berust overigens eveneens op een theologisch-geografische blunder. In het door de ontdekker geraadpleegde werk Ymago Mundi van kardinaal Pierre d'Ailly beweerde deze dat de aarde veel kleiner moest zijn dan werd aangenomen. Hij baseerde deze gedachte op het apocriefe, maar toentertijd gezaghebbende Tweede Boek van Ezra (of Esdras), waarin viel te lezen dat de schepper op de derde dag van zijn schepping al het water op een zevende deel van de aarde had vergaderd. Ergo, zes-zevende van de aarde was land en gegeven de omvang van de toen bekende wereld plus het feit dat de afstand Spanje-India over land via de oostelijke route al zo groot was kon het over zee in westelijke richting nooit zo ver zijn naar India. Zo'n zesduizend kilometer, dacht Columbus. En inderdaad vond hij in 1492 op ongeveer die afstand een veelbelovende kust. Met het gevolg dat we dit jaar weer het nodige te vieren hebben.

Buffalo Bill, wie heeft dat verzonnen

Het zal ongetwijfeld met alliteratie te maken hebben, dat de naam van Buffalo Bill 75 jaar na zijn dood nog steeds razendsnel opduikt als er door kinderen cowboy'tje wordt gespeeld. Minder vaak, zeg maar gerust nooit, komt zijn naam over de lippen als voor de vrije woensdagmiddag circusje spelen op het programma staat. Terwijl er toch alle aanleiding is om hem eerder bij de circusartiesten in te delen dan bij de cowboys. Maar ja, zo gaat dat met het wilde westen: alles een pot nat.

Tussen 1882 en 1913 trok hij met zijn 'Wild West Show' eerst door Amerika, later ook door Europa, bejubeld door de Britse koning Edward VII (hij dineerde enkele keren met de cowboy en gaf hem een gouden zakhorloge; koningin Victoria bleef niet achter en schonk hem een met diamanten ingelegde broche), prins Albert van Monaco en Thomas Alva Edison. De show bevatte onderdelen als een demonstratie van de Pony-Express, een optreden van de door velen begeerde scherpschutster Annie Oakley (helaas altijd vergezeld door haar manager, man en ook befaamd scherpschutter Frank Butler) en een reconstructie van de Battle of Summit Springs in 1869.

Waarschuwing

Het draaide in 'Buffalo Bill's Wild West Show' natuurlijk allemaal om grote daden die aan de directeur werden toegeschreven. Zo had hij zijn oogverblindende schimmel veroverd op chief Tall Bull tijdens de slag bij Summit Springs, waar hij aanwezig was als verkenner van het leger. Toen hij er met het prachtpaard vandoor wilde gaan, blonken er ineens tranen in de ogen van de vrouw van het opperhoofd. Dat was het moment waarop Buffalo Bill zich realiseerde dat hij de grote baas van deze Cheyenne-nederzetting eraf had gemikt. Geen reden overigens om het arme mens tenminste het familiepaard terug te geven.

"In veel Wildwest-verhalen, die al tijdens zijn leven geschreven werden, speelt hij een rol. De heldendaden, waarvan verteld wordt, heeft hij nooit bedreven!" , waarschuwt Gunter Schomaekers in zijn platenboek 'Der Wilde Westen'. Een tamelijk harde beschuldiging, maar er is iets voor te zeggen. Buffalo Bill's leven is nu eenmaal een worstelpartij van waarheid en verdichtsel, zoals dat met het hele wilde westen het geval is. En inderdaad, hij was reeds bij zijn leven volop beschreven door E. Z. C. Judson, een pseudoniem van Ned Buntline.

Maar, hoewel het op de conduitestaat van Buntline wordt vermeld, hij was toch niet de man die de in 1846 geboren William Frederick Cody als eerste Buffalo Bill noemde. Die naam verdiende hij zelf op 21-jarige leeftijd, toen hij voor de kapitale som van 500 dollar per maand, twaalf bisons per dag schoot, nodig voor de voeding van de 1200 mannen die bij Hayes aan de aanleg van de spoorlijn werkten. Een logische naam die hem eerlijk toekwam, die Cody kon tenminste iets.

Begrafenis

De Pony Express wordt ook altijd in Een adem met Buffalo Bill genoemd. Maar hij werkte slechts korte tijd voor die fameuze berichtendienst dwars door het wilde westen; dat kan ook moeilijk anders, want de Pony Express werd na anderhalf jaar opgedoekt wegens de komst van de telegraaf.

Dat hij ooit een onderdeel was van de Pony Express staat overigens zonder schriftelijk bewijs van de afdeling personeelszaken wel vast. Wie in zijn 'Wild West Show' kwam werken, diende een contract met vijftig clausules te tekenen. Je mocht niet achter de meiden aan zitten, je mocht niet dronken worden, je mocht niet vloeken, je mocht niet met collega's knokken, je moest in geval van een dodelijk ongeluk je eigen begrafenis betalen en oh, ja, je mocht geen voorstelling missen. Dat contract vertoont grote overeenkomsten met de voorwaarden waaraan een ruiter van de Pony Express moest voldoen. De Pony Express zette in personeelsadvertenties dan ook 'Orphans preferred', bij voorkeur weeskinderen.

En zoals dat hoort, men zegt dat de baas van het western-circus zelf een groot liefhebber was van een stevige slok. En dan mocht hij daar graag een vers vrouwtje bij vasthouden. Over wat hij dan zei, zullen we het maar niet hebben. Maar hij was altijd op tijd voor de voorstelling, want anders was er geen voorstelling.

Verkenner

Dat William Frederick Cowdy in het leger heeft gediend, staat ook vast. Hij was een zeer gewaardeerd verkenner en schopte het uiteindelijk tot de rang van kolonel, een redelijke prestatie voor een analfabeet. Echter, niet alle heldendaden waar hij zichzelf op beroemt of waar anderen hem van betichten, heeft hij ook werkelijk verricht. Zo heeft hij zeker niet meegedaan aan de jacht op de indianen na de gevechten bij Big Creek, hoewel hij daar wel zeer smakelijk over vertelde in zijn biografie.

En daar komt van weer Ned Buntline om de hoek kijken, de schrijver van stuiverromans. Buffalo Bill ontmoette hem voor de tweede keer kort nadat hij gids was geweest bij een door generaal Sheridan georganiseerde bisonjacht voor de New Yorkse upper ten, waartoe ook Winston Chruchills grootvader Leonard Jerome behoorde. De stadse lui hadden een typische cowboy verwacht, maar Buffalo Bill had zich met groot gevoel voor show gekleed, gedroeg zich keurig en beleefd, en imponeerde de gasten met het uiteindelijke resultaat van de jacht: 200 elanden en 600 bisons - die dus in Amerika buffels worden genoemd, een gebruik waar niet elke bioloog hartelijk mee instemt.

James Gordon Bennett, hoofdredacteur van de New York Herald, die ook aan de jachtpartij deelnam, nodigde William F. Cody uit voor een bezoek aan New York. Daar eenmaal aangekomen, verblufte hij iedereen met zijn goede manieren. Hij zag er Buntline terug, die hem enkele jaren eerder was komen opzoeken in Fort McPherson.

De geheelonthouder Ned Buntline, die cadet bij de marine was geweest, soldaat, verkenner en pelsjager, was uiteindelijk journalist geworden en had een roman in gedachten over een andere befaamde man uit het wilde westen, Wild Bill Hickok en zijn avonturen tijdens de burgeroorlog. Bij Cody annex Buffalo Bill kwam hij voor enige research. Het gevolg van de vele antwoorden die Cody hem gaf, was dat Buntline zijn verhaal wat bijstelde en voorzag van de titel 'Buffalo Bill, The King of Border Men'. Het was en bleef verder een stuiversroman.

Handelsmerk

De boekjes verkochten echter meer dan uitstekend en het gevolg was wel dat de buffeljager Cody met die bijnaam van 'm nu ineens een landelijke beroemdheid werd. Het moet een gouden eeuw voor Story's en Prive's zijn geweest, elke lezer geloofde alles wat er over Buffalo Bill in het boek stond. Daar was niet altijd, sommigen zeggen, lang niet altijd reden voor. Zo'n held uit het wilde westen was hij nooit geweest.

Maar het was zeker niet Buntline die hem die bijnaam die een handelsmerk werd gaf. Wel hielp Buntline hem de eerste stappen te zetten op het echte pad van de showbusiness. In het Bowery Theatre in New York werd namelijk een toneelstuk opgevoerd dat was gemaakt naar Buntlines boek. Schrijver en hoofdpersoon gingen er heen, kregen de gebruikelijke toernee achter de coulissen en uiteindelijk bood de directeur van het theater 500 dollar per week aan Buffalo Bill om zichzelf te spelen. Daar moest hij nog eens over nadenken.

Als het zo makkelijk is, moet Cody, ongetwijfeld na wat aanmoedigende zetjes van Buntline, gedacht hebben. En een jaar later opende hij in Chicago met een eigen theatervoorstelling: 'The scouts of the prairie'. Vennoten in de onderneming waren zijn vriend Texas Jack Omohundro en uiteraard Ned Buntline. Men zegt dat er qua acteren het een en ander aan schortte, maar dat veel vergoed werd door het feit dat de acteurs een groot deel van hun tekst weglieten en vervingen door schietpartijen. Met uiteraard indianen als doelwit.

Legende

Het publiek was wild enthousiast. William F. Cody was amper 26 jaar, maar een legende en een ster. Alles wat hij tegen Buntline verteld had, waar of niet waar, werd aan hem toegeschreven. De zalen stroomden vol en zo werd de basis gelegd voor wat uitgroeide tot zijn eigen 'Wild West Show', die overigens na een vorstelijke periode tenslotte eindigde aan de galg van economische wetten. Cody ging failliet, drie jaar voor hij op 10 januari 1917 totaal berooid stierf.

Als het erop aankomt was het E. Z. C. Judson of Ned Buntline, die hem beroemd gemaakt had. Zoals hij ook de man was die met zijn boeken, die literair gesproken de tand des tijds niet hebben kunnen weerstaan, figuren als eerder genoemde Texas Jack (zie ook: diverse avonturen van Lucky Luke), en Big Foot Wallace en Wild Bill Hickok vrijwel onsterfelijk maakte.

Ned Buntline moet gewoon een voortreffelijke interviewer zijn geweest, die zich alleen niet te zeer bekommerde om het waarheidsgehalte van de informatie die hij aangereikt kreeg. Daar was hij tamelijk halsstarrig in. Maar die houding heeft hem wel een voetnoot opgeleverd in de Amerikaanse literatuur. Nog wel in de categorie 'de leukste thuis'.

Jim Bridger

Een andere bron die hij ontdekte was namelijk Jim Bridger, ook al zo'n bewoner van het wilde westen die als het erop aan kwam toch sneller sprak dan schoot. Buntline tekende zijn avonturen ook op in zijn stuiverromans. Met als een van de hoogstandjes het verhaal van Bridgers ontmoeting met zes vijandige indianen. Hij doodde er vijf, de zesde was niet alleen taai maar ook groot. Deze tweekamp diende beslist te worden in een man tegen man gevecht op het mes. Buntline's beschrijving van Bridgers avontuur:

'We naderden de rand van een diep en breed ravijn . . . en een val naar beneden betekende een zekere dood . . . Het was een lang en meedogenloos gevecht. Het ene moment was ik de sterkste, het volgende moment lag ik onder. Tenslotte -'

Hier wachtte Bridger alsof hij op adem moest komen.

'Hoe liep het af?', vroeg uiteindelijk een van de ademloze, angstige luisteraars.

'The injun killed me'.

Sibylle

Afneemster W. M. Zielhuis-Schuil te Scherpenzeel verbaast zich erover dat wij in ons O. O. 3e jaargang nr 20, waarin uitgebreid werd gepubliceerd over Sibylle, geen aandacht hebben besteed aan het gedicht 'Eine Sibylle' van Rainer Maria Rilke.

Dat zit zo: het was voornamelijk een kwestie van ruimte. Want hoe graag hadden we immers ook 'Sibylle, de laatste stripteasedanseres' van Guus Vleugel (in '70 op het repertoire van Jasperina de Jong) integraal gepubliceerd, met prachtige strofen over Sibylle's vriendin Nefertite en niet te vergeten over Sibylle zelf:

"Want toen ze 's avonds in de nachtclub stond te werken

Riep er plotseling een client: Nou ik ga pitten

Dag Sibylle, laat je billen nou maar zitten."

Creatieve afnemers moeten nu ongeveer ook wel de strofen over Nefertite kunnen reconstrueren.

Uit haar herinnering noteert afneemster Zielhuis overigens ook dat het dagblad Trouw, dat ons elke maandag zo genereus de ruimte verschaft, ooit een prijsvraag uitschreef voor een goede Nederlandse naam voor de mini-rok die toen in opmars was. Sibylle, zegt zij, was een van de aardigste voorstellen.

Sibylle (2)

Afneemster C. Meursinge ReyndersNaeff te Warnsveld merkt (evenals afnemer C. A. Bos te Zwolle) naar aanleiding van de Sibylle-publicatie op, dat er correcties en aanvullingen mogelijk zijn. Bij voorbeeld:

"In de VIe eeuw voor Chr. is in Alexandrie door joden een oud orakelspreuken-geschrift gevonden, dat in Byzantium is gecodificeerd en daar grotendeels (83 v. Chr.) verbrand. De Romeinen, die veel waarde hechtten aan voorspellingen, o. a. werden de Sibyllen van Erithreae en Cumea geconsulteerd, stelden een orakelboek samen, dat o. a. door Augustus geconsulteerd (en ook gewijzigd) werd en tot na keizer Constantijn in gebruik was."

"Een herlevende belangstelling voor Sibyllen ontstaat in 1482 door het boek van Fil. Barbieri, die de twaalf profeten associeert met de twaalf profetessenSibyllen. Zowel veel Italiaanse kunstenaars (behalve Michelangelo) en schrijvers (Boccaccio, Petrarca) als kunstenaars in geheel west-Europa beeldden deze samen uit; tweemaal twaalf, onder andere in Auch (Fr), in kathedralen, handschriften en schilderingen."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden