De ziel van Statia blijft onafhankelijk

Sint-Eustatius wordt zondag, net als Saba en Bonaire, een (bijzondere) Nederlandse gemeente. Het armste eiland van de Antillen hoopt op een beetje meer welvaart. Als de ziel maar Caribisch blijft.

Door de straten van Oranjestad galmt de gospel. De deuren van de witte rooms-katholieke kerk aan het Bay Path, net naast Fort Oranje, staan wijd open. Koster George heeft zelfs klapstoeltjes op het bordes moeten zetten. En dan nog staan er gelovigen op straat.

Ook al is het 35 graden in de schaduw, er wordt geklapt, er wordt gedanst. Flarden van ’Oh Lord’ zijn op ruime afstand hoorbaar, en wie op het hete stoepje gaat staan, hoort de priester preken over The Kingdom. Over het Koninkrijk Gods wel te verstaan, en niet over het Koninkrijk der Nederlanden. Want daar moeten ze aan het Bay Path weinig van hebben.

Als na afloop van de mis Father Raffi zijn kazuifel aan een knaapje hangt en in een wit onderhemd plaatsneemt aan zijn eigen keukentafel, vertelt hij dat hij vorige week uitvoerig heeft stilgestaan bij de omvorming van zijn eiland tot een Nederlandse gemeente.

„We krijgen straks Nederlandse wetten, heb ik gezegd. Op het gebied van abortus, euthanasie en het huwelijk tussen gelijke seksen. Wetten met een open moraliteit.” En Father Raffi steekt zijn vinger zwaaiend in de lucht. „Maar weet wel, zei ik, hier geldt maar één wet. En dat is de wet van God, die in deze kerk wordt uitgedragen.”

„We zijn als Sint-Eustatius in totaal 22 keer van eigenaar veranderd”, gaat Raffi verder. „En ik verwacht veel goeds van de Nederlandse overheid. We zullen het allemaal materieel wat beter krijgen. Er komt meer welvaart, beter onderwijs, misschien wordt de weg opnieuw geasfalteerd, en dat is nodig ook. Maar Nederland moet niet denken dat het invloed heeft op onze gedachten, op onze ziel. Want wij richten ons op God.”

Father Raffi verkondigt voor Statiaanse begrippen geen extreem standpunt. Hoewel de methodistische kerk en de zevendedag-adventisten hier veel grotere gemeenschappen vormen, verschillen ze onderling nauwelijks van mening over de Nederlandse wetgeving die vanaf 10 oktober voor dit eiland gaat gelden. Tachtig procent van de bewoners behoort hier tot een kerkgemeenschap, en die bepaalt hoe wordt omgegaan met euthanasie, huwelijk en abortus, niet de Nederlandse staat.

Dat kan wel zo zijn, zegt Henk Kamp, de Nederlandse rijksvertegenwoordiger die Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (BES) het laatste anderhalf jaar heeft voorbereid op de overgang naar de status van Nederlandse gemeente. „Maar ook Sint-Eustatius behoort straks tot het land Nederland, en dat is een democratie”, onderstreept Kamp terwijl hij probeert de muggen van zich af te houden.

„Daarin gelden wetten, en het parlement heeft vastgesteld dat regelgeving op het gebied van abortus en homohuwelijk binnen één jaar voor de eilanden geldt, en die op het gebied van euthanasie binnen twee jaar. Dat is een besluit, en dat wordt dus uitgevoerd.”

„En laten we nu niet doen alsof abortus bijvoorbeeld tegen de cultuur hier ingaat. Onder Antillianen, in Nederland of hier, vinden juist meer abortussen plaats dan onder autochtone Nederlanders. Abortus is dus juist onderdeel van hun cultuur. En via de Nederlandse wet gaan we die praktijk netjes regelen.”

Louis M. Brown, plaatsvervangend gouverneur op het eiland, denkt niet dat de soep zo heet zal worden gegeten. Althans: dat wil hij overbrengen. „De Nederlandse wetten op het gebied van de moraliteit scheppen vooral mogelijkheden. Je hóeft daar geen gebruik van te maken. Oké, burgers mogen straks de hulp inroepen van een arts bij uitzichtloos lijden. Homoseksuelen mogen straks trouwen. Maar wie wil dat? Daar gaat het om.”

Brown vindt ook dat zijn eiland veel grotere problemen kent dan het morele verschil van mening met Nederland. „Ik maak me bijvoorbeeld eerder druk over de hogere uitkering die de bevolking straks krijgt. Kunnen die bedragen niet wekelijks, in plaats van maandelijks worden overgemaakt? Ik ben bang dat het geld anders opgaat aan drank en de loterij.”

Dat is niet bepaald een opmerking die Nederlanders van een bestuurder gewend zijn, maar Sint-Eustatius is dan ook geen doorsnee gemeente, al heeft het na 10 oktober die status. Het op één na kleinste Antilliaanse eiland van 21 vierkante kilometer heeft slechts 3400 inwoners, net zoveel als Vlagtwedde of Koudekerke.

Toch kan het absoluut niet met een Nederlands dorp worden vergeleken. Statia, zoals Sint-Eustatius door de overwegend Engelstalige bevolking wordt genoemd, bezit namelijk de tweede zeehaven van Nederland, heeft een eigen vliegveld, eigen energievoorziening, een ziekenhuis, douane- en politiekorps én voorziet in eigen onderwijs.

Verder ligt binnen de gemeentegrens een enorme olieterminal van het Amerikaanse bedrijf NuStar, dat de grootste private werkgever op het eiland is. Als Sint-Eustatius ín Nederland zou liggen, zou er direct een gemeentelijke herindeling volgen, maar dat kan hier moeilijk, met de Caribische Zee aan de ene en de Atlantische Oceaan aan de andere kant.

De geringe grootte en de geïsoleerde ligging vormen de basis van een groot aantal sociaal-maatschappelijke en financieel-economische problemen waarmee het armste eiland worstelt. De kwaliteit van het bestuur en de overheid in het algemeen, laat te wensen over, de overheidsfinanciën zijn niet op orde, en daardoor functioneert de publieke sector moeizaam. Samenwerking met andere eilanden komt niet van de grond door het altijd nog aanwezige ’insularisme’: de politiek is gericht op het eigen eiland en ziet de andere eilanden als rivalen.

„Maar eilanden als Sint-Eustatius hebben wel een enorm belang bij een groter verband, een grote schaal”, zegt Henk Kamp. „Sommige eilanden in het Caribisch gebied zijn daarom gericht op Groot-Brittannië, andere op de VS, en sommige op Nederland. Dat heeft de geschiedenis dan wel bepaald, maar de historische band is erg belangrijk, juist voor de toekomst van zulke eilanden.”

De Nederlandse overheid, die op de drie BES-eilanden zogenoemde Regionale Service Centra heeft ingericht van waaruit kwartiermakers en ondersteunende ambtenaren werken aan de opbouw van een nieuwe overheidsstructuur, probeert koste wat kost te voorkomen dat Bonaire door het kleinere Statia en Saba wordt gezien als als ’grote broer’. Juist de gevoelde bestuurlijke overheersing door Curaçao in het verleden heeft geleid tot het uiteenvallen van de Antillen, en zo’n traject moet nu absoluut worden vermeden. Alhoewel het merendeel van de ambtenaren wel degelijk op Bonaire is gevestigd en dit ook de thuisbasis van Henk Kamp is, wordt er driftig heen en weer gevlogen en kan via videoconference iedereen met iedereen overleggen.

Bij de opbouw van Sint-Eustatius investeert Nederland vooral in veiligheid, gezondheidszorg en onderwijs. De eerste twee sectoren zijn vooral gebaat bij nieuwe apparatuur en kwalitatief beter personeel. Op het gebied van onderwijs zijn de problemen groter, en zitten de oorzaken dieper, zegt Brenda van Putten. Pal naast het plaatselijke politiebureau houdt zij kantoor als leerplichtambtenaar. Eén keer per maand bezoekt ze alle scholen op het eiland. Ze heeft zojuist haar jaarverslag over 2010 afgerond, en maakt zich zorgen over het grote aantal drop-outs.

„Er zijn nu al 75 leerlingen van 16, 17 jaar die voortijdig de school hebben verlaten, terwijl ze nog wel leerplichtig zijn. Dat is meer dan vijftien procent van de schoolbevolking in die leeftijdsklasse.

Daarnaast vormen de tienerzwangerschappen in het onderwijs een groot probleem. Een meisje dat in verwachting is, wordt direct, of na de tweede keer, van school gestuurd. Ze mag niet meer terugkomen, omdat het bestuur van de enige middelbare school bang is voor kopieergedrag. Dat moge zo zijn, maar een school moet de leerplicht juist handhaven, in plaats van die te ondermijnen.”

Naast de onderliggende sociale problematiek van eenoudergezinnen, onderwijsachterstand van ouders, tienermoederschap, en drank- en drugsgebruik, kampt het onderwijs op Sint-Eustatius met vakinhoudelijke onvolkomenheden. Op de basisschool bijvoorbeeld wordt de eerste vier jaar in het Engels lesgegeven. In het tweede blok van vier jaar zouden leerlingen moeten kunnen kiezen tussen Engels en Nederlands, maar door gebrek aan Nederlandstalige leerkrachten (de meeste leraren komen van de naastgelegen Engelstalige eilanden St Kitts en Nevis) is dit onderwijs niet beschikbaar.

Pas in het voortgezet onderwijs komen leerlingen met het Nederlands als vreemde taal in aanraking. Dit hoewel zij dit thuis en onderling niet spreken, zij vooral op het Amerikaanse taalgebied zijn gericht en in toenemende mate weerstand tegen de taal van de voormalige kolonisator ontwikkelen. Aan het einde van de middelbare school krijgen de leerlingen plotseling wel een examen dat gebaseerd is op de Nederlandse eindexamennormen en ook deels in het Nederlands wordt afgenomen.

„Het gevolg is”, zegt Van Putten, „dat in wat jullie in Nederland het vmbo noemen, zestig procent van de kinderen zakt voor het examen. Vorig jaar kon een hele eindexamenklas niet door. En dan laat ik de schoolverlaters nog maar even buiten beschouwing.”

We kunnen deze generatie kinderen niet zo maar afschrijven, zegt Van Putten. „Sterker nog: we hebben deze generaties hard nodig bij de opbouw van ons eiland. Als we over de toekomst van Sint-Eustatius mijmeren, hebben we het wel over déze kinderen, die nu zonder diploma op straat hangen. Statia is een eiland zonder criminaliteit, wordt wel gezegd. En dat is ook nog zo. Maar deze kinderen zitten er gevaarlijk dicht tegenaan.”

Van Putten is in overleg met het Nederlandse ministerie van onderwijs, en pleit voor de introductie van volwassenenonderwijs op dit eiland. Dit zou de drop-outs kunnen opvangen, maar ook de tienermoeders een alternatief bieden voor het voortgezet onderwijs.

Bobby Berkel is gepensioneerd en begint op de slapen grijs kroeshaar te ontwikkelen. Hij was ooit specialist voor de plaatselijke GGD op het gebied van bestrijdingsmiddelen, maar nu bestiert hij een enorme moestuin op de zuidhelling van het eiland, vol met avocado’s, papaya’s en bananen – allemaal zonder deze met gif te bespuiten. Hij maakt zich niet zo druk over de bezwaren die Father Raffi heeft tegen de liberale Nederlandse wetgeving („Leven en laten leven”), en zijn kinderen hebben de middelbare school met succes afgerond – één heeft zelfs havo. Een van de voordelen van de Nederlandse bemoeienis met het eiland heeft hij al ondervonden. Na vijftig jaar is het Berkel gelukt iemand van de Belastingdienst te spreken. Die verscholen zich altijd op Sint Maarten, maar vorige maand is er een heuse belastinginspecteur op Sint-Eustatius opgedoken. Berkel maakte direct een afspraak.

Nee, Berkel heeft alleen zorgen over de Nederlandse regelzucht op het gebied van de ruimtelijke ordening. Aan de andere kant van de weg heeft hij een flinke lap grond die hij tien jaar geleden op de flanken met fruitbomen beplantte, zodat zijn kinderen als zij de grond erven in het midden hun woningen kunnen bouwen, met uitzicht op de oceaan.

„Maar nu is het eiland opeens ingedeeld in sectoren, en mag slechts op sommige locaties gebouwd worden. Ik weet niet onder welk regime mijn grond valt. Kijk, Sint-Eustatius kende helemaal geen bouwregels, en Nederland kent er te veel. Het zou mooi zijn om in het midden uit te komen, maar laten we vooral niet doorschieten. Op eigen grond moet ik een eigen huis kunnen bouwen.”

Dat valt nog te bezien. En wat voor Berkel geldt, is ook voor grote bedrijven van toepassing. Statia heeft niet voor niets zo’n grote zeehaven. Het eiland is aantrekkelijk voor zo’n grote jongen als NuStar, omdat het bestuur op het eiland zwak is, de belastingen laag zijn, en de milieuwetten amper worden gecontroleerd – als die er al zijn.

Ambtenaren van economische zaken en financiën en het ministerie van Vrom (milieu), zegt Henk Kamp, gaan het plaatselijke bestuur de komende tijd ’indringend adviseren’ hoe het met de oliegigant zou moeten omgaan, want dat contact blijft in principe in lokale handen. Maar net als pensionado Berkel, zal ook NuStar moeten voldoen aan de Nederlandse eisen op het gebied van ruimtelijke ordening en milieu.

Kamp blijft benadrukken dat 10 oktober niet de datum is waarop alle problemen op Sint-Eustatius zijn opgelost, maar dat de datum het begin kan zijn van een nieuwe aanpak. En dat die een samenwerking moet zijn tussen de centrale Nederlandse en de lokale Statiaanse overheden.

Grote culturele verschillen zullen daarin ongetwijfeld een rol blijven spelen. De Antilliaanse dichter Frank Martinus Arion omschreef deze eens als volgt: ’Waar de een aardappels ziet, ziet de ander funchie’ – met een verwijzing naar het Antilliaanse maïsgerecht.

Met andere woorden: afspraken zijn te maken, maar beide partijen zullen ze anders uitvoeren. Het eiland wil graag meewerken om het welvaartsniveau te verhogen, maar in hun ziel blijven de Statianen natuurlijk onafhankelijk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden