Review

De wreker van de Holocaust

Wiesenthal was de belangrijkste man van de ’guerrillastrijders tegen het vergeten’. Hij kon lastig zijn tot en met, maar hij was ook beslist een ’groot en moedig man’.

Simon Wiesenthal was net een dag bevrijd uit het Oostenrijkse concentratiekamp Mauthausen, toen hij de Amerikaanse commandant een lijst overhandigde met de namen van 150 oorlogsmisdadigers. Soms waren de namen verkeerd gespeld, een andere keer klopte de rang niet of waren tijd en plaats waar ze hun beulswerk hadden gepleegd door elkaar gehaald, maar dat was van ondergeschikt belang. Hoofdzaak was dat de Amerikaanse bevrijder wist wie hij moest zoeken.

Bij nader inzien heeft de lijst nog een andere, symbolische betekenis. Het was de eerste keer dat de taak die Wiesenthal zich voor de rest van zijn leven had gesteld, zwart op wit was vastgelegd. Het was ook de eerste stap in de inlossing van een gelofte die hij had gedaan toen hij zag hoe een meisje door nazi’s werd weggevoerd. De slachtoffers van de Holocaust zouden nooit worden vergeten en hun moordenaars zouden tot hun laatste snik worden vervolgd.

Het zou hem tot een van de meest bewonderde en verguisde figuren van zijn tijd maken.

De Israëlische historicus en journalist Tom Segev heeft met ’De nazi-jager’ dit leven nu voorzien van de passende biografie. Er zijn al eerder biografieën over ’het geweten van de Holocaust’ verschenen en Wiesenthal zelf heeft een autobiografie op zijn naam staan, ’De moordenaars zijn onder ons’, maar Segev heeft vermoedelijk het laatste woord. Hij heeft inzage gehad in Wiesenthals correspondentie en andere documenten, in archieven gespit en tijdgenoten geïnterviewd. Dat graafwerk leverde een met veel fanfare gepresenteerd onthulling op: Wiesenthal had ook voor de Israëlische inlichtingendienst de Mossad gewerkt. Voor wie ook maar een beetje op de hoogte is van Wiesenthals activiteiten zou het pas echt nieuws zijn geweest als Segev onomstotelijk had vastgesteld dat Wiesenthal níét in dienst was geweest van de Mossad. De ’onthulling’ is niet meer dan een overbodige pr-stunt.

Het leven van Simon Wiesenthal (1908–2005) is zo fascinerend, dat zelfs de houterige verteltrant van zijn biograaf geen onoverkomelijk obstakel is.

Het is nu nauwelijks voorstelbaar, maar vijftig jaar geleden was nauwelijks iemand geïnteresseerd in de Holocaust. In de landen van de daders, Duitsland en Oostenrijk, waren ze te druk met de wederopbouw. Israël vocht voor het naakte overleven en in de Verenigde Staten vond zelfs de grote Joodse gemeenschap de toekomst belangrijker dan de tragedie van gisteren. Ook de overlevenden spraken zelden over hun lotgevallen. Er waren maar weinig mensen die de herinnering aan ’40-’45 wakker wilden houden. Ze waren guerrillastrijders tegen het vergeten.

Wiesenthal was de belangrijkste van hen. Hij had zijn eenmanscampagne in het begin vooral gericht op het opsporen van Adolf Eichmann. Eichmann was een van de belangrijkste handlangers van SS-chef Heinrich Himmler, de architect van de Holocaust. Wiesenthal wist al sinds het begin van de jaren vijftig dat Eichmann onder een schuilnaam in Argentinië leefde. Hij seinde de Duitse en Israëlische autoriteiten in. Maar tot zijn grote frustratie duurde het nog zeven jaar voordat Eichmann in een spectaculaire actie door Israëlische geheimagenten werd ontvoerd en naar Israël gebracht.

Hij werd een jaar later ter dood veroordeeld. Eichmanns proces is een van de keerpunten in de geschiedschrijving van de Jodenvervolging. Tot dat moment was het voornamelijk de obsessie van een paar hardnekkige speurders. Raul Hilberg, de eerste belangrijke historicus van de Holocaust, had moeite om een uitgever te vinden voor wat nu algemeen erkend wordt als een van de grote standaardwerken. Sindsdien is het onderzoek naar de Holocaust uitgegroeid tot een volwaardige tak van de geschiedschrijving en, minstens zo belangrijk, doorgedrongen tot het bewustzijn van het grote publiek.

De betekenis van Wiesenthal daarin valt niet te overschatten. Zijn daadwerkelijke aandeel in de arrestatie van Eichmann was te verwaarlozen. Hij was de tipgever die jarenlang werd genegeerd. Maar juist dat feit maakte hem tot een held. En hij buitte die rol bekwaam uit. Soms ter meerdere glorie van zichzelf, maar meestal voor de goede zaak. Hij werd een erkende autoriteit, de nazi-jager met groot moreel gezag.

Zijn kantoor in Wenen, waar behalve hijzelf en zijn secretaresse hooguit enkele vrijwilligers klusten, werd mede dankzij het behendig bespelen van de publiciteit het zenuwcentrum van de wereldwijde jacht op voortvluchtige nazi’s. Er was nauwelijks een buitenlandse journalist die op bezoek in Wenen niet bij Wiesenthal langs ging.

Het ironische is dat Wiesenthal weinige opzienbarende successen heeft geboekt. Ook Segev weet geen exacte getallen te noemen van nazi’s die dankzij Wiesenthal gearresteerd en veroordeeld zijn. Dat lag voor een deel aan de laksheid van de rechtelijke instanties, maar het kwam ook doordat Wiesenthal regelmatig op het verkeerde spoor zat. Zo was Josef Mengele, de beruchte kamparts van Auschwitz, in 1979 in Brazilië verdronken, maar Wiesenthal bleef nog jarenlang geloven dat hij in leven was. Van de grote vissen zwom alleen Franz Stangl, de commandant van het vernietigingskamp Treblinka, in een door Wiesenthal opgezette fuik.

Wiesenthals groeiende schare buitenlandse fans riep in Oostenrijk een net zo snel groeiend leger tegenkrachten op. Anders dan Duitsland had Oostenrijk zich niet gewaagd aan een nationaal gewetensonderzoek. Het land zag zichzelf als het eerste slachtoffer van de nazi’s. Dat was een mythe die van hoog tot laag, van links tot rechts, uit alle macht in stand werd gehouden. Het lidmaatschap van de NSDAP was maatschappelijk geen schandvlek en politiek geen onoverkomelijke handicap.

De sociaal-democratische en Joodse kanselier Bruno Kreisky had ministers met een naziverleden in zijn regering. In dat nog steeds door antisemitisme verziekte klimaat was Wiesenthal een wandelende aanklacht. Als hij weer eens een gezagsdrager aan de schandpaal had genageld, kon hij de volgende dag de doodsbedreigingen uit de brievenbus halen.

Niettemin was Wiesenthal vastbesloten in Oostenrijk te blijven. Zijn eigen verklaring was dat hij ondanks alles Oostenrijker was, zich er thuis voelde en het land wilde zuiveren van zijn nationaal-socialistische smetten. Wat ook meespeelde was dat hij in de loop der jaren verstrikt was geraakt in de politieke intriges in Wenen. Wiesenthal was een conservatief en leefde permanent op voet van oorlog met de sociaal-democraten die hij beschuldigde van anti-Israëlische sentimenten. Hij werd de bête noire van Kreisky die, aldus een Israëlische diplomaat, begon te schuimbekken zodra de naam van Wiesenthal viel.

De vete met Kreisky bereikte een dieptepunt toen de kanselier Wiesenthal beschuldigde van collaboratie met de nazi’s. Dat was niet waar en kon dus niet worden bewezen, maar het klimaat werd er zo mogelijk nog meer door vergiftigd. Op zijn beurt liet Wiesenthal zich evenmin onbetuigd. In de volgende grote affaire, rond de oud-secretaris-generaal van de VN, Kurt Waldheim, zat hij finaal fout. Waldheim wilde president van Oostenrijk worden, maar bleek zijn oorlogsverleden te hebben verzwegen. Wiesenthal wist dit, maar zweeg. Pas toen Waldheim zichzelf internationaal volledig onmogelijk had gemaakt en op de zwarte lijst van de VS kwam, trok Wiesenthal zijn handen van hem af. Zijn optreden in de Waldheim-affaire kostte hem ten slotte de Nobelprijs voor de Vrede.

Zoals nagenoeg elk mens was Wiesenthal een vat vol tegenstrijdigheden en Segev noteert ze nauwgezet. Hij was een prima donna, die geen andere prima donna’s in zijn nabijheid duldde. Hij overdreef zijn belevenissen in de concentratiekampen en Wahrheit und Dichting liepen bij hem vaak door elkaar. Hij kon ruzie schoppen om de kleinste onbenulligheden. Hij hield er merkwaardige vriendschappen op na, zoals met Hitlers kroonprins Albert Speer, die wegens oorlogsmisdaden tot twintig jaar was veroordeeld. Maar hij was een groot en moedig man, zegt Segev.

Hij verwierp noties als collectieve schuld en hield vol overtuiging vast aan het principe van individuele verantwoordelijkheid. En hij zag de Holocaust niet uitsluitend als een Joodse tragedie, maar erkende dat de Sinti en Roma, gehandicapten en homo’s slachtoffer waren van dezelfde moorddadige waanzin.

Uiteindelijk kreeg hij zelfs in Oostenrijk erkenning. Kort voor zijn dood werd hem het Grote Gouden Kruis van Eer toegekend.

Niet veel later kreeg een voetbalbons een hogere onderscheiding.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden