De worgengel verstaat geen scherts

Graven van schrijvers zwijgen niet, maar spreken. Zij roepen een leven en een oeuvre in herinnering en spreken zachtjes tot de verbeelding - voorbij de laatste woorden. Een serie. Vandaag: het grafmonument van Piet Paaltjens.

Op de vroege ochtend van 19 januari 1894 pakte François HaverSchmidt, de dominee van Schiedam, alias Piet Paaltjens, het gordijnkoord van zijn bedstee en hing zich op. De 'tekenen van zijn laatste strijd' waren zichtbaar geweest, schreef de naaister van HaverSchmidt later in een brief. 'Hij had met zijn schoenen aan het bedschot bekrast.' In zijn zelfmoordbijbel 'De laatste deur' concludeert Jeroen Brouwers op grond van haar getuigenis dat HaverSchmidt niet op slag dood kon zijn geweest. ,,Terwijl de strop hem langzaam worgde heeft hij gesparteld.'

De sparteling van HaverSchmidt (de dichter voerde in zijn achternaam steevast de hoofdletter S) had, in overdrachtelijke zin althans, zijn hele leven geduurd. Bijna 59 jaar. Rob Nieuwenhuys schrijft in 'De dominee en zijn worgengel', de mooie biografie in documenten, dat HaverSchmidt 'een geboren tobber' was. Constant werd de dominee-dichter verscheurd tussen geloof en ongeloof, werkelijkheid en verbeelding. Schuld en boete. Geregeld tuimelde hij in diepe depressies. ,,Soms is het overal nevel.'

Als jongeman had HaverSchmidts preoccupatie met de dood nog een humoristische glans gehad. Zo huurde hij als student in Leiden -waar hij onder het pseudoniem Piet Paaltjens met dichten was begonnen- van alle kamers juist een kamer op de Hoge Woerd bij Van Ewijk, 'gepatenteerd doodbidder en noder ter begrafenisse'. In de gedaante van Piet Paaltjens leed HaverSchmidt, zeer romantisch, aan Weltschmerz, maar nooit zonder een dosis 'onbetaalbare ironie', zoals Busken Huet schreef.

Zo druipt de ironie nog altijd af van de romance 'De zelfmoordenaar', die Piet Paaltjens in 1852 schreef. In het gedicht dwaalt een heer in zijn eentje door het woud op zoek naar een plek om zich op te knopen. 'En meteen zocht zijn blik / Naar een eiketak, dik / Genoeg om zijn lichaam te torsen. / Daarna haalde hij een strop / Uit zijn zak, hing zich op / En toen kon hij zich niet meer bemorsen.' Het lijk van de heer blijft bungelen en wordt pas ontdekt als een paartje onder die dikke eiketak de liefde wil bedrijven: 'In een wip was de lust / Om te vrijen gebluscht.'

Tijdens een voordracht die HaverSchmidt uit naam van Piet Paaltjens ooit hield, vroeg hij de zaal na het lezen van 'De zelfmoordenaar': ,,Ik vraag u met vertrouwen of gij ooit een onheimelijker vers gelezen hebt'. Het antwoord is natuurlijk: neen. De romance is juist een grappig griezelvers, nauwelijks serieus te nemen. En toch moeten we dat doen. Achteraf, nu we weten dat de dichter het voorbeeld van zijn personage heeft gevolgd, is het bijna onmogelijk om in alles wat HaverSchmidt geschreven heeft níet de signalen van zijn naderende zelfmoord te lezen.

Dat morbide mechanisme werkt nog sterker in de preken, die HaverSchmidt hield als dominee van Schiedam, 'die zwarte stad'. Zijn preken werden door de jaren heen zelfs zó somber dat de kerk langzaam leegstroomde. Eén preek met name, die hij in het najaar van 1885 hield -de dominee had toen net zijn 25-jarig jubileum achter de rug- kan als droevig voorbeeld dienen. Als tekst voor deze preek had HaverSchmidt Samuel 20 vers 3 uitgekozen: ,,Er is maar één schrede tussen mij en tussen de dood.' In dit geval moest de Bijbel maar al te letterlijk worden genomen: ,,Er zijn ook jong vergaan of vroeg afgeleefd, er zijn die ongeneeslijke tobbers en klagers werden, zich zelf en anderen tot last, omdat, in plaats van met liefde het leven te omhelzen, zij zich het hartebloed lieten uitdrinken door de vampier des doods. Hij, de worgengel, verstaat geen scherts. Wie hem spelend de hand reikt, die laat hij niet meer los, die sleept hij mede tegen wil en dank, om kon het zijn, in het eind hem neer te stoten in een eigenwillig gedolven graf.'

Hoewel HaverSchmidts preek nog eindigde zoals het de dominee betaamde -,,doch zo wij liefhebben en weldoen, geen vrees'- moest hij een aantal jaren later op de kansel toch toegeven: ,,Ik kan niet, ik mag niet, want ik geloof het niet meer.' Hij gaf de strijd op. Tegen de twijfel, tegen het leven. Na zijn zelfmoord werd HaverSchmidt, die ondanks zijn sombere preken zeer geliefd was geweest, onder grote belangstelling naar zijn laatste rustplaats gebracht. ,,Bedolven onder een schat van bloemen en kransen, de slippen van het lijkkleed gedragen door de predikanten bij de Nederduits Hervormde Gemeente en van de Evangelisch-Lutherse Gemeente aldaar, werd heden middag te drie uur op de Algemene Begraafplaats te Schiedam het lijk van Ds. HaverSchmidt in het familiegraf bijgezet.' Aldus de Schiedamsche Courant van 22 januari 1894.

In geen van de herdenkingsartikelen werd overigens over de zelfmoord gesproken. Iedereen wist ervan, maar iedereen zweeg. Het heeft er alle schijn van dat ook de huidige medewerkers van de Algemene Begraafplaats te Schiedam die zwijgzaamheid stug volhouden. ,,Wie? Haverschmidt?' vraagt de dame van de begraafplaats met open mond. ,,Wat een rare naam. Hoe spel je dat? Nooit van gehoord. Ligt die hier wel?' Ze slaat aan het zoeken en vindt het juiste nummer: Graf BA 89. ,,O', zegt ze laatdunkend, ,,ligt hij daar.'

Eenmaal 'daar' aangekomen blijkt HaverSchmidts steen verweerd. Een hoek is ooit gebarsten, maar geheeld en de negentiende-eeuwse letters vervaagd. De enige frivoliteiten die men zich heeft gepermitteerd, zijn de initialen, F.H., die aan weerszijden van de grijze plaat in het plaveisel zijn aangebracht. Het is een protestants, streng graf. Precies zoals HaverSchmidt het had gewild. In een preek had hij gezegd dat een begraafplaats een 'rustige hof' moest zijn, ,,geen verzameling van nagemaakte kransen en andere snuisterijen'.

HaverSchmidt keerde zich bij leven tegen de 'vertoningszucht' bij begrafenissen. Hij lijkt achteraf een laatste wens te hebben uitgesproken: ,,Laat donker geboomte, laat treurwilg en cypres, laat hier en daar een witte rozenstruik als wachters zich scharen rondom de plek waar zoveel liefs werd heengedragen, waar nu en dan gebogen gestalten komen, door niemand bespied. En sta niet toe dat allerlei redenaars uw gedachten storen, ook niet dat de doodgraver er een huichelachtige, nietszeggende handeling bij verricht.'

En zo geschiedde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden