DE WERKEN DER BARMHARTIGHEID

Een van de redenen waarom het woord 'barmhartigheid' bevreemding wekt, kan hierin gelegen zijn, dat het op een vage manier religieuze associaties kan oproepen. Dat gebeurt alleen al op grond van het feit, dat de voorbeelden van de werken van barmhartigheid aan de Bijbel ontleend zijn, een boek waarvan de kerken zich hebben meester gemaakt. En mensen die zich van de kerken distantiëren, lijken soms te denken, dat dan ook de Bijbel voor hen oninteressant wordt. Van een hele generatie, vrees ik, gaan automatisch de oren dicht - en de monden open in een geeuw - zodra het woord 'Bijbel' valt.” De filosoof Cornelis Verhoeven hield deze maand de Socrateslezing 1994, georganiseerd door het Humanistisch Verbond. “Het heeft wel iets heel raadselachtigs dat een woord als 'barmhartigheid' niet bij de politieke correctheid zou passen en echte verbale draken, lelijk en leeg, en met een geschiedenis van anderhalve dag, als 'koopkrachtbehoud' zich daar behaaglijk in weten te nestelen. Er moeten toch nog een paar dingen goed uitgelegd worden, voordat ik van harte geloof, dat mensen, zelfs als ze van deze tijd zijn, echt redelijke wezens zijn.”

En misschien is het onderwerp wel juist aanstootgevend door zijn raadselachtigheid, te beginnen met de woorden. Want raadselachtigheid riekt al gauw naar het hogere en naar stiekeme manipulatie daarmee, terwijl het humanisme en de vrije gedachte als vertegenwoordigers van een geseculariseerde wereld pretenderen helder, eerlijk en rationeel te zijn. Het lijkt dus te gaan om woorden en gedachten uit een andere wereld en een andere tijd, waar wij niets meer mee te maken willen hebben, bij voorbeeld omdat hij religieus is en mensen een vaderland aanwijst dat ver buiten deze ene wereld ligt, die de wereld van mensen en van humanisme is.

Dat is meteen een belangrijk deel van mijn onderwerp. Want, laat ik het maar direct zeggen: die vervreemding roept bij mij ook een bepaalde skepsis op ten opzichte van een humanistisch triomfalisme dat lijkt te berusten op de illusie dat duisterheid uit het bestaan verbannen zou kunnen worden, bij voorbeeld door het kordaat afschaffen van religieuze resten of door een andere vorm van seculier exorcisme. Een van de dingen die ik als inleider het eerst moet doen, is dus die mogelijke vervreemding ter sprake brengen. Dat zou een overbodige of uitsluitend schoolmeesterachtige inspanning zijn, als het onderwerp zelf niet iets bevreemdends had en daardoor niet alleen iets afstotends, maar vooral ook iets intrigerends.

Laat ik maar beginnen met dat enigszins toe te lichten. Over 'werken van barmhartigheid' wordt in de christelijke traditie gesproken naar aanleiding van voorbeelden uit de Bijbel, zoals het menslievende gedrag van de barmhartige Samaritaan, dat nog aan de orde zal komen. Wij leerden vroeger op onze katholieke school, geleid door de congregatie van de Fraters van Onze Lieve Vrouw Moeder van Barmhartigheid, dat er twee soorten van werken van barmhartigheid waren: lichamelijke en geestelijke. Van elke soort waren er naar goed gebruik zeven. Wij werden geacht de welluidende en intrigerende namen daarvan feilloos te kunnen opdreunen. Ik zal het nu niet nog een keer doen, maar ik wil de lichamelijke werken van barmhartigheid wel noemen. Het ging, naar aanleiding van Mattheüs 25, over het spijzigen van de hongerigen, het laven van de dorstigen, het kleden van de naakten, het herbergen van de vreemdelingen, het verlossen van de gevangenen, het bezoeken van de zieken en het begraven van de doden. Tot de geestelijke werken van barmhartigheid hoorden onder andere het troosten van de bedroefden, het onderrichten van de onwetenden en het vermanen van de zondaren.

Ik zei, dat wij de welluidende namen van deze daden moesten kunnen opdreunen. Daar werd dan ook streng en tamelijk vreugdeloos naar gevraagd bij het onderwijs in de Katechismus, dat is: de ware leer. Maar, ofschoon het niet zonder betekenis kan zijn dat het hier om daden en niet om namen ging, van enige praktische toepassing was geen sprake en wij mochten deze daden zelfs niet verrichten.

Want wat bij deze reeks van charitatieve werken het meest opvalt en wel zal bijdragen tot enige bevreemding, is dat de meeste daarvan in onze samenleving ofwel helemaal verboden zijn, zoals het verlossen van gevangenen ofwel aan deskundigen, althans bevoegden, voorbehouden, zoals het begraven van de doden en het onderrichten van onwetenden. Ook het vermanen van de zondaren krijgt gewoonlijk geen goede pers, tenzij wij met 'zondaren' degenen bedoelen die zich politiek niet correct gedragen of zelfs batterijtjes deponeren in de biobak. Elke mode schept zijn eigen zondenregister.

Het beoefenen van de naastenliefde kan blijkbaar niet zo maar aan liefhebbers worden overgelaten en dat is een van de redenen, waarom er religieuze congregaties werden opgericht die zich erop toelegden onder andere het verzorgen van zieken en het geven van onderwijs professioneel te beoefenen waar dat nog niet gebeurde. De congregatie van de fraters waarover ik het zojuist had, is in 1844 opgericht door de Tilburgse pastoor en latere aartsbisschop van Utrecht, Johannes Zwijsen. Zij kreeg een vrij ingewikkelde naam uit een rijk voorziene katholieke traditie. Ook buitenstaanders zullen toch begrijpen dat een gezelschap dat genoemd is naar de Heilige Maagd Maria als de 'Moeder van Barmhartigheid' bezield is van nobele bedoelingen.

Al eerder had Zwijsen een congregatie van 'Zusters van Liefde' gesticht. En ook in die benaming kwam tot uitdrukking dat de gezamenlijk beoefende werken ook een onderlinge band schiepen. Die zusters beoefenden de werken van barmhartigheid zo professioneel en met een zo kordate voortvarendheid dat zij bij ons in het dorp ook wel 'krengen van liefde' werden genoemd. Maar iedereen die wel eens aangewezen is geweest op hulpverlening, zal waarschijnlijk ervaren hebben dat enige bazigheid in de sector van de dienstbaarheid niet uitzonderlijk is. En we moeten niet bij voorbaat uitsluiten, dat dit iets te maken heeft met de werken van barmhartigheid: het gaat daar om iets wat in elk geval moet gebeuren.

INDELING

Over deze interessante geschiedenis wil ik het verder niet hebben. Zij zou ongetwijfeld ook enige bevreemding wekken, maar op gronden die nu niet aan de orde zijn en die mogelijk meer te maken hebben met hedendaagse illusies dan met een toenmalige achterlijkheid. Wat wel aan de orde is, wat ik althans, in overleg met het bestuur, aan de orde wil stellen, is een aantal punten die ik met de titel 'Werken van Barmhartigheid' in verband wil brengen.

Ik wil het dan, in het kort gezegd, allereerst hebben over het mooie, archaïsche en lichtelijk bevreemdende woord 'barmhartigheid' en verwante woorden, ten tweede over het streng anti-verbale en anti-theoretische karakter van de werken die door dit woord worden aangeduid en van de spiritualiteit van waaruit die worden beoefend en de manier waarop daarover wordt nagedacht, ten derde over het strikt horizontale, humane en nauwelijks religieus te noemen karakter van de werken van barmhartigheid, ten vierde over de vraag of deze werken dan wel uit enig hoger motief voortkomen of misschien juist helemaal niet te motiveren zijn en wat in dat geval hun positie is. Mijn overtuiging op dit punt is dat juist wat wij 'barmhartigheid' noemen, gratuit, voor niets en zonder motief, dus in alle opzichten belangeloos wordt beoefend.

En ten slotte wil ik in aansluiting hierbij de bij uitstek humanistische stelling verkondigen - niet bewijzen - dat het menselijk bestaan in veel hogere mate dan wij elkaar plegen te vertellen, en misschien op heel andere en minder nobele gronden dan wij zelf geneigd zijn te denken, een belangeloze affaire is.

DE WOORDEN

Een deel van de bevreemding waar ik het zojuist over had, wordt zeker opgewekt door het woord 'barmhartigheid' op zichzelf. Het hoort niet tot de gangbare worden en alleen al daarom zit er misschien een duf luchtje aan. 'Mededogen', 'ontferming', 'deernis', 'genade', 'goedertierenheid' en 'erbarming' zijn ook zulke woorden uit dezelfde sector. Je kunt er heel gemakkelijk mee spotten, maar je kunt er ook poëtische, zoemende lijstjes van aanleggen, zoals van de namen van kruiden of kleuren.

Je hoort deze woorden niet elke dag uit de mond van sportverslaggevers en andere mensen uit deze tijd. Merkwaadig genoeg hoor je wel de ontkenningen daarvan als 'onbarmhartig', 'meedogenloos' en 'ongenadig'. Ik noem dat 'merkwaardig', omdat ik niet weet, of in het gebruik van deze ontkenningen niet ook een kleine afstraffing of een verbod van het ouderwetse woord zelf ligt opgesloten. Maar ik kan dat taalkundig zo gauw niet toelichten met voorbeelden en misschien is mijn ideetje ook wel te ver gezocht.

In elk geval lijkt mij dat we moeten waken voor de verbalistische illusie, dat frisse, moderne woorden automatisch ook een frisse kijk op de wereld - wat dat ook mag zijn - zouden vertegenwoordigen of zelfs bewerkstelligen en dat het afschaffen van ouderwetse woorden een bijdrage zou zijn tot verheldering van het wereldbeeld. Waarschijnlijk worden wij tot deze nogal wanhopige illusie gedreven door een activistische ideologie en de heilloze invloed van de reclame.

Ik maak deze totaal overbodige opmerking omdat ik het vermoeden heb, dat voor sommigen een archaïsch woord als 'barmhartigheid' een religieuze klank heeft, en dat vanuit de vage overtuiging dat alles wat archaïsch heet, in oorsprong religieus is, het niet gebruiken van archaïsche en religieuze woorden op zich zelf al beschouwd kan worden als een progressieve actie van enige importantie of toch minstens als een daad van politieke correctheid. Dat lijkt mij een van de meer naïeve vormen van verbalisme.

Het heeft overigens wel iets heel raadselachtigs dat een woord als 'barmhartigheid' niet bij die correctheid zou passen en echte verbale draken, lelijk en leeg, en met een geschiedenis van anderhalve dag, als 'koopkrachtbehoud' zich daar behaaglijk in weten te nestelen. Er moeten toch nog een paar dingen goed uitgelegd worden, voordat ik van harte geloof, dat mensen, zelfs als ze van deze tijd zijn, echt redelijke wezens zijn.

Voor de gang van mijn uiteenzetting is het intussen wel van enig belang erop te wijzen, dat het woord 'barmhartigheid' in de ouderwetse versie van de moderne talen terechtgekomen moet zijn als een poging het Latijnse woord misericordia te vertalen. In dat woord herkennen we gemakkelijk de elementen miser en cor en er moet dus sprake zijn van een aangelegenheid van het hart, het innerlijk of het gevoel dat spontaan en instinctief uitgaat naar degene die miser is, arm of ongelukkig. En dat woord 'arm' wordt door etymologen herkend in 'barmhartig' en in 'ontfermen'.

Wat het hart betreft: dat heeft volgens Pascal zijn redenen die de rede niet kent en het ongeluk of de ellende van mensen, hun miseria is wat zonder omwegen ons mededogen opwekt en ons tot daden beweegt. Er wordt dus niet tot 'ontferming' of 'deernis' besloten, na enig overleg, zoals dat voorafgaat aan het verlenen van subsidie of andere erkende verstrekkingen uit een officieel pakket. Zij overvallen het hart niet na rijp beraad en volgens strikte regels, maar lopen eerder op elk beraad vooruit.

Dat passieve karakter van het mededogen moet ook de reden zijn waarom door rationalistische filosofen als Spinoza het medelijden als misleidend en verkeerd wordt beschouwd. Wie zich door medelijden laat meeslepen, is niet langer de meester van zijn eigen bestaan. En het is ongetwijfeld waar dat de behoefte van het hart om de lijdende mens nabij te zijn en te helpen gewoonlijk groter is dan het vermogen om efficiënt te helpen. Uit een oogpunt van passiviteit en lijden moet ook het medelijden, de compassie vermeden worden.

Omdat het hier gaat om een oude geschiedenis, die waarschijnlijk alleen maar zo oud heeft kunnen worden en zich in verschillende talen heeft kunnen herhalen, omdat zij zo elementair is, krijgen we te doen met een oud en eerbiedwaardig woord, dat als een monument in onze taal blijft voortbestaan. Monumenten zijn op hun best als zij niet het heden tiranniseren en uithollen door het gewicht van ons historisch bestaan te verplaatsen naar vroegere tijden, maar als ze de herinnering aan idealen levend houden in tijden van dorheid. Een monument is ook een werk van barmhartigheid: het vermaant de zondaren.

Het woord 'barmhartigheid' heeft in de omgangstaal concurrentie gekregen van een woord als 'liefde' of de Latijnse variant daarvan, caritas, dat als 'naastenliefde' gesteld wordt tegenover amor, de erotische liefde. Maar wat bij 'barmhartigheid' veel minder gebeurt, lijkt bij caritas wel het geval. Aan de werken van de caritas is een odium van neerbuigendheid gaan kleven, waardoor de indruk wordt gewekt dat een geïnstitutionaliseerde en professioneel beoefende liefdadigheid niet alleen van boven naar beneden werkt, maar ook de afstand tussen boven en beneden gretig in stand houdt. Caritas is daardoor niet zozeer tot een archaïsch woord geworden - het is gewoon Latijn gebleven - maar tot een verouderd en op sociale gronden bekritiseerd instituut. Bij het woord 'barmhartigheid' daarentegen denken wij niet zozeer aan een maatschappelijke instelling als aan een manier van spreken over iets dat zich er misschien wel niet voor leent een instelling te worden en een officieel karakter te krijgen.

En dat moet ook het geval geweest zijn met eleemosuna, dat zich van de betekenis 'daad van mededogen' ontwikkeld heeft tot 'aalmoes'. Daarin heeft niet de institutionalisering, maar de willekeur de beweegredenen van het hart verdrongen. Als caritas en 'aalmoes' allebei gesteld worden tegenover 'rechtvaardigheid', gebeurt dat vanuit een ander, rationaal gezichtspunt.

DE WERKEN

Het zou misleidend zijn dit spoor te volgen en het woord 'barmhartigheid' tot exclusief voorwerp van aandacht te maken. Want juist deze naam 'barmhartigheid' die uitnodigt tot allerlei verbale bespiegelingen en lyrisch gezoem, heeft in de combinatie 'werken van barmhartigheid', waarop wij nu onze aandacht richten, een uitgesproken anti-verbale en zelfs een anti-intellectuele strekking.

Daar zitten minstens drie kanten aan. Ten eerste gaat het hier nadrukkelijk om 'werken' of 'daden' en waar op die manier wordt gesproken van 'daden', gebeurt dat gewoonlijk vanuit een populaire tegenstelling tussen woorden en daden, dus om te kennen te geven dat het in dit geval uitsluitend of uiteindelijk om daden gaat en helemaal niet om woorden, overwegingen en beschouwingen.

De 'werken van barmhartigheid' worden, ten tweede, ook niet zo genoemd omdat zij een zware inspanning of een grote en bewonderenswaardige prestatie betekenen, zoals bij voorbeeld 'de werken van Hercules' in de Griekse mythologie worden voorgesteld, maar omdat zij een einde maken aan het nobele praten, delibereren of voelen en vooral omdat daden beslissend zijn als het erom gaat om een situatie of een gedrag te beoordelen. Want werken vertegenwoordigen een werkelijkheid die niet door woorden, gedachten en intenties te vervangen is.

Daar komt dus, ten derde, bij dat de werken, als zij lukken, door hun effect los komen te staan van onze bedoelingen en inspanningen. De werken van barmhartigheid komen niet voort uit overwegingen en zijn daartoe ook niet te herleiden; zij worden verricht om wat zij zelf teweegbrengen; zij zijn geen rituelen of expressiehandelen in de zin waarin bij voorbeeld zoenoffers 'werken' of opera worden genoemd, en zij zijn er niet als een schouwspel, maar als op resultaat gerichte doelhandelingen. Zij gelden als mislukt, wanneer zij alleen maar expressie van gevoelens en bedoelingen zijn. Zij hebben, vergeleken bij liturgische of religieuze handelingen, iets praktisch en iets werelds. Zij vertegenwoordigen, ook in een religieus en kerkelijk leven, een afkeer van vrome praatjes.

Ons woord 'werkelijkheid' stamt uit dezelfde anti-verbale sfeer. Het is, alweer naar een Latijns voorbeeld, gevormd, als een tegenstelling ten opzichte van beschouwelijkheid. In die betekenis stelde het ook de actieve kerkelijke orden en congregaties tegenover de beschouwelijke. Werkelijkheid is, als we volgens deze aanwijzing de tegenstelling toespitsen, wat wij metterdaad doen en niet wat wij denken en zeggen, of wat er in feite is en niet wat wij dromen. Zij is het andere, vijandige en polemische ten opzichte van het denken; en soms blijkt dat andere zwaarder te wegen dan wat wij zoal verzinnen.

De woorden in verband met daden, werken en werkelijkheid stammen uit een spiritualiteit, waarin voor woorden, overwegingen en beschouwingen minder interesse aan de dag werd gelegd dan voor wat mensen in feite deden. In die spiritualiteit heerst een grote achterdocht en zelfs een vijandigheid ten opzichte van het gemak van mooie woorden en diepe gedachten. Ik spreek met opzet van een 'spiritualiteit', niet zozeer omdat ik alweer aan kloosterorden denk, maar omdat de leus 'geen woorden, maar daden' ook wel op platvloerse terreinen wordt aangeheven en daar iets vertegenwoordigt waarvan ik geen supporter ben en dat ik ook niet als een vorm van spiritualiteit zou willen beschouwen.

Voorzover er dus al theologie werd beoefend aan de werken van barmhartigheid, was dat zeker geen romantische theorie van het gevoel. Want waar het op daden aankomt, krijgt het gevoel op zichzelf geen aandacht, ook niet als het de bron van die daden is. Er is geen cultus van het mooie gevoel. De theologie was dus vrij nuchter en sober, wanneer zij al niet louter bestond uit het toelichten van de stichtelijke voorbeelden uit de Bijbel. En als het hoe dan ook praten over wat dan ook uit de Bijbel theologisch en religieus is, bespreek ik nu een religieus punt.

'HORIZONTAAL'

Ik zei al dat een van de redenen waarom het woord 'barmhartigheid' bevreemding wekt, hierin gelegen kan zijn, dat het op een vage manier religieuze associaties kan oproepen. Dat gebeurt alleen al op grond van het feit, dat de voorbeelden van de werken van barmhartigheid aan de Bijbel ontleend zijn, een boek waarvan de kerken zich hebben meester gemaakt. En mensen die zich van de kerken distantiëren, lijken soms te denken, dat dan ook de Bijbel voor hen oninteressant wordt. Van een hele generatie, vrees ik, gaan automatisch de oren dicht - en de monden open in een geeuw - zodra het woord 'Bijbel' valt.

In een meer strikte zin zouden de verhalen over barmhartigheid ook 'religieus' genoemd kunnen worden voorzover in de teksten zelf waaraan de voorbeelden ontleend zijn, verwezen wordt naar een geloof in God of een goddelijk voorbeeld of opdracht als motief voor het verrichten van deze daden. Naar mijn mening gebeurt dat veel meer in de uitleg en in de verkondiging dan in de verhalen zelf en het lijkt mij denkbaar dat juist de verkondiging met haar nadrukkelijkheid en haar galm ertoe heeft bijgedragen aan het woord en de werken iets op te dringen dat daaraan vreemd is en het een en ander te motiveren op een manier die de bevreemding in de hand werkt.

Ik wil deze, voor mijn betoog cruciale, stelling toelichten en alweer liever 'toelichten' dan 'bewijzen', aan de hand van het verhaal dat bij uitstek wordt gebruikt als uitleg van wat een werk van barmhartigheid is en dat zo'n werk iets heel anders is dan mooie en vrome woorden.

Het is het verhaal van de 'barmhartige Samaritaan' en omdat het algemeen bekend is, bespreek ik er alleen de hoofdpunten van. Het verhaal bij Lucas 10 staat in de context van een woordenwisseling met een priester en kenner van de wet. De kenner vraagt heel religieus en een beetje schijnheilig, wat hij moet doen om het eeuwige leven te beërven. En Jezus vraagt wat daarover in de wet staat. De kenner antwoordt met het citaat: “Gij zult de Here Uw God, liefhebben (. . .) en Uw naaste als U zelf”. Op zijn vraag, wie dan de naaste is, wordt het verhaal verteld van de man die tussen Jeruzalem en Jericho werd overvallen en neergeslagen. Terwijl hij half dood langs de weg lag, passeerde een priester, een verkondiger van het grote woord, en liet hem liggen. Daarna passeerde een Leviet, ook een religieuze figuur, en die stak evenmin een hand uit. Als derde kwam er een Samaritaan voorbij, zeg maar een heiden, en van hem wordt gezegd, dat hij met ontferming bewogen werd, het slachtoffer verzorgde, olie gietende in zijn wonden, hem op zijn lastdier hief en naar een herberg bracht waar hij instond voor alle kosten.

Het zal duidelijk zijn, dat deze Samaritaan, die barmhartigheid bewees, zich in letterlijke zin 'daadwerkelijk' als naaste van het slachtoffer gedroeg en dat het alleen op dat gedrag aankwam. Hij definieerde en kwalificeerde zich als naaste door bij hem te zijn en niet te passeren. Maar het is in dit verhaal ook meteen duidelijk, dat die man daar helemaal geen mooie woorden, hoge motieven of een bewonderend publiek voor nodig had. En er zijn ook geen aanwijzingen over zijn medische bevoegdheden. Hij deed, door ontferming bewogen, wat zijn hart hem ingaf. Hij deed dat zo efficiënt mogelijk. En dit voorbeeld werd ter navolging aanbevolen. “Ga heen, doe gij evenzo.”

Woorden en motieven, hoe mooi ook, doen blijkbaar niet ter zake als het erop aankomt. Dan is het belangrijker dat er iets wordt gedaan en dat het efficiënt wordt gedaan dan waarom het gebeurt. Als de nood aan de man komt, zijn motieven en intenties een tamelijk frivole luxe.

Het lijkt mij onjuist dit een religieus verhaal te noemen omdat het toevallig in de Bijbel staat. Het heeft zijn eigen logica en het is in strekking en opzet een puur horizontale parabel. De seculiere en zeer pragmatische les is dat niet woorden, maar daden beslissend zijn als het erom gaat te bepalen wie zich als een echte medemens gedraagt. Over een hoger motief wordt niet gesproken.

HET MOTIEF

Het is dus, en hiermee kom ik aan mijn vierde punt, de vraag, of er van zo'n hoger motief of zelfs van een motief in het algemeen of van een mooi woord wel sprake is of moet zijn als het gaat om het beoefenen van de werken van barmhartigheid. Het beërven van de eeuwigheid wordt in het verhaal over de barmhartige Samaritaan al gauw als weinig ter zake uitgeschakeld en dat lijkt te gebeuren ten gunste van het door ontferming bewogen zijn. Degene die zich daadwerkelijk als de naaste gedroeg, behoorde nadrukkelijk niet tot de categorie van mensen die zich afvragen, wat zij moeten doen om het eeuwige leven te beërven; en degenen die voorbij gingen, behoorden wel tot die categorie.

Maar dat betekent dat de vraag naar het motief, de beweegreden, de reden om in beweging te komen, alleen maar in de ontferming zelf te zoeken is, niet in een systeem of een theorie waaruit zij logisch zou voortvloeien en waaruit juist de passerende priester bliksemsnel zijn daad van barmhartigheid had kunnen afleiden als correct en verplicht.

En evenmin ligt zij in wat een secundair gevolg van het optreden kan zijn, het scheppen van verplichtingen, het winnen van zieltjes of het oogsten van dankbaarheid. Bij de werken van barmhartigheid lijkt zelfs een zekere voorkeur voor anonimiteit te horen en een afzien van dank.

Mij dunkt dat dit iets heel wezenlijks zegt over barmhartigheid, ontferming, deernis, mededogen en andere elementaire zaken waarvan alleen al de benamingen dilettantisch en archaïsch blijven klinken. Heel kort en veel te kordaat gezegd komt dat hierop neer, dat de vraag naar het waarom of het motief niet te beantwoorden is. Zij wordt in het verhaal dan ook niet aan de orde gesteld. Ook voor de motieven die priester en leviet voortdreven, weg van de plaats van het onheil, wordt geen spoor van interesse getoond. Motieven zijn, vergeleken bij de werkelijkheid, oninteressante verzinsels waarvan er duizend in een ons gaan. Het gedelibereer daarover mag het werk zelf niet ter discussie stellen.

Dat betekent, dunkt mij, ook, dat een eventueel hoog en nobel motief niet meer waard is dan bij voorbeeld een egoïstische beweegreden. Het liefhebben van God met hart en verstand wordt in het bijbelse verhaal tegelijk genoemd en gelijkgesteld met het liefhebben van de naaste 'als u zelf' en dat wordt dus geijkt aan de eigenliefde als een gegeven.

Als er geen daden van barmhartigheid zouden mogen zijn zonder een redelijk motief en een expliciet uitgesproken doelstelling, zouden die daden er eenvoudig niet mogen zijn; en het is dus ook geen wonder dat zij een wat marginaal bestaan leiden - voorzover zij niet, van hun dilettantische karakter ontdaan, in een systeem van sociale voorzieningen zijn opgenomen. Want de essentie van barmhartigheid, om nog een groot en dierbaar woord te gebruiken, is nu juist dat zij niet in een systeem past, niet redelijk te verantwoorden is, geen doel heeft, niet in een programma op te nemen en dat zij totaal gratuit, geïmproviseerd, dilettantisch en belangeloos wordt beoefend.

Niet bekend

HUMANISME

Hiermee kom ik dan aan mijn vijfde punt, het laatste en beslissende. Dat kan alleen maar een radicalisering van het voorafgaande zijn, bij voorkeur in verband met het humanisme. Als het humanisme iets anders en meer is dan zo maar de loze pretentie dat de mens het centrum van het heelal en de maat aller dingen is, maar als het een wijsgerige reflectie op zijn positie inhoudt, dan is er ook een humanisme denkbaar waarin die positie principieel bescheiden is. Zo'n bescheidenheid is mogelijk zonder de erkenning en benoeming van een hogere macht en een laatste woord. Ook die hogere macht kan het hart niet vervangen.

Als van de andere kant het humanisme een secularisering inhoudt van zaken die ten onrechte en veel te lang in een onbereikbare hemel gelokaliseerd zijn geweest, komen de werken van barmhartigheid ongeveer als eerste in aanmerking om geseculariseerd en van hun liturgische gewaden ontdaan te worden. We zien dat dan ook gebeuren: de taken van de religieuze congregaties worden voor een groot deel overgenomen door seculiere leken. En ook nu is het vrijwel onvermijdelijk dat bij de professionalisering en systematisering de temperatuur van de barmhartigheid soms een paar graden daalt.

Maar alweer bedoel ik niet dit historische en sociologische aspect van de zaak, hoe interessant het ook is. Wat ik wil zeggen is, dat het niet beschikken over een sluitend en dwingend motief, het handelen vanuit een van binnen uit dwingende belangeloosheid niet iets heel bijzonders of hemels is, maar de basishouding in een contingent, willekeurig en onherleidbaar menselijk bestaan. In zo'n uit de hemel gevallen bestaan zijn ook de elementaire dingen onherleidbaar, niet tot motieven te herleiden, niet restloos uit oorzaken te verklaren. Die zaken zijn ook niet per decreet te regelen en daarmee eens en voorgoed af te handelen. Zij blijven onvoltooid en laten ons bestaan onvoltooid. Wij kunnen wel besluiten de werken van barmhartigheid te seculariseren en ze bij sociale zaken onder te brengen, en daarmee zijn wij wel de autonome meesters van onze besluiten en intenties, maar niet van ons bestaan.

Ik geloof dat mensen veel belangelozer zijn en handelen dan hun gewoonlijk wordt toegeschreven. Maar dat is niet hun verdienste. Misschien is het zelfs wel een vorm van onbenulligheid, dus een reden voor bescheidenheid. Daar hoort, dunkt mij, het onvermogen bij ons belang zo strikt te definiëren, dat we ons ook aan die omschrijving kunnen houden. Het is bijna onmogelijk een consequente egoïst te zijn. De gedachte dat mensen altijd uit eigenbelang handelen en op grond daarvan als egoïsten ontmaskerd en moraliserend toegesproken kunnen worden en van buiten af bewogen tot iets wat dan op edelmoedigheid lijkt, is een vorm van verwaandheid en stelt mensen veel groter en autonomer voor dan zij ooit kunnen worden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden