De wrange ironie van de aangepaste vreemdeling

Ger Groot is bijzonder hoogleraar filosofie en literatuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen en columnist van deze krant.

Alles is ingewikkeld voor een vreemdeling. Taal, gewoonten, plichten, heg en steg: voor wie niet vertrouwd is met de plek waarop hij zich bevindt, brengt elke stap nieuwe moeilijkheden met zich mee en wordt elke onzekerheid een valkuil. Omdat overal gevaren kunnen loeren, moet hij zich erop instellen dát er ook overal gevaar loert. Schichtig gaat hij door het leven, op zijn hoede voor het onheil dat zich ieder moment kan aandienen.

Is het werkelijk zo erg? Laten wij te rade gaan onze eigen vakantieherinneringen. Aankomst op een onbekend vliegveld: waar is de uitgang en waar vinden wij onze bagage terug? Vinden we die nog wel terug in dit oord, dat ongetwijfeld een boevenland zal zijn? Is onze handbagage er nog? Eén, twee, drie handtassen, gelukkig allemaal zonder openstaande ritsen. Wat wil nu die douanebeambte weer, mompelend in zijn onverstaanbare taal? En hoe komen wij, eenmaal buiten, aan een taxi die ons niet onmiddellijk een poot uitdraait? Ach, waarom zijn we niet opnieuw naar Bergen aan Zee gegaan...?

Dat zijn allemaal nogal frivole besognes wanneer het zwaarbeladen thema van het vreemdelingschap op de agenda staat. Maar voor de meesten van ons zal de buitenlandse vakantie de enige ervaring daarvan vormen. Dat is ongetwijfeld een vreemdelingschap-light. Gedurende die drie, vier weken zijn we geprivilegieerden. Het gastland hoopt aan ons te verdienen en heeft baat bij vriendelijkheid. En wanneer het onverhoopt mis mocht lopen, staan reisverzekering en kredietkaart garant voor een snelle repatriëring.

Maar ook dan ontkomt niemand aan momenten van desoriëntatie en onbehaaglijkheid. Als dat er met de toeristische luxe-vreemdeling al zo voorstaat, hoe moet het dan wel niet met de echte vreemdeling gesteld zijn? Die weet zich niet beschermd door een almachtige reisorganisatie of – wat misschien nog wel belangrijker is – het besef over twee of drie weken weer veilig thuis te zijn. Hij moet er in de omgeving die hem wantrouwig opneemt van zien te maken wat er van te maken valt, en weet dat niemand op hem zit te wachten.

Ik heb in mijn leven op een aantal verschillende plekken gewoond – en doe dat nog altijd. Allemaal in Europa, dus de vreemdheid ervan valt nogal mee. Maar meer of minder subtiel is het altijd een beetje blijven wringen. De wetten, regelingen en bepalingen die een staat voor zijn onderdanen heeft uitgevaardigd, blijken zelden goed toepasbaar op wie er vreemd is – en daarbij trekt die laatste vrijwel altijd aan het kortste eind. Uiteindelijk komt dat neer op het betalen van hogere belastingen, uitsluiting van subsidies, kortingen of uitkeringsrechten en voortdurend gechicaneer met de verblijfsvergunning.

Dat is in Nederland niet anders dan in andere landen. Zoals ik buiten de landsgrenzen een vreemdeling ben, zo is mijn vrouw dat in Nederland. De ervaringen die ze daarmee opdeed maakten, lang voor de opkomst van Geert Wilders, een einde aan elke illusie over dit land als efficiënte en vreemdelingvriendelijke natie. Alle Nederlanders geloven daarin, maar de werkelijkheid bleek een stuk weerbarstiger. Vrijwel niemand leek zich ooit te realiseren dat dit land helemaal niet zo’n gastvrije natie was. Bij onbetekenende fricties in de openbare ruimte bleken Nederlanders zich, zodra haar exotische afkomst duidelijk werd, bij voorbaat verlekkerd af te vragen ’wat de politie daar wel niet van zou denken’. De uitkeringsinstantie die voor de kinderbijslag verantwoordelijk was wenste keer op keer bewezen te zien dat onze lieve dochter nog altijd niet was overleden.

Toch is dat niet de voornaamste barrière waarop de vreemdeling stuit, in Nederland en elders. Veel doorslaggevender is de hindernis van de dagelijkse gewoonten waarop hij nooit helemaal vat krijgt, en van de taal die steeds weer nieuwe mysteries en gevaren blijkt te herbergen. Aanvankelijk ligt dat nogal voor de hand. Iedere vreemdeling moet inburgeren en de meeste ingezetenen zijn best bereid daarmee rekening te houden. Dus worden de nieuwkomer zijn missers groothartig vergeven en doet iedereen zijn best om te achterhalen wat hij in zijn woorden en ongebruikelijke gebaren wel bedoeld mag hebben.

Maar wanneer zijn inburgering eenmaal flink op stoom gekomen is, wordt er plotseling een andere wet van kracht. Dan wordt de nieuwgekomene nauwelijks nog als vreemde herkend. Meer en meer wordt hij naar autochtone maatstaven beoordeeld. En dan wordt plots iedere misser een probleem – eenvoudigweg omdat de onmacht erin niet meer wordt waargenomen. De vreemdeling is immers geworden zoals wij – en dus moeten de rare dingen die hij soms zegt wel net zo raar bedoeld zijn als ze klinken. Meermalen heb ik bij vreemden de wenkbrauwen omhoog zien gaan omdat ik – heel behoorlijk ingeburgerd in een studentikoos Madrileens milieu – de aanspreekvorm ’U’ nog niet tot in de finesses beheerste. Misverstanden ontstaan niet doordat hij als vreemdeling apart wordt gezet, maar juist wanneer hij – met alle goede bedoelingen – onverkort wordt geaccepteerd als ’één van ons’.

In de wrange ironie waarin de aangepaste vreemdeling op grenzen stuit, juist op het moment waarop hij die bijna overschreden dacht te hebben, ontdekt hij opnieuw dat hij onherstelbaar een ’ander’ blijft. Dat is pijnlijk, maar heeft ook zijn aantrekkelijke kanten. Dankzij de kleine, maar altijd merkbare afstand tussen hem en zijn omgeving merkt hij andere dingen op dan degenen om hem heen. In zijn ogen blijft juist onze samenleving altijd een beetje vreemd. En zijn bevreemding kan ook ons de ogen openen voor wat wij tot op dat moment als volstrekt vanzelfsprekend hadden beschouwd.

Hoe wonderlijk koppelt bijvoorbeeld de Nederlandse taal het voornaamwoord zij aan haar en hij aan zijn: een kruislingse wisselsprong die ik nooit had waargenomen als ik mijn vrouw er niet regelmatig mee had zien worstelen. En hoe vreemd vond ik aan de andere kant niet de mediterrane gewoonte om aan het eind van een gezellig avondje te roepen dat het nu echt hoog tijd is om naar huis te gaan – en dan niet stante pede de daad bij het woord te voegen. Gaandeweg heb ik me er bij moeten neerleggen dat dat hoogstens het signaal is voor het opentrekken van nog minstens één laatste fles wijn.

Zo blijft de vreemdeling schuren tegen de omgeving waarmee de autochtoon naadloos samenvalt. Dat zet hem altijd een beetje apart van het sociale netwerk, maar beschermt hem ook tegen de al te grote directheid daarvan. Terwijl de autochtoon in een volle treincoupé wel moet luisteren naar de gesprekken om hem heen, kan de vreemdeling die gemakkelijk langs zich heen laten gaan als een soort achtergrondruis. Het politieke krakeel in zijn gastland is uiteindelijk niet zijn zorg en hij kan zich er in een kalme onverschilligheid gemakkelijk aan onttrekken.

Niet dat hij in die rust niet gestoord zal worden. Op gezette tijden bemoeit de staat zich hinderlijk met hem, of laat zijn omgeving merken zijn buitenstaanderschap maar matig te waarderen. ’Vreemd’ heeft tenslotte altijd iets ongunstigs in de klank. Zoals de vreemdeling in zijn onvertrouwde omgeving steeds voor gevaren op zijn hoede moet zijn, wantrouwt de samenleving ook de onvoorspelbaarheid van wie van elders komt.

Daarom ligt er over het vreemdelingschap altijd een zekere melancholie. ’Fremd bin ich eingezogen, / Fremd zieh ich wider aus’, laten Schubert en zijn tekstdichter Wilhelm Müller in het begin van hun ’Winterreise’ hun rondtrekkende vreemdeling zingen. Binding aan een vaste plaats is voor hem niet weggelegd. Dat is de tol die hij te betalen heeft voor de vrijheid die hem tegelijkertijd zijn heldenstatus geeft. Vanaf de Romantiek wordt de zwervende eenling een held: even autonoom als bijzonder, maar ook even ongrijpbaar als intrigerend. Hij wordt van verre bewonderd, maar gewantrouwd wanneer hij te dichtbij komt, want als medeburger weet je nooit wat je aan hem hebt. In het ’Welcome, stranger’ dat zijn nazaat, de rondzwervende cowboy in wildwestfilms, steevast bij het betreden van een onbekende saloon te horen krijgt, klinkt altijd een dreigende ondertoon door.

Maar dan is er ook altijd een barmeisje of straatmadelief die hem haar hart wil schenken. Niet per se uit goedheid, maar omdat het vreemde even onweerstaanbaar als verontrustend is. Het roept de spanning op van het avontuur, dat gemakkelijk kan uitdraaien op een avontuurtje. De vreemdeling erotiseert: daaraan hebben we talloze vakantieliefdes te danken. ’Strangers in the night / exchanging glances’, zong Frank Sinatra enkele decennia geleden. ’Something in your eyes was so inviting / Something in your smile was so exciting.’ Bij Schuberts rondtrekkende vreemdeling was het al niet anders: ’Das Mädchen sprach von Liebe / Die Mutter gar von Eh’.

Niemand minder dan Desdemona uit Shakespeares ’Othello’ mocht daar model voor staan. Haar held was de Moor uit verre streken die niet alleen haar vaderstad Venetië gered had, maar met zijn hele verschijning een wonderbaarlijke tover in haar leven bracht. Want, zo vertelt de Moor, al zijn verhalen raakten haar tot in het hart. ’Toen ik ten eind was, / Gaf zij een wereld zuchten mij tot loon. / „O God”, riep zij, „hoe vreemd, hoe uiterst vreemd, / Hoe roerend, wonder roerend!”’ Dát, zo houdt Othello Desdemona’s vader voor, was de enige toverkracht die hij bij haar had aangelegd, maar het was voldoende geweest. Als vreemde had hij haar betoverd met zijn vreemdheid – want de erotiek, zo zou Nietzsche later schrijven, is altijd ’begerig naar vreemde rassen’.

Is dat de prikkeling van het buitenlandse studieverblijf, waarvan de film ’L’auberge espagnole’ zo’n aanstekelijk beeld geeft? Erasmus-beurzen bestonden in mijn tijd nog niet, maar op de Parijse universiteitscampus waar ik een jaar verbleef kreeg de begeerte tussen de studenten – stuk voor stuk ontheemd en dus op toenadering aangewezen – vrij spel. Ieder avontuurtje werd een mysterieuze ontdekkingsreis in vreemde talen, met onbekende geuren en naar verre origines. Wat van ver weg gekomen was beloofde alleen al daardoor het lekkerst te zijn.

De buitenlandse studenten keerden na hun verblijf weer gewoon terug naar huis; een enkeling zoals ik volgde op zijn beurt zijn nieuwverworven lief naar vreemde oorden. Maar tragischer was de aantrekkingskracht van Schuberts rondzwervende romanticus. Hem maakte ’Das Wandern’ voor eeuwig tot een vreemdeling, ook al mocht hij dan bij deze of gene schöne Müllerin dan af en toe op adem komen. Nietzsche zou zijn Übermensch later heel wat van diens trekken meegeven. En ook in de twintigste-eeuwse literatuur – van ’Le grand Meaulnes’ van Alain-Fournier via Jack Kerouacs ’On the road’ tot ’De wilde detectives’ van Roberto Bolaño – staat vol van ontwortelde éénzaten en dolende vreemdelingen. Die late erfgenamen van Don Quichot bleven het rolmodel waarover menige lezer met afgunst fantaseerde.

In de bioscopen kraaide de vreemdeling minstens zo triomfantelijk victorie. In ’Easy rider’ hadden de cowboys hun paarden voor motorfietsen ingeruild, maar de romantiek van hun zwerversleven bleef dezelfde, inclusief de gewillige meisjes die de ruige helden graag één nacht lang verwenden. Verdoemd waren deze helden al net zozeer als hun romantische voorgangers die te voet het Midden-Europa van Schubert doorkruisten. Aan het slot van de film werden zij als groot wild afgeschoten door vierkante types die voor hun exotische vrijbuiterij weinig waardering hadden.

Ook hun angsten zijn in de literatuur en film breed uitgemeten. In de sciencefiction kreeg de vreemdeling zijn ultieme gestalte in de alien die uit was op de vernietiging van de mensheid. Dat het ook anders kon bewees de film ’Close encounters of the third kind’ van Stephen Spielberg, opnieuw uit de jaren zeventig, waarin een voor de huidige achterdocht en oorlogszucht bijna onbegrijpelijk geworden vriendelijkheid binnensloop in de ontmoeting tussen mensen en ruimtewezens. In het romantischer genre keerde de vreemdeling als duister voorwerp van verlangen opnieuw terug in de titel van Woody Allens meest recente film: ’You will meet a tall dark stranger’.

De vreemdeling verontrust en intrigeert. Hij wekt tegelijk bewondering en misprijzen op. Hij lijkt een leven te leiden dat een maatje groter is dan dat van de burger die zich alleen op zijn vakantie op vreemde bodem waagt, maar verdwijnt desondanks gemakkelijk in, of zelfs over, de rand van de maatschappij.

In zijn miserabelste gestalte is hij de seizoensarbeider, de vluchteling of de allochtoon die wordt misprezen, hoeveel bijbelse barmhartigheid het christendom hem wel niet zou willen schenken. In zijn uitzonderlijkheid is hij de geniale bohémien, niet bij toeval vernoemd naar een verre landstreek waar vreemde zeden heetten te heersen. En in misschien wel zijn meest gewantrouwde vorm is hij de expat die zich, beschermd door de cultuur van het internationale bedrijfsleven of corps diplomatique, weinig van zijn omgeving hoeft aan te trekken en daar ook van zijn kant geen enkele behoefte aan heeft.

En ikzelf? Wie het vreemdelingschap eenmaal van nabij meemaakt, ziet het verdampen in een reeks van eindeloos kleine incidenten, vreugden en ergernissen. Je went op den duur aan je eigen ontheemdheid, en kunt er zelfs in wonen. Met verbazing merk ik soms, terug in een Nederlandssprekende omgeving, hoe gemakkelijk het spreken in de moedertaal is. De moeite van de omgang in andere idiomen is inmiddels de regel geworden, in vergelijking waarmee de gedachteloze soepelheid van mijn Nederlands het leven van elke uitdaging lijkt te beroven.

Mijn vreemdelingschap zou ik niet meer willen missen. Een te willig ’thuis’ maakt lui en ongeïnteresseerd, zo vreest mijn ontwortelde ’ik’ tegen de verleiding van het heimwee in. En zou ik, eenmaal opnieuw thuisgekomen, nog wel de echte autochtoon van vroeger zijn? Ook Das Wandern laat zijn sporen na. Het blijft als een dunne maar onmiskenbare barrière staan tussen het ’ik’ van nu en het ’thuis’ van toen.

Voor de vreemdeling is alles net een stukje ingewikkelder, maar hij kan van die complicaties leren houden omdat zijn wereld er kleurrijker en smakelijker door geworden is. Op zijn beurt hoopt hij dat zijn vreemde verschijning, ideeën, tongval en woordkeus ook voor anderen die wereld meer smaak zullen geven. Veel heroïek is daarvoor niet nodig, want het vreemdelingschap is gewoonlijk maar een alledaagse zaak. Tenslotte gaat voor vreemden én vertrouwden elke ochtend dezelfde zon weer op precies dezelfde wijze op, en aan het einde van de dag op dezelfde wijze onder.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden