De zoektocht van Faust

Beelden uit 'Faust' van Het Nationale Toneel. Regie: Johan Doesburg. Acteurs o.a: Jaap Spijkers, Sophie van Winden en Stefan de Walle. (LEO VAN VELZEN)

Het gebeurt niet vaak dat Faust I én II worden gespeeld. Het Nationale Toneel doet dat wel. Een voorstelling van bijna 5 uur over ’die chronische en onuitroeibare ontevredenheid die wij in onze tijd ook zo goed kennen’.

Tijdens de pauze van deze doorloop van Faust II, inclusief kostuums en grime, zit acteur Jaap Spijkers in een vlammend rood pak in de artiestenfoyer alleen aan een tafel. Hij staart wat voor zich uit. „Ik zat me net af te vragen waar ik nu eigenlijk ben?”, zegt hij, en wrijft met een hand over zijn voorhoofd. „Ja, ik moest er echt even over nadenken, maar nu weet ik het weer: ik ben in de Middeleeuwen en ga straks terug naar Sparta, met Helena.”

Het zou zomaar een stuk tekst van Faust zélf kunnen zijn, de rol die Spijkers speelt in de groots opgezette Faust I & II productie van het Nationale Toneel in Den Haag onder leiding van regisseur Johan Doesburg. Ook Faust dwaalt vooral in deel II van de tragedie soms wat stuurloos rond in de werelden die de Duitse dichter Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) voor hem schiep. Zowel hijzelf als het publiek kunnen hier danig de weg kwijtraken. „Wat is dit?”, zegt Faust tijdens de klassieke Walpurgisnacht, als hij tussen sfinxen, nimfen, sirenen en andere gedrochten ontwaakt, op zoek naar de wonderschone Helena. „Hier ben ik als door een wonder op Griekse grond, ik sliep, maar nu ben ik herrezen.”

Want waar Faust I nog een redelijk lineair plot bevat – oude man ondergaat verjongingskuur na contract met de duivel, bezwangert jong meisje en laat haar en haar kind verrekken – is deel II bij tijd en wijle behoorlijk ondoordringbaar en abstract. Meer trip dan plot. Hier komen talloze mythologische figuren voorbij, de tijd verspringt voortdurend, en Faust en Mefisto voeren lange twistgesprekken over wetenschap, liefde, politiek en economie. Het ene moment toveren ze Helena en Paris uit de oudheid tevoorschijn, het andere voeren ze oorlog of leggen de zee droog.

Toch was het voor regisseur Johan Doesburg volkomen vanzelfsprekend I & II allebei op te voeren. „Het einde van deel I is heel onbevredigend”, vertelt hij een week eerder, als hij nog in het klein met Jaap Spijkers (Faust) en Stefan de Walle (Mefisto) aan de scène uit Faust I sleutelt waarin beide heren hun pact sluiten. Door het langdurig repeteren is er iets te veel verbroedering in het spel van de acteurs geslopen. Nu moeten ze weer opponenten worden. Stefan de Walle draait met hoge lachstootjes rondjes in de elektrische rolstoel van Faust.

Doesburg: „Aan het eind van deel I is Gretchen dood door toedoen van Faust, en hij komt er mee weg, er gebeurt niets, het gaat gewoon door! De ontevredenheid, in mijn optiek de essentie van de zoektocht van Faust, ook die duurt voort, maar die verschuift van lust naar de hogere liefde, en als ook die mislukt: naar kennis en macht. In verschillende etappes borduurt het hele stuk voort op het altijd maar streven naar meer; op die chronische en onuitroeibare ontevredenheid die wij in onze tijd natuurlijk ook zo goed kennen.”

In het begin van Faust II vinden Faust en Mefisto het papiergeld uit om het failliete keizerrijk nieuw leven in te blazen. Het tegensputteren van de keizer (’Maar dat is zwendel! En in mijn naam!’) wordt door Faust en Mefisto, beiden in een strak grijs maatpak gestoken, met gemak van tafel geveegd. „Hier zie je het begin van het rommelen met waarden”, zegt Doesburg. „Dat is het moment waarop we op papier zijn gaan vertrouwen. Zeer actueel want dat principe hebben wij nu door de kredietcrisis weer leren wantrouwen. We komen zelf uit een droomwereld waarin drie keer hoesten van de president van De Nederlandsche Bank invloed heeft op ons leven, en Faust en Mefisto zijn hier de motor achter.”

Met de kredietcrisis hebben we een internationaal en hedendaags thema te pakken, maar toch; hoe zet je in Nederland Goethe op de planken? Uiteraard, Faust I en – veel sporadischer – Faust II worden af en toe opgevoerd en bijna iedereen kent in ieder geval de figuur Faust, de uitgebluste wetenschapper – een ’babyboomer’ in de vlotte vertaling die Janine Brogt voor het Nationale Toneel maakte – die genoeg heeft van zijn stoffige bibliotheek en met Mefisto op zoek gaat naar het echte leven.

De twee delen ’Faust’ zijn het levenswerk van Goethe, die er ruim zestig jaar aan schreef en het vlak voor zijn dood in 1832 voltooide. Het is een werk dat als geen ander invloed heeft gehad op de Duitse taal, die van talloze uitdrukkingen uit het werk is doordesemd.

Door die status van taalmonument is het in Duitsland bijna onmogelijk om onbevangen met het stuk aan de slag gaan. Zo vergeleek de jonge Duitse regisseur Tilmann Köhler, die drie jaar geleden een vrij gewaagde Faust I in Goethe’s woonplaats Weimar opvoerde, het stuk in een interview met deze krant met de Mona Lisa: een werk waar je niet meer naar kunt kijken omdat er altijd dertig mensen voor staan. Hij voelde zich nauwelijks vrij om het stuk naar eigen hand te zetten omdat je volgens hem in Duitsland bepaalde passages nu eenmaal niet mag schrappen – er komen altijd mensen met hun eigen stukgelezen exemplaren naar het theater en die willen de ’highlights’ mee kunnen opzeggen.

Een ander verwijt van Köhler was dat hij Goethe meer literatuur vond dan theater, in tegenstelling tot Shakespeare. „Dat maakt dat Shakespeare zoveel makkelijker een internationaal publiek vindt, en ’Faust’ toch vooral een Duitse aangelegenheid blijft. Of wordt het veel gespeeld in Nederland?” Köhler kon het zich niet voorstellen.

Nou nee, niet dus, maar het gebrek aan conventie en traditie met het stuk geeft Doesburg in principe alle bewegingsvrijheid die hij maar wenst. Maar die hoeft hij niet, althans niet tot het uiterste. „Als je in Duitsland een Faust ensceneert, kun je uitgaan van een grote vertrouwdheid met het stuk en de tekst. Je kunt hier niet op die basiskennis leunen, maar toch gebeurt dat juist wel. Als in Nederland een Faust wordt opgevoerd is het bijna altijd alleen deel I en dan ook nog eens postmodern binnenstebuiten gekeerd. Hetzelfde geldt voor een klassieker als Hamlet. Een gewóne Hamlet gaan zien, dat kan hier niet, het is altijd 24 keer achterstevoren en ondersteboven geïnterpreteerd. Dat wil ik niet, ik wil het stuk naar mijn eigen hand zetten, maar ik laat wél Faust zien.”

Goethe schreef een literair magnus opus voor de bourgeoisie. Het sterft, vooral in deel II, van de verwijzingen naar de bijbel, naar theologie en mythologie, maar Doesburg houdt het in de krappe vijf uur die zijn complete Faust duurt redelijk overzichtelijk. „Hoewel ik me geen illusie maak dat iedereen in het publiek weet wie Nereus is. Daarom hebben we van Euforion bijvoorbeeld, de zoon van Faust en Helena, een Michael Jackson gemaakt. Dat ligt er niet supervet bovenop, maar het is wel een gepaste actualisering en modernisering waarmee je het publiek er bij houdt.”

Ondanks alle klassieke elementen is Faust geen klassieke held die de fout ingaat en er gelouterd weer bovenop komt. Goethe ontleende zijn Faust aan een in zijn tijd populaire volksvertelling: meer een poppenkastfiguur dan een tragisch personage. Faust is de feilbare mens die ogenschijnlijk overal mee wegkomt, maar gaat zijn ziel nou uiteindelijk naar de hemel of niet? ’De mens dwaalt zolang hij nog ambities heeft’ is het motto van de voorstelling. Johan Doesburg: „Er is een moraal maar die is niet enkelvoudig samen te vatten in een mensenleven. Het verhaal is een parcours, een reis naar het einde van de nacht, om met Celine te spreken. Het gaat in stukken en brokken. En nee, het is ook niet de bedoeling om Faust sympathiek te gaan vinden.”

( LEO VAN VELZEN)
(Trouw)
( LEO VAN VELZEN)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden