Review

De zintuigen zoeken het zuiden

Deze week verschijnen twee Zuid-Italiaanse romans in het Nederlands. 'Montedidio' speelt zich af in de achterbuurten van Napels, 'Tussen twee zeeën' op het platteland van Calabrië. Noord-Italië mag het corrupte, criminele 'Mezzogiorno' al lang hebben afgeschreven, romanciers herontdekken hun geboortegrond als een schatkamer aan geuren, smaken, verhalen en dialecten.

De Italiaanse literatuur kent een rijke traditie van verhalen en romans uit en over de 'Mezzogiorno', dat 'andere' Italië dat begint onder Rome en dat zich uitstrekt tot in de verste uithoeken van Sicilië. In sociaal, economisch en politiek opzicht werd en wordt de Mezzogiorno vaak beschouwd als een blok aan het been van het rijke Noorden, als een bodemloze criminele put waarin in de loop der tijd een vermogen aan overheidsfinanciën is verdwenen. Dit clichématige en eenzijdige beeld doet soms vergeten dat juist deze arme en zo probleemrijke contreien van Italië talrijke onschatbare bijdragen hebben geleverd aan de Italiaanse samenleving en cultuur. Sommigen van de toonaangevendste denkers en schrijvers zijn afkomstig uit de Mezzogiorno: filosofen als Giambattista Vico, Benedetto Croce en Giovanni Gentile, schrijvers als Giovanni Verga, Luigi Pirandello, Giuseppe Tomasi de Lampedusa, Elio Vittorini en Leonardo Sciascia. De rijk geschakeerde wereld van de Mezzogiorno is ook een bijzonder vruchtbaar literair onderwerp, dat overigens pas laat werd ontdekt, in de decennia na Italiës Eenwording in 1861. Omdat de Eenwording een papieren constructie dreigde te worden, vertrokken parlementariërs als baron Sydney Sonnino naar het arme, onbekende Zuiden om de levensomstandigheden van dit andere Italië zo objectief mogelijk in kaart te brengen. Hun dikke rapporten over de problematische 'Kwestie van de Mezzogiorno' slaagden er gedeeltelijk in de ogen van de politiek te openen voor een complexe werkelijkheid die lichtjaren verwijderd was van die van het veel modernere Noorden.

Tegelijkertijd floreert tijdens de laatste decennia van de negentiende eeuw ook het verismo, een door positivisme en Frans naturalisme beïnvloede literaire stroming die de werkelijkheid zo objectief mogelijk wilde weergeven. De belangrijkste vertegenwoordigers van die stroming waren Giovanni Verga, Luigi Capuana en de buiten Italië ten onrechte minder bekende Federico De Roberto - auteur van 'I viceré' (1894), een sublieme roman over de ondergang en wederopstanding van een adellijk ras. Dit uit Sicilië afkomstige schrijverstrio herontdekt zijn wortels na een periode in het welvarende en moderne Noorden (Milaan, Florence, Rome) te hebben gewoond en gewerkt. Alle drie kijken zij met nieuwe ogen naar hun geboortestreek en zijn tegelijkertijd vol fascinatie en vol afschuw over de armoede, de archaïsche omgangsvormen, de criminaliteit en de ongeschreven, maar

ijzeren wetten van deze vreemde maatschappij. De Siciliaanse realiteit is in hun ogen al eeuwen lang dezelfde, en lijkt daardoor als het ware buiten de geschiedenis te staan. Deze clash tussen het moderne Noorden en het arme, achtergestelde Zuiden leverde onvergetelijke novellen en romans op met als terugkerende thema's armoede, emigratie, het keiharde gevecht om het bestaan, de kloof tussen Noord en Zuid, de alom aanwezige criminaliteit, en de allesbepalende maatschappelijke waarden en tradities.

Na de bloeitijd van het (hoofdzakelijk Siciliaanse) verismo is er veel aandacht gebleven voor de Mezzogiorno in de Italiaanse letterkunde. Denk alleen maar eens aan het oeuvre van Luigi Pirandello, Leonardo Sciascia, Corrado Alvaro, en recenter, aan dat van Vincenzo Consolo en Gesualdo Bufalino.

Carmine Abate en Erri De Luca behoren tot de naoorlogse generatie, maar ook zij hebben de Mezzogiorno in hun bloed. Erri De Luca werd in 1950 in Napels geboren, Carmine Abate in 1954 in Carfizzi, een Italiaans-Albanese gemeenschap in Calabrië. Erri De Luca schreef met het nu vertaalde 'Montedidio' (2001) een Napoletaans meesterwerkje, zonder meer zijn meest geslaagde boek tot nu toe. Carmine Abate's 'Tussen twee zeeën' (2002) vertelt een intrigerende familiegeschiedenis die wortelt in Calabriës Aspromonte.

Opvallend in beide romans is de sterke aanwezigheid van allerlei vormen van zintuiglijke waarneming. Naast boeiende verhalen, bieden deze boeken ook op bijna iedere bladzijde de klanken, kleuren, geuren, smaken en gevoelens van het Italiaanse Zuiden. Ze ademen zo op prachtige manier de sfeer, de tradities en de thema's die onlosmakelijk verbonden zijn met de Italiaanse Mezzogiorno.

De dertienjarige hoofdpersoon van 'Montedidio' heeft van De Luca geen naam meegekregen. Hij leeft in de Napoletaanse wijk Montedidio, waar hij begint te werken bij Mast' Errico, een timmerman van wie hij 'de ogen is' bij precieze werkjes. In de timmermanswerkplaats ontmoet hij Don Rafaniello (zijn echte naam luidt Rav Daniel), een Joodse schoenmaker uit Noord-Europa, die de oorlog heeft overleefd en op weg was naar Jeruzalem. Na een lange reis is Rafaniello gestrand in Montedidio, dat letterlijk 'Berg van God' betekent en dat daarom voor hem een acceptabele tussenstop is. Een engel heeft Rafaniello toevertrouwd dat in zijn bochel de vleugels groeien waarmee hij op een dag naar het beloofde land zal kunnen vliegen.

Een andere belangrijke vleugel is de 'vleugel van hout', de boemerang die de jonge verteller op een dag van zijn vader krijgt. Er is in de nauwe steegjes van Montedidio geen ruimte om de boemerang te werpen, maar dagelijks oefent hij de spieren van zijn groeiende en veranderende lichaam tussen de waslijnen, op het 'dak van Montedidio', maar zonder de boemerang ooit echt los te laten.

Hoewel nog een kind, wordt de jonge hoofdpersoon van deze roman in rap tempo volwassen: hij leert de liefde kennen met Maria, hij vecht tegen het onrecht dat Maria door de huisbaas is aangedaan, en moet de ziekte en dood van zijn moeder zien te verwerken. De vertelling is opgebouwd uit korte, poëtische hoofdstukjes, die zijn geschreven op een rol papier afkomstig van een drukker uit dezelfde wijk. Het einde van de rol betekent tevens het einde van de vertelling. En op de laatste dag van het jaar, te midden van het vuurwerk, maakt de boemerang eindelijk een - intens symbolische - vlucht.

In het origineel van 'Montedidio' is er een sprankelende spanning tussen het Napoletaans, de alom en zeer luid aanwezige taal van de wijk, en het Italiaans, de stille boekentaal, waarmee de jongen zijn rol volschrijft, een taal die door niemand in zijn omgeving wordt begrepen. Een dergelijke taalvermenging en het bijbehorende vervreemdende en 'gemengde' gevoel is natuurlijk heel lastig weer te geven in een vertaling. Het is jammer dat er in het algemeen in Nederlandse vertalingen maar uiterst zelden adequate oplossingen worden bedacht voor dit soort belangrijke vertaalproblemen. Des te opvallender is het dat de vertalers van 'Montedidio' geprobeerd hebben de spanning tussen dialect en standaardtaal te handhaven door de fragmenten Napoletaans onaangetast te laten. Hierdoor is een deel van de taalcharme van het origineel behouden gebleven. In Carmine Abate's 'Tussen twee zeeën' spelen verschillende traditionele Mezzogiorno-thema's een grote rol, in het bijzonder emigratie en de daarbij behorende nostalgie, de strijd tegen de georganiseerde misdaad, maar vooral ook de magische, bijna surrealistische atmosfeer van het diepe Zuiden. Het belangrijkste deel van 'Tussen twee zeeën' speelt in Calabrië, in de 'punt' van Italië's laars, met als 'contrapunt' het noorden van Europa. De jonge verteller, Florian, is namelijk geboren in Hamburg bij de koude Noordzee, maar zijn moeder is afkomstig uit Roccalba, een heuveldorpje in het verre Calabrië dat uitkijkt over de Tyrrheense en de Ionische zee.

Tussen die twee mediterrane zeeën heeft Florians opa, Giorgio Bellusci, in de jaren vijftig de droom opgevat om de vervallen Fondaco del Fico te restaureren, een herberg waar ooit Alexandre Dumas te gast was op diens 'Italiaanse tour' van 1835. Bellusci's plannen worden al snel doorkruist door de plaatselijke 'ndrangheta die beschermingsgeld van hem eist. De trotse Bellusci weigert, en gaat zover dat hij de geldeiser vermoordt. Zelfs de gevangenis kan Bellusci zijn droom niet doen vergeten en bij zijn vrijlating, vele jaren later, gaat hij meteen verder met het wederopbouwen van 'zijn' herberg. Zijn kleinzoon Florian en zijn oude vriend, de fotograaf Hans Heumann (Florians andere opa), met wie Bellusci na de oorlog door Calabrië reisde en in Roccalba zijn vrouw vond, helpen hem uiteindelijk om de wederopbouw te voltooien.

In de loop van het verhaal raakt de jonge Florian steeds verder verwijderd van Duitsland en hervindt hij zijn Calabrese identiteit. Uiteindelijk zal ook hij trouwen met een vrouw uit Roccalba, met wie hij de nieuwe Fondaco del Fico zal gaan besturen. Als een zwarte schaduw over Giorgio Bellusci's persoonlijke succes hangt echter de dreiging van de 'ndrangheta, want niemand kan ongestraft de georganiseerde misdaad trotseren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden