Review

DE ZIGEUNER BESTAAT NIET

Over zigeuners is door de eeuwen heen een hoop onzin geschreven. Neerlandicus Wim Willems ontdekte dat de oorzaak vrij simpel was: wetenschappers deden geen eigen onderzoek, zij schreven gewoon elkaars wijsheden over. En schiepen daarmee een volstrekt verkeerd beeld van 'de' zigeuner. Met desastreuze gevolgen. Wim Willems: 'Op zoek naar de ware zigeuner', Zigeuners als studieobject tijdens de Verlichting, de Romantiek en het Nazisme. Uitgeverij Jan van Arkel, Utrecht. Prijs ¿ 49,50.

Wim Willems, werkzaam bij het Leids Instituut voor Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek (Liswo), gelooft er niks van. Voor hem is dat beeld van de zigeuners 'geconstrueerd'. Gefascineerd door bezigheden die van de gebruikelijke afweken, geboeid door een ogenschijnlijk romantische stijl van leven en tegelijkertijd huiverig voor diezelfde 'ongewenste vreemdelingen' heeft de wereld zich een beeld van zigeuners gevormd. Een ontelbare rij auteurs heeft er zijn pen voor geleend, niet op basis van gedegen onderzoek maar in blinde ijver van elkaar overgeschreven. Als een op hol geslagen kopieermachine.

Over zigeuners is een hoop onzin geproduceerd, zo verwoordde prof. dr. P. R. Baehr vorige week tijdens de promotie van Wim Willems aan de Rijksuniversiteit in Leiden de conclusie van diens onderzoek naar twee eeuwen zigeunerstudies. Onzin die door de samenleving vrijwel zonder een greintje kritische speurzin voor zoete koek werd geslikt en die - erger nog - uiteindelijk heeft geleid tot de massale vernietiging van zigeuners in de Tweede Wereldoorlog in Auschwitz-Birkenau en andere kampen. Het was de tragische consequentie van een eeuwenlang proces waarin zigeuners zijn bestempeld tot wilde en onbeschaafde lieden, heidenen (want onchristelijk) en criminele bedelaars.

Hoe is het mogelijk, heeft Willems zich afgevraagd in zijn onthullende - beter nog: verbijsterende - proefschrift 'Op zoek naar de ware zigeuner'. Hoe kan het dat zigeuners, die in de Europese geschiedschrijving alleen in de voetnoten terug te vinden zijn, met honderdduizenden zijn uitgeroeid - terwijl er zo weinig bekend is hoe ze hebben geleefd en gewerkt en gewoond? Waarom spreken zigeuners al zo lang tot de verbeelding, als paria's van de maatschappij of juist als romantische buitenstaanders? En waar komt dat beeld dat ze zo uitzonderlijk en lastig zijn, vandaan?

Willems heeft er de encyclopedieën die in de loop der tijd zijn verschenen, op nageslagen. Uit de lemma's heeft hij een ranglijst samengesteld van auteurs die de 'tziganologie' hebben gedomineerd sinds de eerste encyclopedie in West-Europa verscheen (begin achttiende eeuw).

Oervader en grondlegger van de wetenschappelijke studie naar zigeuners is de Duitser Heinrich Grellmann (1753-1804). Zelfs na de Tweede Wereldoorlog is deze historicus als een autoriteit beschouwd. Wat Grellmann over zigeuners aan ideeën heeft gepubliceerd, is als een rode draad terug te vinden in vrijwel alle wetenschappelijke werken na hem. In binnen- en buitenland werd hij vaak 'blindelings gebruikt en op onbeschaamde wijze geplunderd', merkte de linguïst August Pott ooit op. In Oostenrijk verschenen zelfs recentelijk nog doctoraalscripties en dissertaties over zigeuners, waarin Grellmann als bron van grote importantie genoemd wordt.

Het beeld dat Grellmann van zigeuners schetste, loog er niet om. Hij schilderde ze onder meer als figuren met een bruingele huid (omdat ze in rook en vuiligheid opgroeiden), lang zwart haar dat ze alleen onder dwang lieten knippen, zwarte levendige ogen, goed gevormde ledematen, rap en lenig. Ze hadden een goede gezondheid als gevolg van Spartaanse levensomstandigheden. Hun keuken was morsig, eten deden ze als het hun uitkwam, water en bier werden alleen gedronken als ze het gratis konden krijgen. Kinderen liepen tot hun tiende jaar naakt rond, werden door de toegeeflijkheid van hun ouders verpest en groeiden op als dieven en zedelijke 'monsters'. Lui en gemakzuchtig als ze waren (volgens Grellmann), leidden ze een armoedig bestaan, in de handel waren ze weinig betrouwbaar en verder verhuurden ze zich nog al eens voor werk dat met de dood te maken had (als beulen, scherprechters, vilders).

Buitenissige gebruiken hielden ze er op na, stelde Grellmann vast. Als voorbeeld gaf hij het verhaal van een reiziger door Turkije die een zigeunervrouw de jonge hond van een Engelse koopman had zien zogen: aan de ene borst de hond, aan de andere soms tegelijk haar kind - en dat enkele malen per dag, op straat. Als de verhalen maar pasten in het beeld van de verdorven zigeuner, werden ze in wetenschappelijke kringen voor zoete koek geslikt, concludeert Willems.

In Grellmanns visie overheersten ledigheid en luiheid, waren bedelen en stelen de gangbare middelen van bestaan, waren vooral vrouwen erg gewiekst, maar pleegden zigeuners zelden een roof waar gevaar aan zat. Angsthazerij - een van de vele stereotypen die volgens Willems nog tot in de nazi-tijd opgeld bleven doen.

De Leidse onderzoeker heeft het werk van Grellmann met een fileermes onder handen genomen en bekeken op zijn bronnen en zijn effecten. De man die amper afgestudeerd was toen hij zijn theorieën verkondigde, heeft volgens Willems diepe sporen getrokken. “Hij heeft de toon gezet. Hij creëerde een grondpatroon van ideeën over zigeuners, die in de eeuwen na hem voortdurend terug te vinden zijn, soms letterlijk. Veldonderzoek lag er niet aan ten grondslag, alleen dubieuze vooronderstellingen. Grellmann baseerde zich uitsluitend op schriftelijke informatie, toen hij vaststelde dat ze een Fremdkörper vormden in Europa. Zijn belangrijkste bron was de Hongaarse dominee Ab Hortis, van wie we niet weten of hij wèl uit eigen waarneming sprak. Zigeuners waren nomadisch van huis uit, een leefwijze die zich niet verdroeg met die van een gemeenschap die aan vast werk en een vaste plek de voorkeur geeft. Het trekken zit ze in het bloed, was Grellmanns typering. Ze hadden, zoals dat in de jaren dertig en veertig in Duitsland werd genoemd, een 'zwerf-gen'. Men vond eigenlijk ook dat ze niet in Europa thuis hoorden.”

Willems heeft uit privé-correspondentie kunnen achterhalen dat een prijsvraag van de Zweedse academie Grellmann op het idee bracht zijn eerste essay over zigeuners te schrijven. Dat het (veel) meer werd dan een essay, kwam berichten in de zomer van 1782 over een groep zigeuners die in Hongarije was opgepakt op beschuldiging van kannibalisme. Ze zouden reizigers hebben beroofd, verminkt en opgegeten. Tijdens het gerechtelijk proces namen de beschuldigingen zulke schokkende vormen aan, dat er maar één straf mogelijk leek: de doodstraf. Bij 41 van de 84 verdachten is die na een tirade van de rechter over onzedelijke toestanden onder zigeuners (ze woonden ongehuwd samen, ieder deed het met iedereen, ze copuleerden als apen, kinderen groeiden voor galg en rad op) ook voltrokken. Bij de anderen werd de zaak opgeschort voor nader onderzoek: geen van de lijken die zogenaamd waren opgegeten, bleek namelijk vermist! De overgebleven zigeuners kwamen er met stokslagen vanaf.

Desondanks miste de berichtgeving haar uitwerking niet. Volgens Grellmann behoorde kannibalisme bij zigeuners in het land van herkomst tot de zeden en gebruiken en waarschijnlijk hadden zij die gewoonte nog. De overheid was dus gewaarschuwd voor dit 'uitvaagsel van de mensheid'. In een latere versie van zijn boek ontkrachtte hij zijn beschuldigingen, maar zijn suggestie dat er toch iets gebeurd was, hield hij overeind. Zijn werk was een gat in de markt, het kreeg vele vertalingen en zijn theorieën sloten naadloos aan bij het beschavingsoffensief van de Oostenrijks-Hongaarse vorsten Maria Theresia en Jozef II.

Het beeld dat Grellmann en diens navolgers van zigeuners hadden, is volgens Willems gevormd door pseudo-wetenschappelijke interpretaties. Dat geldt ook voor de stelling dat zigeuners alleen in eigen kring trouwden (“een echo die tot in de twintigste eeuw doorklonk”) en dat zij uit Hindoestan afkomstig waren (een theorie die Grellmann uit de derde hand had en die door de eerder genoemde Angus Fraser in 1992 weer dankbaar is gekopieerd). De talenknobbel van Grellmann rekende voor dat minstens één op de drie woorden uit de taal van de zigeuners met het Hindi overeenkomsten had; vanuit die constatering redeneerde de Duitser verder dat zigeuners van de laagste kaste onder de Indiërs afstamden, de paria's of Suders.

Zonder enige persoonlijke waarneming trok hij de volgende vergelijkingen: allebei morsig en afzichtelijk, diefachtig en leugenachtig, vreesachtig en zonder zondebesef, onzedige vrouwen en meisjes, paren met bloedverwanten, verzot op muziek, omgang met paarden (en bedrog), onverschillig tegenover godsdienst - het waren liefhebbers van de roes. Vanwege islamitische oorlogsdreiging en omdat ze door de hogere kasten als minderwaardig werden beschouwd, zijn de Suders in de theorie van Grellmann weggetrokken en via Egypte en Turkije naar Europa verhuisd.

Willems stelt vast dat er achteraf nauwelijks getornd is aan de stelling dat de taal de herkomst van zigeuners verklaarde. Critici van zijn ideeën waren er maar weinig; Johann Erich Biester, een Berlijnse bibliothecaris, had in het Berlinische Monatschrift veel bedenkingen, maar hij was de enige in zijn tijd (1793).

Na het werk van Grellmann spitte Willems in de vele romantische reisverslagen en zendelingenverhalen over zigeuners waarmee de Engelsman George Borrow (1803-1881) vele generaties heeft beïnvloed. Ook bij Borrow toont Willems aan hoezeer Wahrheit und Dichtung verweven zijn geweest, wat hij overschreef en zonder onderzoek interpreteerde. Borrow beschouwde zichzelf als een zigeunervriend, een Romany Rye. Hij dacht dat hij de muur van wantrouwen bij zigeuners had geslecht en als een intimus werd gezien, die volledig werd ingewijd in hun geheimen. Hoewel er achteraf een forse discussie losbarstte over het waarheidsgehalte van Borrows romans, is de Britse bijbelverspreider bejubeld om zijn betoverende beschrijving van het 'ancient race'. Hij kreeg er van recensenten zelfs de eretitel 'prins der vagebonden' voor. Hij oogstte met zijn verhalen ook wel enige sympathie voor het in zijn ogen verdwijnende volk der zigeuners, maar zijn voorstelling van die 'vervloekte zwervers' bepaalde het beeld van paardendieven en rovers, van wilde en mooie heksachtige vrouwen, van lieden die de rest van de mensheid fundamenteel haatten en bedrogen.

Grellmann en Borrow hebben volgens Willems de stevige basis gelegd voor het beleid dat in nazi-Duitsland jegens zigeuners is gevoerd. Jeugdpsychiater Robert Ritter (1901-1951), de derde hoofdfiguur in het onderzoek van Wim Willems, zag zigeuners in zijn rassenonderzoek als vaganten, Gemeinschafstfremden, onverbeterlijke criminelen of gedegenereerde mengbloeden. Bovendien had hij een beeld van de 'ware zigeuner' als een bijna mythische figuur met trekken zoals Grellmann en Borrow die hadden beschreven. Ritter kwam die stamechte zigeuners overigens niet tegen, wel maakte hij er tienduizenden mengbloeden van en concludeerde dat er bijna alleen gedegenereerde zigeuners bestonden, die door hun vermenging met het schuim der Duitse natie als de wortel van alle kwaad moesten worden gezien - crimineel tot in de genen, sociaal achtergebleven. De rasdiagnosen van Ritter vormden voor de nazi's de basis voor selectie van zigeuners en zigeunerachtigen voor Auschwitz.

Willems: “Sinds Grellmann hebben wetenschappers gedacht dat het bij zigeuners gaat om één volk uit India, dat in de diaspora is geraakt maar door bloedbanden is verenigd en nog steeds vasthoudt aan zeden en gewoonten uit hun herkomstland en in feite niet veranderd is. Ze zouden eigenlijk niet in Europa thuis horen, een vaste groep vormen met een eigen taal en anderen in huwelijken buitensluiten. Ik heb geprobeerd aan te geven dat er weinig bewijzen voor die interpretatie zijn en dat die theorieën gebaseerd zijn op historisch onbetrouwbare kennis. Het is een heel eenzijdig beeld, alsof er geen integratie heeft plaatsgevonden, alsof niet vele zigeuners zich permanent gevestigd hebben en er geen proces van sociale interactie is geweest. Alsof ze niet hun taal in de loop van de migratie hebben kunnen opdoen. Dat ze allemaal het Romani spreken, is er maar van gemaakt. Ik wil wel eens weten hoeveel er in de achttiende eeuw die taal spraken en hoeveel in de zestiende. Ik heb enorme twijfels of ze het zich niet eigen hebben gemaakt via handelsroutes of in contact met andere groepen. Taal en volk mag je niet gelijkstellen.”

Het is Willems opgevallen dat wetenschappers het accent steeds legden op overeenkomsten die ze bij 'de' zigeuners waarnamen, de onderlinge verschillen werden op voorhand weggelaten. “Wie overeenkomsten wil zien, zàl ze ook zien. Alles wat maar exotisch is of folkloristisch, wordt over één kam geschoren. Laatst zat ik in Duitsland met mensen uit Sinti- en Roma-groepen om de tafel en zei een Sinti-vrouw: 'Wij worden gedwongen om ons solidair te voelen met allerlei Roma-groepen, omdat wij allemaal 'zigeuners' zouden zijn. Maar wij hebben heel andere zeden, wij behoren helemaal niet om te gaan met Roma-groepen.”'

We moeten af van termen als 'ware zigeuners', 'slechte indianen', 'goede joden' of 'echte Nederlanders', zegt Willems. “Het is net zo'n onzin om alle Surinamers met één stereotype te karakteriseren. Je hoeft maar wat beter te kijken en je stuit op Creolen, Javanen, Chinezen, Indianen, Boscreolen - met allemaal een volstrekt verschillende geschiedenis. Het zou toch waanzin zijn om ze op grond van één kenmerk (ze spreken Nederlands) op één hoop te vegen.”

Waartoe een groepstypering kan leiden, heeft de nazi-tijd laten zien. “Zigeuners zijn het slachtoffer geworden van de definiëringsmacht van de wetenschap”, zegt Willems. “Sommigen hadden bewust voor een vaste baan en een vaste plek gekozen, waren met een Duitser of Duitse getrouwd en waren in het reguliere systeem terechtgekomen. Toch werden ze als zigeuners aangemerkt, omdat in hun stamboom zigeuners voorkwamen. Maar zelfs na twee, drie generaties konden ze nog niet aan dat stigma ontsnappen. Het recht werd ontzegd om als gewone Duitser door het leven te gaan. Het verleden bleef hen achtervolgen.”

Willems vindt dat zigeuners recht hebben op hun eigen geschiedenis. Het gevolg van zijn proefschrift zou moeten zijn dat er studies in gang gezet worden naar de verschillende groepen, die achter het etiket zigeuner schuil gaan. Hij bepleit heroriëntatie op de eigen historie. “Ik laat zien dat de wetenschap niet zonder meer te vertrouwen is. Ik hoop ammunitie te hebben aangedragen tegen de stereotypering waarmee de overheid zigeuners altijd heeft behandeld. Tegen de wankele basis waarop argumenten zijn gebaseerd. Laat de zigeunergroepen maar komen met hun eigen verhaal. Dat is de enige manier om onder het eeuwenoude stigma vandaan te komen. De Leidse onderzoeker wil zigeuners zo de plek geven waar ze recht op hebben. “Op het schouwtoneel, niet de plek in de coulissen. Ik wil ze integreren in de Europese geschiedenis. Achter zigeuners steken verschillende etnische groepen. Het gaat gewoon om migranten met veel overeenkomsten en veel verschillen. Het zijn groepen die zich op verschillende tijdstippen in Europa hebben gevestigd, die integreerden of niet en onder allerlei invloeden een bepaalde groepsidentiteit verwierven. Die is niet stabiel, maar juist heel flexibel, aangepast aan de samenleving waarin ze verkeerden. De enige manier om de beeldvorming van zigeuners een beetje te doorbreken is door het accent niet te leggen op de enorme scheiding. Want dan lijkt het alsof ze volstrekte anders zijn. Een samenleving die zo neerkijkt op zigeuners, zal dan nooit zeggen: laten we ze er maar bij trekken. Dan zeg je eigenlijk dat ze parasieten zijn. En je bevestigt zo de beeldvorming.”

De meeslepende speurtocht van Willems heeft hem dus niet gebracht bij de 'ware' zigeuner. Wel laat hij zien dat het bestaande beeld van zigeuners hard aan revisie toe is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden