De zielen in Troelstra’s borst

Troelstra met zijn verloofde Sjoukje Bokma de Boer (Trouw)

Troelstra koos voor de parlementaire democratie, maar verloor het perspectief van een maatschappelijke omwenteling niet uit het oog. Dat brak hem op.

Weinig gebeurtenissen hebben zo’n lange nagalm in de Nederlandse politiek gehad als de ’revolutiepoging’ van SDAP-leider Pieter Jelles Troelstra in de novemberdagen van 1918. Hoewel er verscheidene redenen zijn dit historische feit tussen aanhalingstekens te plaatsen, vast staat dat het de verhouding tussen de sociaal-democraten en de andere, vooral de christelijke, partijen heeft belast met een wantrouwen dat nooit helemaal meer is verdwenen. Het is zelfs niet overdreven de recente breuk tussen PvdA en CDA op dat onuitroeibare wantrouwen terug te voeren.

Het was in dat perspectief een onbedoelde ironie dat de journalist Piet Hagen zijn lijvige biografie over Troelstra presenteerde in de week dat die breuk zich voltrok. PvdA-leider Bos zou het boek, met de trefzekere titel ’Politiek uit hartstocht’, in ontvangst nemen in de oude vergaderzaal van de Tweede Kamer, de plaats waar zijn verre voorganger op 12 november 1918 zijn revolutionaire taal uitsloeg, maar hij moest vanwege de oplopende politieke spanningen over de kwestie-Uruzgan verstek laten gaan.

Sinds de invoering van het algemeen kiesrecht, waaraan Troelstra binnen en buiten het parlement een belangrijke bijdrage leverde, hebben de sociaal-democraten in Nederland 36 jaar mee geregeerd. Wellicht was hun aandeel groter geweest als de SDAP-leider zich in de woelige dagen na de Eerste Wereldoorlog aan de partijlijn had gehouden en niet tot zijn solistische actie was overgegaan, die naderhand als ’ondemocratisch’ werd gekwalificeerd.

Helemaal zeker is dat niet. De invloedrijke katholieke leider Nolens had al tijdens de kabinetsformatie in de voorafgaande zomer uitgesproken dat de christelijke partijen ’alleen in de uiterste noodzakelijkheid’ met links (toen nog socialisten én liberalen) zouden regeren. Dat lag in de lijn met de antithese die ARP-leider Abraham Kuyper in 1901 had afgekondigd tussen kerkelijke en seculiere partijen.

Troelstra zelf erkende achteraf dat de invloedrijke positie die hij vanaf 1897 in het parlement had opgebouwd na 1918 ’voorgoed was gebroken’. Dat gold evenzeer voor zijn in die periode sterk gegroeide partij, die zeven jaar later exclusief door Nolens in de ban werd gedaan. De SDAP ging pas in 1939 met twee ministers mee regeren, ruim een kwart eeuw nadat zij voor het eerst voor samenwerking in een kabinet (met liberalen en vrijzinnig-democraten) was uitgenodigd. Op voorspraak van de aanvankelijk aarzelende Troelstra wees zij dat aanbod af. De partij achtte zich op dat moment, met vijftien van de honderd Kamerzetels, nog niet sterk genoeg om de sociale hervormingen die zij wenste af te dwingen. De reformisten, degenen die voor de parlementaire weg van kleine stappen kozen, waren daarover net als de vakbeweging teleurgesteld.

De reformist Jan Schaper, met Willem Vliegen een geducht tegenspeler van Troelstra, verweet de eigenzinnige leider dat hij niet ’tegen grote momenten was opgewassen’. Feit is dat deze een zwak zenuwgestel had en in 1913 een innerlijke crisis doormaakte, die op een partijconferentie zelfs tot ’een huilkramp’ had geleid. Maar niet alleen zijn karakter, ook de vraag of de partij haar droom, de omverwerping van de bestaande, kapitalistische orde, langs revolutionaire dan wel parlementaire weg moest bereiken, speelde hierbij een voorname rol, zoals later ook bij de ’machtsgreep’.

Troelstra stelde zich in de discussie tussen radicalen en reformisten als ’integralist’ in het midden op om de partij bijeen te houden en de invloed van de revolutionaire socialisten van de uitgetreden David Wijnkoop te minimaliseren. Hij koos voor de parlementaire democratie, maar zonder het perspectief van een maatschappelijke omwenteling uit het oog te verliezen. Partijgenoten wisten sinds de spoorwegstaking van 1903, die in een mislukking eindigde, ook dat de revolutionaire waakvlam in zijn binnenste elk moment kon oplaaien. Na 1918 zei Troelstra zelf dat hij zich had leiden ’door zijn gemoed, niet door zijn verstand’.

Hagen laat aan de hand van de ontwikkeling van zijn hoofdpersoon scherp het licht zien tussen werkelijkheid en mythe, hoewel de handelwijze van Troelstra op sommige punten nog altijd wat raadselachtig blijft. Er zat door de aanwezigheid van ’twee tendenzen in zijn persoon’ steeds iets halfslachtigs in zijn optreden. Dat was zowel bij de revolutiepoging het geval als naderhand, toen hij erkende dat hij zich had vergist, maar dan vooral in het tijdstip. Waarschijnlijk kon mede daardoor de mythevorming een vlucht nemen die ver reikte. Zelfs in de jaren zestig ontstond er in een overwegend protestantse gemeente op de Veluwe nog commotie over de vernoeming van een straat naar de socialist.

De halfslachtigheid van ’Troel’ is voor een deel toe te schrijven aan het gecompliceerde karakter van de Fries, waarin de romanticus die als jeugdig dichter op bijna religieuze wijze het heitelân bezong niet zelden de overhand kreeg op de politieke strateeg. Op grond van de opvattingen die de SDAP-leider in de jaren voorafgaande aan 1918 heeft verkondigd, staat echter buiten twijfel dat hij niet uit was op een gewelddadige omwenteling. Hij nam al vroeg afstand van zijn revolutionaire provinciegenoot Domela Nieuwenhuis en verafschuwde de Russische revolutie in 1917, die in zijn ogen tot een schrikbewind had geleid.

Als Kamerlid toonde hij zich een constructief politicus. Tijdens de oorlog reisde hij zelfs als vredesapostel Europa rond. Hagen sluit echter niet uit dat zijn revolutionaire toespraak op 11 november in Rotterdam op een gewelddadige poging tot staatsgreep had kunnen uitdraaien. Op dat moment was in Duitsland de revolutie al een aantal dagen in volle gang en Nederland vroeg zich benauwd af of de woelingen bij Zevenaar zouden halt houden. Maar de opgewonden massa trok na de meeting niet op naar het stadhuis aan de Coolsingel, maar begaf zich ordelijk naar huis, net als Troelstra die per rijtuig doodmoe naar Den Haag terugkeerde om de volgende dag in de Tweede Kamer zijn revolutionaire woorden te herhalen.

Daarbij maakte hij opnieuw niet duidelijk wat die woorden concreet betekenden. Hij liet het bij de constatering dat het bestaande burgerlijke stelsel was vermolmd, dat er sprake was van een revolutionaire toestand en dat het aan de arbeidersmassa was de politiek macht te grijpen. De communist Wijnkoop eiste dat de regering de macht zou overdragen aan soldaten- en arbeidsraden, maar zo concreet was Troelstra niet, wat erop duidde dat hij zich inderdaad ’door het ogenblik had laten meeslepen’. Daarop wijst ook dat hij kort voordien nog had geconstateerd dat Nederland te ontwikkeld was en te gehecht aan vrijheid voor een revolutie.

De vrijzinnig-democraat Marchant verwoordde eigenlijk precies hetzelfde, toen hij een dag later in de Kamer op retorische vraag waarom de revolutie bij Zevenaar zou ophouden, antwoordde: „Om de eenvoudige reden dat Zevenaar in Nederland ligt en niet in Duitsland.” De SDAP-leider vergiste zich in wat hij voor het beslissende uur hield vooral in de trouw van de protestantse en katholieke arbeiders, politiemensen en militairen aan hun eigen organisaties. Die doorbraak naar de christelijke arbeiders lukte ook na de Tweede Wereldoorlog niet en evenmin ten tijde van Den Uyl, die net als Troelstra poogde een politieke tweedeling tussen progressief en conservatief te forceren.

Hagen heeft knap weerstand geboden aan de verleiding alles wat in het leven van Troelstra voorafging aan zijn revolutiepoging in dat perspectief te plaatsen. Hij vertelt zijn verhaal over het leven van deze markante figuur, die dichter, journalist, advocaat, politicus en na de dood van zijn vader zelfs directeur van een verzekeringsbedrijf was, in een wat droge stijl en in chronologische volgorde, waardoor de biografie niet echt meeslepend is. Daar staat tegenover dat Hagen een breed en scherp licht werpt op de hoofdpersoon met al zijn eigenaardigheden en tegenstrijdigheden, zoals zijn drankzuchtige studentenleven in Groningen, zijn neiging later troost te zoeken in het spiritisme en ondanks bijna voortdurend geldgebrek zijn voorliefde voor dure hotels en kuuroorden in Duitsland en Zwitserland.

Hoewel hij afkomstig was uit een liberaal, niet-religieus milieu – zijn vader was vrijdenker – koesterde Troelstra wel religieuze gevoelens. Als leider van de ’moderne arbeidersbeweging’’ identificeerde hij zich zelfs als Mozes die zijn volk uit de Egyptische slavernij leidde. Maar van de kerk moest hij niets weten. Het christendom vond hij overbodig, vrije mensen konden zonder dogma’s. Met zijn steun aan de spoorwegstaking in 1903 kwam hij lijnrecht tegenover Abraham Kuyper te staan, met wiens streven naar gelijkberechtiging van het bijzonder onderwijs hij het eens was.

Troelstra wilde van de SDAP geen anti-christelijke partij maken – hij noemde het calvinisme zelfs een democratische godsdienst-, maar daarmee riep hij in eigen gelederen ook verzet op. Zijn partijgenoot Herman Gorter was voorstander van staatsscholen. Dat leek dan misschien op dwang, maar het was ’een dwang om van dwang te bevrijden, om groter vrijheid te brengen’. Ook die trek, die er bij de sociaal-democraten nog altijd in zit, houdt het eeuwige wantrouwen in stand.

Op de tweede Rode Dinsdag, september 1912, eist Troelstra algemeen kiesrecht.
Op de tweede Rode Dinsdag, september 1912, eist Troelstra algemeen kiesrecht. ( FOTO'S UIT BESPROKEN BOEK)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden