Opinie

De wetenschapper vindt, de kunstenaar schept

Voor zover ik wist, had Bob Dylan zijn merkwaardige halfhuilende, halflachende, halfzingende manier van doen geheel uit zichzelf omhoog getakeld. Ja, dat zijn drie helften, maar Dylan kon dan ook erg veel.

Ik wist niets, en weet trouwens nog altijd niet veel, van de Amerikaanse folktraditie. Dat geheel uit zichzelf oprijzende, voelde ik nog veel sterker bij Wittgenstein, al gaf die zelf aan dat hij filosofisch in veel opzichten van het werk van Russell en Frege uit ging.

In 1972 schreven Toulmin en Janik ’Wittgenstein’s Vienna’, waarin Wittgenstein enigszins terugzonk in het Weense landschap, waar hij niet de eenzame bergpiek was die ik in hem meende te zien. Karl Kraus, Adolf Loos, Gustav Klimt, Arnold Schönberg, Sigmund Freud, Otto Wagner er was nogal wat gaande in Wenen en Wittgenstein was waarlijk niet de enige die vond dat er veel zinledig gewauwel was in de wereld van taal, muziek, architectuur, religie en binnenhuisontwerp.

In The New York Review of Books schrijft Richard Lewontin over het geestelijke landschap waarin Darwin zijn plaats had. Toen ’The origin of species’ verscheen in 1859, landde de mens voorgoed en zonder hoop op redding van buitenaf op de planeet Aarde. Tot Darwin mochten wij ons hier als schipbreukelingen voelen, aangespoeld vanuit een goddelijk plan, waar op de een of andere wijze de klad in was gekomen, met het ongelukkige gevolg dat we hier moesten wachten op hulp die zeker komen zou.

Darwins boek was echter niet een soort geestelijke landmijn waar we ineens op stapten en bóem, daar verdampte alle door God gegeven (of geweigerde) geborgenheid.

Er was al heel lang van alles aan het schuiven in ons wereldbeeld. Juist dat schuivende was iets onontkoombaars aan het worden. Het idee van evolutie, geleidelijke verandering was reeds lang voorhanden in het geestelijk domein. Dat de wereld geschapen werd en toen ongeveer hetzelfde bleef, was een onhoudbare notie waaraan van allerlei kanten geknaagd werd.

Erasmus Darwin (1731-1802), grootvader van Charles, schreef in zijn ’Literary Lectures’ over de mogelijkheid dat „de schepping van het heelal in een ogenblik had plaatsgevonden door de ontploffing van een kluit stof in de baarmoeder of het middelpunt van de ruimte. In dat ene ogenblik schoten zonnen en planeten als Stelsels alle kanten op en zij vulden al flonkerend de onbegrensde leegte”.

Coleridge vond het een ondraaglijke verloedering om alles wat mooi en harmonieus was ’te laten voortkomen uit een ontploffend kruitvat!’

Het idee dat de geologische formaties op aarde niet verklaard konden worden door de zondvloed, maar door processen die vele duizenden jaren duurden, werd door James Hutton al aan het eind van de achttiende eeuw verkondigd en in 1830 door Charles Lyell (die sterk door Darwin bewonderd werd) in leesbare vorm verder ontwikkeld, want Huttons proza was naar verluidt volstrekt ondoordringbaar.

In de filologie was er een onweerlegbaar besef dat talen niet geschapen werden of op bovennatuurlijke wijze gevormd, maar dat ze zich hadden ontwikkeld en nog altijd ontwikkelden.

Kortom ’het zat in de lucht’. Dat moge ook blijken uit het feit dat Alfred Russel Wallace, onafhankelijk van Darwin, al tot een voorstel voor een evolutietheorie was gekomen op basis van natuurlijke selectie.

Toch was Darwin’s Origin een unieke sprong, die hij aandurfde ondanks de onvermijdelijke gevolgen voor ons zelfbeeld en ondanks een belangrijke leemte in de uiteenzetting.

Er wordt wel gezegd dat een van de opvallendste aspecten van de evolutietheorie het feit is dat zo velen denken dat ze hem begrijpen. Ik plaats mijzelf dus met de nodige huiver in deze menigte en geef hier drie kerngedachtes weer. Een: individuen van een populatie verschillen. Twee: die verschillen worden doorgegeven van ouders naar kinderen. Drie: die verschillen leveren soms voordeel op in de strijd om het leven.

Het was voor Darwin onduidelijk hoe dat doorgeven ging. Het kon geen kwestie van mengen en roeren zijn, want dan zou het niet werken. Als een donkerbruine vacht voordeel oplevert ten opzichte van een lichtbruine, dan wordt dat voordeel snel afgezwakt als bij kruising gewoon een tussenkleur ontstaat, die uiteindelijk de hele kudde weer dezelfde kansen geeft. Maar zo werkt erfelijkheid niet.

Het was Gregor Mendel (1822-1884), een monnik die experimenteerde met erwtenplanten, die ontdekte dat eigenschappen niet werden gemengd als vloeistoffen, maar werden doorgegeven als harde stukjes, die niet altijd merkbaar aan de dag traden, maar die soms na een generatie weer ongeschonden opdoken.

Een merkwaardige gevolgtrekking van dit ’in de lucht hangen’ is dat de evolutietheorie ook zonder Darwin wel aan het licht zou zijn gekomen. Zo denken wetenschapshistorici dat de zwaartekracht ook zonder Newton in al haar wetmatigheden tot ons zou zijn doorgedrongen.

Mijn inzicht is te gebrekkig om hier een peinzend ’ja’ of een fronsend ’nee’ tegenover te zetten. Ik meen echter zeker te weten dat Becketts trilogie, of Reve’s ’Nader tot U’, of Kafka’s ’Der Bau’ er nooit gekomen zouden zijn zonder deze drie.

Dat zegt denk ik iets over Scheppen en Vinden en hoe verschillend die twee zich verhouden in wetenschap en in kunst.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden