De wereld buiten de hotellobby dringt nauwelijks binnen

8 en 9/2 Haarlem, Toneelschuur; 28/2 - 4/3 Amsterdam, De Brakke Grond.

De klok boven de balie wijst tien over vijf. De werkster (Frieda Pittoors) stofzuigt het kleed in monotone halen naar voren en naar achteren; uitdrukkingsloos staat haar gezicht boven het werkster-uniform, een caramelkleurige stofjas. De nachtportier en de man van de roomservice (Jos Verbist en Guy Dermul) hangen de uren door bij hun telefoons en sleutelbord. De piccolo Teufik (Abdenbi Azzaoui) is de prater in dit nachtelijk gezelschap. Hij spreekt over zichzelf, zijn eigenschappen en zijn doel in het leven, in de derde persoon of in dramatische tekst: hij is een wandelende novelle.

Het drama wordt veroorzaakt door een meisje (Circé Lethem) dat ziek en misselijk van haar kamer komt en in een stoel gaat liggen. Zij heeft een wit, kinderlijk kort jurkje aan met grote bruine vlekken - geronnen bloed of chocola. Teufik, die niet tegen vlekken kan, ergert zich. Over het meisje, dat Sophie blijkt te heten, komen we niet veel te weten. 'Het is haar nooit gelukt haar accent kwijt te geraken', vertelt ze, en haar Vlaams blijft even mysterieus als haar aanwezigheid in het hotel.

Om zeven uur is Teufiks dienst afgelopen. In het kantoortje naast de hal verkleedt hij zich. Dan wordt hij voor een klusje geroepen. In witte broek en knalgeel t-shirt snelt hij weg, nog gauw de hotelpet op z'n kop drukkend. Sophie loopt het kantoortje in en hangt netjes zijn uniform in de kast. Ze wil de stapel bankbiljetten meenemen, die Teufik in het borstzakje van zijn overhemd altijd bij zich draagt om eens, als hij gaat trouwen, een uitzet te kopen. Maar er is iets tussen hen ontstaan in die laatste uren van de nacht. Zij steelt maar een paar briefjes, loopt het hotel uit, zwaait naar Teufik die haar niet ziet, en verdwijnt.

'De Nachthal' is het toneelschrijfdebuut van de cineaste Chantal Akerman, die juist deze dagen in het Rotterdamse filmfestival en op de televisie in de belangstelling staat. Het Kaaitheater in Brussel vroeg de Duitse regisseur Jürgen Gosch het stuk in de vertaling van Erik de Kuyper te regisseren. Akerman, die een representant is van de 'minimal cinema', wat kennelijk de cinematografische pendant van de 'minimal music' is, schept in haar stuk een atmosfeer die minimaal is in die zin, dat de wereld buiten de hotellobby nauwelijks naar binnen dringt. Het is een sfeer van het meisje en de dood, in een onpersoonlijke, veel te grote ruimte gevangen.

Een focus, het camera-oog, ontbreekt. Mise-en-scène is hier, afgezien van de stofzuigende werkster, overbodig. Het dramatisch conflict is zo rudimentair, dat je heel goed moet opletten om er iets van gewaar te worden. Teufiks ideaal van de ongevoeligheid-onder-het-werk ontkomt ook in het fraaie spel van Azzaoui niet aan een verpletterende trivialiteit. Ik begrijp dus niet, afgezien van het feit dat je van een 'sfeervolle voorstelling' kunt spreken, waarom zo'n piepdun verhaal in zo'n groot decor (van Donald Becker) in zo'n grote zaal als de Rotterdamse Schouwburg voor zo'n handjevol toeschouwers gedramatiseerd werd. Een kleine novelle, of desnoods een kort tv-drama, was toch veel effectiever geweest?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden