De ziel op de tong

Willems: 'Omdat ik geen professioneel zanger ben, kan ik overal ongeremd aan ruiken.' (FOTO MAARTJE GEELS)

Jeroen Willems prikkelt de zinnen met Monteverdi. „Als zingend performer ben je naakter dan als acteur.”

’Ik wil Monteverdi zingen, ik kán niet Monteverdi zingen. Als zoiets tegelijk door mijn hoofd spookt, moet ik daar iets mee. Monteverdi heeft aria’s geschreven die me zo raken. Daarbij wilde ik allang met de slagwerkgroep Track van Paul Koek werken. Dat kan niet, zei Paul Koek, dat is niet het instrumentarium van Monteverdi, maar we gaan het wel doen. Later stelde Koek voor André Amaro erbij te halen. Iets met koken erbij, zei hij, kijken of het kan.”

Inmiddels zingt acteur Jeroen Willems (1962) gloedvol Monteverdi in wat op papier een onmogelijke productie lijkt. Aria’s uit de ’Orfeo’, begeleid door een slagwerkgroep, terwijl theaterkok Amaro een driegangenmaaltijd kookt voor het publiek. „Eten en theater vind ik soms zo bedacht. In dit geval is het verbazend mooi. Misschien omdat het niet zwaar conceptueel is. De verschillende zintuigen tegelijkertijd prikkelen komt heel mooi samen nu.”

„Dat zorgt voor een energie die heel emotionerend is. Een prikkeling van de zinnen, zoals ook de mythische figuur Orpheus zelf die teweegbracht met zijn zang en lier, bij mens en dier, en zelfs de goden van de onderwereld ermee verleidde om zijn geliefde Euridice daaruit terug te mogen halen. Wat door zijn ongeduld niet lukte.”

„Die sfeer met die kleine Bourgondische kok die van koken theater maakt, inspireert me. Je komt niet op een leeg podium. Er is al wat gaande. Alsof je toneelcodes doorbreekt. Dat vind ik prettig: vanuit een heel andere spanning mensen meetrekken in zo’n verhaal, wat toch niet zo’n vrolijk verhaal is. En passant spelen de celliste Annie Tangberg en ik een beetje met de suggestie dat wij Orpheus en Euridice zouden kunnen zijn.”

Deze ’Orfeo’ is een uitgebreide afgeleide van wat ruim drie jaar geleden een eenmalig muzikaal avontuur leek in de Kleine Zaal van het Concertgebouw, maar wat Jeroen Willems beetpakte: „Monteverdi is zo sprankelend, zo modern met verrassend dissonante klanken. Dat dat toen, begin 17de eeuw al kon, denk je dan. We starten vanuit Monteverdi, volgen de muzikale lijn van het verhaal, maar hebben daardoorheen ook teksten geweven van verschillende dichters en schrijvers, die op het Orpheus-thema hebben gevarieerd. Dat zijn er nogal wat, van Ovidius tot Hans Warren.”

Bij theatergroep Hollandia (onder artistieke leiding van regisseur Johan Simons en musicus Paul Koek), waar Willems zijn carrière in 1988 begon en hij ruim vijftien jaar bleef voor hij ging freelancen, heeft hij „heel erg geleerd om te luisteren. We realiseren ons veel te weinig hoeveel we met onze oren kijken. Het effect van een tekst wordt bepaald door de kleur die je aan het woord geeft, niet alleen door de expressie van je gezicht. Toneelteksten benader ik daarom vaak technisch, als een soort partituur, inclusief pauzes, ritme en klanken. Als je die hebt gevonden, kun je de diepte weer in.”

„Ik heb altijd willen zingen. Bij ons thuis werd heel veel muziek gemaakt. Toen ik op de toneelschool voor het eerst een lied ging performen, merkte ik: dat is angstiger dan een tekst zeggen, je bent naakter. Maar als je daar doorheen bent, is het of je veel directer jezelf en je publiek kunt raken. Het heeft met adem te maken. Je ziel ligt eerder op je tong. Alsof je die met je adem direct vanuit het middenrif omhoog tilt.”

„Juist omdat ik geen professionele zanger ben geworden, kan ik ongeremd overal aan ruiken, Monteverdi doen, maar ook liedjes van David Bowie zingen in De Kleine Komedie. Dat geeft veel vrijheid, al wil ik nog wel les nemen voor een betere techniek. Reinbert de Leeuw waarschuwde me voor te veel klassieke lessen, om het ongepolijste van mijn stem niet te verpesten. Ook Louis Andriessen selecteert daar graag zijn zangers op. Maar bij het repetitieproces van Andriessens ’La Commedia’, voor de uitvoering in de Carnegie Hall in New York, merkte ik dat ik mijn stem niet in de hand had. Kon niet op halve kracht de verhouding met het orkest meten, zoals echte zangers doen. Ik ging juist harder en harder. Desastreus.”

Met het fluweel in zijn ogen en stem, dat zomaar een ondoorgrondelijke vileinheid kan vertonen, is Willems in zijn solobestaan een internationaal veelgevraagd acteur geworden. Met de Zwitserse regisseur Christoph Marthaler gaat hij in Bazel een opera doen, straks in maart (in München) de titelrol in Ivo van Hove’s toneelbewerking van Visconti’s ’Ludwig’ en aansluitend een zangrol bij Amsterdam Sinfonietta. Met de virtuose solo ’Twee stemmen’ reist hij al veertien jaar alle podia af, van Parijs tot Adelaide tot St. Petersburg. Meestal gecast in droefgeestige rollen, speelde hij pas (in de nieuwe speelfilm ’Quichotes Island’ van de Belgische regisseur Didier Volckaert) een ongeremd optimistische Don Quichote: „Heerlijk”.

De toneelprijs Louis d’Or in 2004 voor zijn spel in ’La musica twee’ en het veelgeprezen ’Brel, de zoete oorlog’ markeerde zowel Willems’ veelzijdigheid als het moment dat hij zijn vaste stek Hollandia verruilde voor een solobestaan: „Elke keer een nieuwe club binnenstappen dwingt je om open te staan voor andere invalshoeken en ideeën. Dat geeft erg veel nieuwe energie. Tegelijk dreigt soms het gevaar, dat je even je veilige dingetje komt doen. Daarin kan ik het klankbord van een vertrouwde groep soms erg missen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden