De Zegge, geredde natuur in de Antwerpse Kempen

De Zegge is niet zonder meer toegankelijk. Hoe dan wel, kan men vragen bij Marcel Verbruggen (tel. 00.32 33831557), bij Bert Veris (00.32 14850468) en de Antwerpse Zoo (00.32 32024540).

HENK VAN HALM

We zijn in De Zegge bij het Belgische stadje Geel in de Antwerpse Kempen, een reservaat van 100 hectaren in het dal van de Kleine Nete. Een kleinschalig, van oorsprong boerenlandschap, vol dammetjes en dijkjes, met hooilandjes, hakhoutbosjes, watergaten en moerassen, waar vroeger turf werd gestoken en moerasijzererts werd gedolven. De rest van het ongeveer 500 ha grote Geels Gebroekt is door grootschalige ruilverkaveling voor de natuur verloren gegaan. De Koninklijke maatschappij voor dierkunde Antwerpen had toen gelukkig al een flink deel van De Zegge als reservaat in handen en kon dat nog aanzienlijk uitbreiden.

“Het was de enige manier om nog wat te kunnen redden. In België is de landbouw oppermachtig”, zegt natuurcineast Marcel Verbruggen (70), nu al vijfendertig jaar conservator van een van de oudste natuurreservaten van Vlaanderen.

Dat veldje met het klimopklokje is ontstaan nadat de teellaag tot het zwarte veen was afgegraven. Het ontwikkelde zich tot een botanisch juweeltje. Overal komen jonge koningsvarens op, waarvan we al indrukwekkende exemplaren op onze wandeling erheen hebben gezien.

Er lopen geen paden door het veldje. Toch mogen we erop. Het klimopklokje blijkt een uiterst teer kruipend plantje met minuscule klimopblaadjes. De lichtblauwe rechtopstaande bloempjes verschijnen helaas wat later in de zomer. Tot 1959 groeide het met nog meer zeldzaamheden in een postzegelgroot reservaatje in de Achterhoek, dat het niet kon bolwerken tegen de struikopslag en de volledige ontginning en ontwatering van het omringende land.

“Geeft het niet dat we overal op trappen?” vraagt iemand.

“Een beetje betreding is helemaal niet slecht voor die kleine plantjes,” zegt Marcel. Hij wijst op de twee soorten zonnedauw, die veel plekken rossig kleuren met hun rozetjes van als met dauw beparelde, rode lepelblaadjes. Bij de kleine zonnedauw zijn die lepelblaadjes langovaal, bij de ronde zonnedauw cirkelrond en bij beide langgesteeld. Bij het regenweer houden ze hun witte bloempjes stijf gesloten.

Struikhei is er nog laag en overal zie je de goudgele kruisjes van de tormentil, een kruipend lid van de rozenfamilie. Dophei vertoont zijn eerste oudroze tonnetjes. Gewone veldbies, geel bloeiende stekelbrem en rossig gekleurde schapezuring behoren tot de gewone soorten van afgeplagde heide. Maar de moeraswolfsklauw, heldergroene hakig beschubde koorden die zich over de naakte veengrond tussen zonnedauwrozetjes en jonge heideplantjes kronkelen, is in ons land een rode-lijstsoort, zoals alle andere wolfsklauwen. Een pietepeuterige vertegenwoordiger van een plantengroep die zijn glorietijd beleefde in de steenkoolwouden van het Carboon, zo'n 340 miljoen jaar geleden, een tijd waarin de eerste dieren zich op het land waagden. Je kunt je heel goed voorstellen dat zulke nederige kruipers als de moeraswolfsklauw in een vroeg stadium van de ontwikkeling van het leven de maagdelijke bodem van de aarde veroverden. Bloemen heeft dit sporenplantje niet. Sporen worden gevormd in een sporendoosje aan de voet van de stekelpuntige bladeren, die als een aar loodrecht omhoog groeien.

Verbruggen: “Dit stuk wordt heel zorgvuldig beheerd. Te kleinschalig eigenlijk. Het lijkt meer op tuinieren, wat we hier doen. Maar alleen op die manier kunnen we het klimopklokje behouden.”

Dit staat in grove tegenstelling tot andere delen van De Zegge: de helft wordt aan zichzelf overgelaten en groeit dicht als elzenbroek of wilgenbos. Verbruggen zegt dat er plekken zijn waar hij in geen tien jaar is geweest. Sinds kort worden sommige delen begraasd door koniks, de kleine Poolse paarden, die ook in menig Nederlands natuurgebied het beheer voor hun rekening nemen.

Over smalle paden lopen we door een bos van schiet-, geoorde en grauwe wilgen met veel vlieren en als ondergroei grote brandnetel, bitterzoet, zevenblad, hondsdraf en een enkele plant van de akkerkool. Het elzenbroek is boeiender. Op de droogste delen vind je zomereiken en sporkehout; zachte berken en zwarte elzen staan nogal eens met de voet in het water. Er bloeit wilde kamperfoelie met zoet geurende, bleekgele trompetbloemen in kransen. Bochtige smele heeft ragfijne pluimen onder de eiken, zachte duizendknoop vormt een bladertapijt op het vochtige paadje. Brede stekelvarens en een enkele wijfjesvaren spreiden er hun veren over de veenbodem. Op een open plekje bloeit roze de dagkoekoeksbloem.

“Er zijn hier 287 plantesoorten gevonden,” zegt Verbruggen. “Vooral plantesoorten van veengrond.” We zien er direct al veel in de prachtige hooilandjes, die nu geel zien van scherpe boterbloemen, moerasrolklaver en grote ratelaar, roestrood van de veldzuring en hier en daar roze van de echte koekoeksbloemen. De blauwe knoop opent net zijn eerste donker hemelsblauwe hoofdjes en tot aan het paadje staan de slanke lichtpaarse trossen van fraai getekende gevlekte orchissen. Heel natte plekken zien wit van het veenpluis en in een oud veengat bloeit de slangewortel met witte aronskelkbloemen.

Die veenplanten moeten De Zegge delen met de uiterst gewone ruigtesoorten langs de paden en op de dijkjes: distels, hennepnetel, paardebloemen, kweek, straatgras, vogelmuur, perzikkruid en grote grassen zoals ijle dravik, rietgras en hennegras.

Met gele leeuwebekjes bloeit groot blaasjeskruid in een watertje vol beekpunge, drijvend fonteinkruid en groene pruiken van naaldwaterbies. De grote witte bloemen van stijve waterranonkel bespikkelen een ander plasje. De handvormig samengestelde bladeren van wateraardbei en de roze bloemtrossen van waterviolier steken uit boven het roestkleurige water.

“Die roestkleur geeft aan dat het water uit de diepe ondergrond komt. De Zegge heeft een eigen waterhuishouding. Het waterpeil wordt geregeld met elektrische pompen, die het grondwater omhoog halen. Riet- en lisdoddevelden helpen het binnenkomende oppervlaktewater te zuiveren. Het water is zo schoon dat in De Zegge 35 soorten libellen voorkomen. Er is maar een plek in België waar nog twee soorten meer voorkomen.”

Aan dieren ontbreekt het niet in het reservaat. Opmerkelijke broedvogels zijn wespendief, havik, zwarte specht en ijsvogel. Je krijgt ze niet zo snel te zien. Wel zangvogels als tuinfluiter, zwartkop, fitis, tjiftjaf, roodborst en blauwborst. Boerenzwaluwen jagen over het water van een petgat, waar gele plompen drijven. Er leven naar schatting tweehonderd ringslangen, in Vlaanderen verder praktisch ontbrekend, maar hier opnieuw ingevoerd. Verbruggen wijst ons een burcht van een vossenfamilie, paadjes van reeën, gangen van muskusratten.

Natuur deze week

In de tuinen en verwilderd in sommige bossen bloeit de reuzebereklauw, die oorspronkelijk uit Klein-Azië komt. Op de grote platte schermen komen vooral honingbijen. - In de rietlanden zijn moerasspirea en harig wilgenroosje in bloei gekomen. De eerste wordt om het overvloedige stuifmeel vooral door vliegen bezocht, het wilgenroosje moet het hebben van vlinders en met name witjes. - Langs bospaden valt de hengel op, een parasiet op grassen met langgerekte leeuwebekachtige gele bloemen. - De veenmol is een krekel, die als een mol gangen in de grond graaft. Hij voedt zich met worteltjes van allerlei gewassen, maar eet ook allerlei insecten. Op warme zomeravonden sjirpt het mannetje heel luid in de ingang van zijn hol. - Aan plassen met veel riet is de oeverlibel een algemene verschijning. Deze grote libel is te herkennen aan zijn blauwe achterlijf, dat niet zo uitzonderlijk breed is als dat van de blauwe platbuik, die minder vaak voorkomt. - De zwarte, wit gestippelde rupsen van de dagpauwogen zijn volgroeid en verpoppen zich nu aan de stengels, die ze hebben overgelaten van de brandnetels. - Op de roodpaarse hoofdjes van akkerdistels wemelt het soms van de vlinders: pistooltjes of gamma-uilen, bruine zandoogjes, atalanta's, distelvlinders, grote koolwitjes, knollenwitjes, kleine geaderde witjes, de nieuwe generatie citroenvlinders, icarusblauwtjes en boomblauwtjes. Bijzonder mooi zijn de zilverwitte vedermotten die door de zomernacht zweven, vaak op verlichte ramen landen en eveneens de akkerdistels bezoeken. - Op zwoele avonden komen door open ramen allerlei spannertjes naar binnen vliegen. De grote en de kleine zomervlinder zijn beide matgroen en verschillen voornamelijk in grootte. De gerande spanner is wit met markante zwarte vlekken langs de vleugelranden. De goudspanner is okerkleurig met fijne bruine lijntjes en een goudachtige glans over de vleugels. Ook de bonte bessenvlinder of harlekijn en de er veel op lijkende porseleinvlinder zijn spanners. Overdag zijn die rustend op allerlei planten te vinden, 's avonds vliegen ze wat traag en stuntelig rond. - Na zonsondergang houden de houtsnippen hun baltsvluchten boven open plekken in het bos en langs bosranden. Tijdens hun vlucht ter hoogte van de boomkruinen volgen ze een vaste route langs de grens van hun territorium en laten ze een schel ''ptiets'' en soms een zacht snorrend ''wrrr--wrrr...'' horen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden