De WRR daagt het liberalisme uit

’Ik sta alleen, geen God of maatschappij die mijn bestaan betrekt in een bezield verband’. Aan deze regels van de dichter Marsman moest ik denken toen ik kennis nam van de bundel van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), ’Geloven in het publieke domein’.

In een van de belangrijkste bijdragen wordt namelijk een bevolkingscategorie beschreven, bijna eenvijfde van de bevolking, die het Marsman kan nazeggen, echter niet als een wanhoopskreet maar met voldoening. Ze geloven letterlijk aan God noch gebod, ze denken negatief over politiek en overheid, ze missen elk besef van maatschappelijke solidariteit en ze zijn intolerant. De auteurs, Gerrit Kronjee en Martijn Lampert, laten zelfs de harde term ’nihilisme’ vallen.

De auteurs laten het niet bij analyse. Overeenkomstig de teneur van de meeste bijdragen aan deze volumineuze bundel (500 bladzijden) geven ze een oordeel over hun feitelijke bevindingen. In dit geval wordt de overheid gewaarschuwd voor mogelijke politieke risico’s die deze categorie met zich meedraagt, zoals populisme. Zelfs schuwt men de vergelijking niet met de Duitsers die destijds, ook ontworteld, vatbaar waren voor het nazisme.

Het komt niet als een verrassing als in deze bijdrage en meerdere andere gesproken wordt over het cruciale belang voor de samenleving van goed burgerschap en gemeenschapszin. De mensen leven te veel langs elkaar heen, is de algemene klacht, ze zijn te individualistisch en in hun consumentengedrag bovendien hedonistisch. Ze missen, zou je in het bekende jargon zeggen, de juiste normen en waarden.

Het is niet de eerste keer dat de WRR aan deze problematiek aandacht besteedt. Ruim drie jaar geleden kwam de Raad met het zeer gedegen rapport ’Waarden, normen en de last van het gedrag’. Ook daar ging het uitvoerig over normoverschrijdend gedrag, individualisering en maatschappelijke fragmentering, en ook toen kwamen heilzame noties zoals gemeenschapsbesef en burgerzin aan de orde. Sterker nog: in dat rapport werd uitdrukkelijk verwezen naar een oudere WRR-bundel met studies over burgerschap, destijds – in 1992 – een populair onderwerp in beleidswetenschappelijke kring. Zich als een verantwoord burger leren gedragen werd gezien als een probaat middel om de pluriforme samenleving geciviliseerder en vreedzamer te maken.

Met ’Geloven in het publieke domein’ lijkt de WRR dus aan een herhaling van zetten te doen, maar dat is bepaald onjuist. Geheel nieuw is de centrale plaats van religie als pacificerende maatschappelijke kracht en als bron van – ik kan het niet helpen – normen en burgerschap. Het ’geloven’ in de titel moet letterlijk worden genomen, als het geloof in een transcendente (bovenzinnelijke) werkelijkheid, al dan niet religieus en/of kerkelijk gespecificeerd. Onder de auteurs treffen we dan ook meerdere godsdienstwetenschappers en theologen aan.

Hier is een uitroepteken op zijn plaats. Het is bij mijn weten voor het eerst sinds de oprichting in 1972 dat de WRR godsdienst zo expliciet als politiek en maatschappelijk verschijnsel aan de orde stelt. Er zijn de afgelopen jaren wel studies over de islam verschenen maar wat nu wordt geboden is van een heel ander kaliber en de strekking is uitgesproken pro-religie.

Ik aarzel niet die strekking pikant te noemen. De laatste jaren is er met betrekking tot de rol van religie in het publieke domein nu juist verhoogde waakzaamheid afgekondigd. Vooral van liberale zijde wordt argwanend gereageerd op politiek onaanvaardbaar geachte uitingen van moslims, in woord en geschrift. De afkeer van moslimscholen is zelfs zo groot dat gepoogd is de gelijkstelling van het bijzonder onderwijs in het algemeen weer ter discussie te stellen. Onder verwijzing naar Frankrijk wordt een ruim niemandsland tussen kerk en staat bepleit.

De WRR tilt de discussie echter naar een veel hoger niveau. De Raad schiet zijn recente publicatie ver over deze concrete kwesties heen door de morele en maatschappelijke functies van religie in het algemeen onder de aandacht te brengen en daar bovendien heel positief over te oordelen. Op zijn Jobsiaans: om de boel bij elkaar te houden is bindende zingeving nodig en daarin zijn godsdiensten als het ware gespecialiseerd. Maak er als overheid dus gebruik van. Het moet als vloeken in de liberale kerk klinken van WRR-voorzitter professor Wim van de Donk te moeten vernemen dat de hang naar individualisme, de notie van eigen verantwoordelijkheid en de persoonlijke autonomie tegenwoordig te ver zijn opgerekt.

Werkelijk provocerend is de argeloze opmerking achter op de bundel dat de overheid ’zich in kwesties van religie en publiek domein tot op heden vooral moet verlaten op het principe van de scheiding van kerk en staat’ (onze cursivering). Met daarna meteen: ’Als normatief principe zal dat niet gauw ter discussie worden gesteld, maar’ – en dan prijst de WRR zijn eigen onderzoek aan.

Het blijft nu nog bij verkenningen. In het eigenlijke rapport zal de WRR concreter moeten worden. Gezien de reacties gaat de Raad boeiende tijden tegemoet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden