De ziel geeft haar geheimen niet zomaar prijs

Plato vergelijkt de ziel met een gevleugeld span paarden en zijn menner. (FOTO MUSEO ARCHEOLOGICO TARQUINIA)

Waarom hebben wij een ziel en wat is het precies? Filosoof en schrijver Gerard Visser probeerde de mythes rond het zielsbegrip te ontrafelen.

Wat raak je als je iemand op zijn ziel trapt? Wat toon je als je met je ziel bloot moet? Wat zien we als we zeggen dat onze ogen spiegels van de ziel zijn? Waar heb ik pijn als iets mij door de ziel snijdt?

In zijn essay ’Niets cadeau’, genomineerd voor de Socrates Wisselbeker voor het beste filosofische boek van 2009, breekt filosoof Gerard Visser een lans voor dat ouderwetse begrip ’ziel’. Sprekend over zijn essay, en over de ziel, benadrukt Visser dat hij niet voorstelt het zielsbegrip weer te introduceren in de psychologie en aanverwante disciplines. „Ik pleit voor een dusdanig respectvolle herbezinning op het leven, dat ’ziel’ op den duur in ons zelfbesef haar aloude zeggingskracht terugwint.”

Wat zei de ziel ons dan, vroeger, ooit?

„In de filosofie stond zij te boek als de oorsprong van het leven. Hoe kan vanuit een zaadje leven ontstaan? Het raadselachtige dat dit mogelijk maakt noemden de Griekse filosofen Plato en Aristoteles psuchè, ziel. De woordvelden van ’leven’ en ’ziel’ dekken elkaar ook vandaag de dag nog altijd verregaand: levend is synoniem met bezield, levenloos met ontzield of zielloos.

Plato zag ons leven als een reis van de ziel, een reis ter loutering. Ik ken zelf voor het leven, eerlijk gezegd, geen treffender beeld. In zijn dialoog ’Phaedrus’ beschrijft hij die reis. Hij vergelijkt de ziel daarin met een gevleugeld span paarden en zijn menner. Het ene paard is geneigd de ziel omhoog, het andere is geneigd haar omlaag te trekken. De menner dient beide in evenwicht te houden, teneinde op te kunnen klimmen naar het bovenhemelse oord van de oorsprong, het domein van het goede. Het woord ziel staat bij Plato dus niet alleen voor het raadsel van de oorsprong, maar ook voor dat van de bestemming van het leven.”

U spreekt steeds van ’raadsel’. Blijft de ziel voor u een raadsel?

„Ja, een stelling in mijn essay luidt dat de ziel in het Europese denken is gestorven aan de illusie van haar kenbaarheid. Iets eenvoudiger gezegd: de ziel is te gronde gegaan doordat wij menen haar te kunnen doorgronden. Plato kent nog een spirituele terughoudendheid. Niet voor niets bedenkt hij een mythisch beeld voor de ziel. Maar wel bestaat dat al uit een optelsom van twee paarden en een menner. In die geest van onderscheiding werkt zijn leerling Aristoteles verder. Hij definieert de ziel als het vormgevende beginsel van het lichaam. De ziel is als het ware de ambachtsman die de stof van het lichaam vormgeeft. Maar ze doet dit in een verscheidenheid aan vermogens, die we herkennen in hun organische verbinding met ons lichaam: het voedingsvermogen, het waarnemingsvermogen enzovoort.”

De ziel als het vormgevende beginsel zit voor Aristoteles dus in deze vermogens, die je aan ons organisme kunt bestuderen?

„Hier zie ik inderdaad de bron van het huidige naturalisme, dat geen behoefte meer heeft aan de hypothese van een ziel. Datgene wat mij bijeenhoudt is niet mijn ziel, maar mijn organisme. Zelfs het voor ons hoogste zielsvermogen, het denken, zijn we vandaag de dag geneigd te vereenzelvigen met het orgaan van de hersenen, dat in neurobiologisch en cognitief psychologisch onderzoek zijn geheimen prijsgeeft.”

Zoals God bij elke ontdekking van een volgend sterrenstelsel verder achter de horizon verdween, zo is de ziel door alle fysiologische ontdekkingen uit het lichaam verdreven.

„Zo zou je dat kunnen zeggen. Voor voeling met het raadsel van de ziel volstaat niet meer de vraag naar de bron van het leven, zoals dit bij de Grieken het geval was. Daar staat de moderne wetenschap met haar successen tussen. Maar opmerkelijk genoeg hebben die successen het woord ’ziel’ niet uit de omgangstaal weten te verdrijven. Deels wel natuurlijk, spraken we vroeger over zielsaandoeningen, tegenwoordig hebben we het over emoties. Maar anders is het met een uitdrukking als: ’Nu heb je me op mijn ziel getrapt’. Daar hebben we geen volwaardig equivalent voor.”

Wat concludeert u daaruit?

„De omgangstaal bewaart het woord ’ziel’ simpelweg omdat wij er niet zonder kunnen.”

Maar wáár kunnen we dan niet zonder?

„We kunnen tegenwoordig schrikreacties in de hersenen zichtbaar maken op een computer. Maar als we op ons computerscherm zo’n reactie zien oplichten, hebben we nog geen angst of vrees in beeld gebracht. Vrees of angst zie je niet, die voel je alleen. Om te weten wat vrees of angst behelst, blijf je daar absoluut op aangewezen. Voelen behoort tot het domein van het onzichtbare. Maar dat geldt al helemaal voor wat het woord ziel beduidt in uitdrukkingen als ’op iemands ziel trappen’, ’je ziel verkopen’ of ’met je ziel bloot moeten’.”

De ziel is een gevoel?

„Nee, dat kun je niet zeggen: de ziel is dit of is dat. Het punt is dat het meest wezenlijke in het leven niet valt te objectiveren of te substantiveren. Als men mij vraagt naar een definitie van de ziel, antwoord ik graag met een citaat van de Griekse filosoof Heraclitus, die in de zesde eeuw voor Christus zei: ’Van de ziel zul je de grenzen op je speurtocht niet vinden, al bewandel je elke weg: zo een diepe samenhang heeft zij’.

Hoewel ik de ziel dus niet kan definiëren, kan ik wel zeggen: het woord ’ziel’ handhaaft zich op die terreinen die we sinds het werk van de Deense filosoof Sören Kierkegaard aanduiden met het existentiële. Voeling met het zielsfenomeen keert terug bij moderne dichters en filosofen, en wel in het kader van het vraagstuk van het zelf, het raadsel van de eigen individuele existentie. Deze bezinning kenmerkt zich door eenzelfde spirituele terughoudendheid zoals je die bij Heraclitus en eigenlijk ook nog bij Plato vindt.

Een voorbeeld is de Poolse Nobelprijswinnares Wislawa Szymborska, die in het gedicht ’Niets cadeau’ de ziel expliciet noemt. Het gedicht leest verraderlijk gemakkelijk. Het zegt dat we alles waar we uit bestaan in het leven te leen hebben gekregen. Ons hart, onze lever, onze vingers, we mogen er een tijdje mee leven, maar ze moeten allemaal weer terug. We hebben een contract getekend, staan op de een of andere manier in het krijt. En het ziet er naar uit dat we aan het einde van het leven met lege handen blijven zitten. Dan sluit de dichteres af met een raadselachtige strofe:

Het protest ertegen

noemen we de ziel.

En dat is het enige

wat niet op de lijst staat.

De ziel, zo lijkt Szymborksa hier met de laatste twee regels te suggereren, is het enige dat we niet te leen hebben, de ziel hebben we cadeau gekregen.”

Dat spoort toch niet met de titel van het gedicht? Die zegt dat we niets cadeau hebben gekregen.

„De slotstrofe kun je op heel verschillende manieren interpreteren. Het woord ziel belichaamt het protest dat wij aantekenen tegen de omstandigheid dat wij niets, geen vermogen cadeau hebben gekregen.

Wanneer je de strofe zo leest, doet het protest van de ziel denken aan de opvatting van de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche. Hij schrijft ergens: ’Van het christendom uit zijn wij aan het bijgelovige begrip ’ziel’ gewend, aan de ’onsterfelijke’ ziel, aan de zielsnomade.’ Een onsterfelijke ziel en een hiernamaals zijn volgens Nietzsche het product van wraakzucht tegen de vergankelijkheid van het leven.

Maar er is ook nog een alternatieve lezing van deze laatste strofe mogelijk. Het gedicht heeft als titel ’Niets cadeau’. Dit kan betekenen dat wij niets cadeau krijgen, dat alles moet worden terugbetaald en wij leeg achterblijven. Maar het kan ook betekenen dat wij één ding niet hoeven terug te betalen, iets dat zich moet voordoen als een niets, omdat het helemaal geen ding en ook geen iets is. Niets cadeau – gecombineerd met de slotregels zou dit kunnen betekenen dat we het niets van de ziel cadeau krijgen.”

Lekker cadeau.

„Dat zou je denken, ja. Toch wordt in het oudste Indische denken en in het Chinese taoïsme de grootste macht in het leven toegekend aan het niets of de leegte. In onze cultuur vind je dit bij de mysticus Meister Eckhart, die een leeg gemoed het grootste geschenk van God aan de mens genoemd heeft. Wij krijgen daar heel geleidelijk weer voeling mee. Neem de aandacht die Kierkegaard en de Duitse filosoof Martin Heidegger hebben gevestigd op de aard van de aanwezigheid van de dood in het leven. Het niets van de dood laat zich niet registreren. Toch dank ik volgens deze denkers pas aan het besef van mijn sterfelijkheid de bereidheid en de kracht, zoals het in het gedicht heet, ’mijn leven voor mijn leven’ te geven.”

De mogelijkheid om jezelf te zijn, jezelf te worden, is dus afhankelijk van fenomenen die je niet ziet en ook nooit in beeld krijgt?

„Dat geldt inderdaad bij uitstek voor de existentiële dimensie van ons bestaan. Zo heeft Nietzsche, als het om de vraag gaat wat mij ertoe beweegt mijn leven voor mijn leven te geven, het zwaartepunt niet bij de dood maar bij de geboorte gelegd. Hoewel hij niet geloofde in een onsterfelijke ziel, hield Nietzsche vast aan het woord ziel. Omdat hij dit nog steeds het beste woord vond voor het ondoorgrondelijk unieke van iemands verlangen, van zijn of haar roeping in het leven. We zeggen niet: iemand op zijn zelf trappen. Bij de intieme worsteling waar elk leven uit bestaat, past alleen het woord ziel.”

Maar die worsteling is toch geen cadeau?

„Wie zal het zeggen. Het gaat ook hier in elk geval om iets dat op geen enkele lijst staat en daarom het niets, een innerlijke leegte nodig heeft, om het te kunnen beamen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden