De weggemoffelde held

Hij was de Nederlandse Alexander de Grote - totdat het imago van generaal Van Heutsz veranderde. Hoe herdenk je een held met twee gezichten?

In de recente commotie over het gedicht 'Foute keuze' ontkende Nine Nooter stellig dat het Comité 4 en 5 mei, waarvan zij de directeur is, een 'verbreding' van de herdenkingen nastreefde. Het comité heeft van de regering de taak gekregen 'het levend houden van de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog'.

Toch doet het comité aan 'verbreding'. Bijvoorbeeld wanneer vandaag onder auspiciën van het Amsterdamse Comité 4 en 5 mei in een manifestatie bij het monument op het Olympiaplein in wordt stilgestaan bij Van Heutsz - hij is van ver voor de Tweede Wereldoorlog - en in hem bij het verleden van Nederland als koloniale mogendheid.

Maar welk verleden? En welke Van Heutsz? Toen in 1903 officieel de definitieve onderwerping van Atjeh aan het Nederlandse gezag werd geproclameerd (een claim die prematuur zou blijken) leidde dit in het moederland tot groot enthousiasme en uitbundige jubel. De inhuldiging in het vaderland van generaal Joannes Benedictus van Heutsz als de bedwinger van het opstandige gewest werd een triomftocht van het Nederlands imperialisme, met hem als dé nationale held.

Toen in 1935 in aanwezigheid van koningin Wilhelmina en kroonprinses Juliana het monument voor hem werd onthuld, vergeleek premier Colijn generaal Van Heutsz met niemand minder dan Hannibal, Caesar en Alexander de Grote. Nog maar twee jaar eerder heeft de muiterij op 'De Zeven Provinciën' de natie opgeschrikt en de plechtigheid werd aanleiding voor vastberaden betuigingen van koloniaal behoud.

"De les die Colijn de aanwezigen las", meldde een aanwezige, "was: bewaar de koloniën met Godes hulp tot in den dood getrouw."

Het monument is trouwens vervaardigd door een communist, Frits van Hall. De meeste progressieve beeldhouwers wilden niet meedingen naar de opdracht, maar Van Hall besefte blijkbaar dat het oordeel over de geschiedenis verschuift naar tijd en plaats.

Hij wees er te zijner verdediging en met vooruitziende blik op dat je de plaquette met Van Heutsz' beeltenis er gemakkelijk 'met een koevoet' kunt afhalen. Frits van Hall: "Vervang het door de woorden Vrijheid, Merdeka Indonesia en je hebt een Vrijheidsbeeld."

En inderdaad: na de Tweede Wereldoorlog en na de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië veranderde ons beeld van Van Heutsz. In de jaren zestig werd het monument doelwit van aanslagen en 'ludieke acties'.

Bij zijn standbeeld in Coevorden plaatsten twee provo's - van wie de jonge Relus ter Beek het nog tot minister van defensie zou brengen - een bord met de tekst: "Ontslapen onder het hakenkruis; gesneuveld bij het uitmoorden van het 39ste Atjehse dorp; bij het verkrachten van de 79ste Atjehse vrouw om het geschokte vertrouwen van het Nederl. Indische bestuur opnieuw te funderen."

In Amsterdam werd daarop - wat zei Van Hall? - de plaquette met Van Heutsz' beeltenis van het monument gesloopt; de verroeste haken waarmee die bevestigd was, bleven uit het gesteente steken om daaraan te herinneren. Later verdween ook zijn naam.

Men pleitte ervoor het monument aan Multatuli te wijden, maar die kreeg een vele malen uitvergroot borstbeeld elders in de stad. De lieu de mémoire aan het Olympiaplein bleef verweesd achter.

Het was duidelijk dat de autoriteiten met Van Heutsz in hun maag zaten. Van held was hij voor de Nederlanders van nu de bad boy bij uitstek geworden.

Maar toen ik ooit te Jakarta in het Nationaal Museum, gelegen op het voormalige Koningsplein dat nu Merdekaplein heet, aan Indonesische studenten vroeg of ze wisten wie Van Heutsz was, zeiden ze prompt: "Ja, dat is de man die van ons land een eenheidsstaat gemaakt heeft."

En zo is het. Of: zo is het óók.

Geschiedenis is nooit eenduidig. Van Heutsz' voornaamste wapenfeit was dat hij na drie decennia de Atjehoorlog met succes beëindigde. Deze had alleen al in de eerste twintig jaar aan tweeduizend Nederlandse militairen, tienduizend Javaanse dwangarbeiders en nog eens 35.000 Atjehers het leven gekost. De kosten bedroegen vijfhonderd miljoen gulden. De campagne diende de voltooiing van het Nederlandse koloniale rijk in Azië en het definitief vastleggen en garanderen van zijn buitengrenzen.

Als gouverneur-generaal van Nederlands-Indië zette Van Heutsz dat beleid voort. Volgens zijn biograaf J.C. Witte werd in zijn ambtsperiode "een aantal los samenhangende gebieden, die in een bepaalde verhouding stonden tot het Nederlands gezag, hecht aaneengesmeed tot een Nederlands koloniaal rijk. De eenheid werd gesmeed en pas in die tijd is er werkelijk sprake van Nederlands-Indië."

Ook het sociaal-democratische Kamerlid H. H. van Kol, onvermoeibaar voorvechter van een humaner beleid in de koloniën, zwaaide Van Heutsz lof toe als de 'pacificator' van het opstandige Atjeh. Enkele jaren eerder had minister-president Abraham Kuyper (ARP) in de troonrede namelijk het voeren van 'ethisch' koloniaal beleid tot 'roeping' van Nederland verklaard, en dat was ook sociaal-democraten uit het hart gegrepen. In die roeping klinkt de echo door van Multatuli: de 'opheffing van den inlander' als koloniaal ideaal.

En juist mede door de militaire successen van Van Heutsz werd zulk beleid mogelijk. Volksopvoeding, gezondheidszorg en welvaartsontwikkeling kunnen alleen effectief bevorderd worden als de overheid haar onderdanen kan bereiken, dus pas indien de hele Indische archipel 'onder bestuur' gebracht zou zijn. Het monument op het Olympiaplein stelt dan ook geen krijger te paard voor, maar een rijzige vrouw die het Nederlands gezag symboliseert.

Van Heutsz voerde, met regeringsadviseur en eminent islamkenner Christiaan Snouck Hurgronje, een 'ethisch imperialisme' uit. Een tegenstelling in zichzelf? Niet in de ogen van hun tijdgenoten. Multatuli's 'Max Havelaar' was als een 'rilling door het land' gegaan, Nederland raakte in de ban van de gedachte dat het een 'ereschuld' had in te lossen aan de koloniën door voortaan overzee een beleid te voeren dat weldadig zou zijn voor de inheemsen. Multatuli's relaas over knevelarijen had de overtuiging gesterkt dat de inlander beter af was onder ons bewind - mits van de beste bedoelingen bezield - dan onder dat van zijn wrede en corrupte eigen vorsten. Ook premier Drees zou dat later vaak herhalen: we mochten de onderdanen daar toch niet zomaar overlaten aan hun eigen tirannieke vorsten? Wie zich het bewind van Soekarno en Soeharto herinnert, weet dat hij niet helemaal ongelijk had.

Terwijl Snouck probeerde de inheemse adel voor Nederland te winnen, voerde Van Heutsz een contraguerrilla door het 'rusteloos achtervolgen van de vijand'. Hij verbood daarbij "onder welke omstandigheden ook kampongs, moskeeën of woonhuizen te verbranden. Zelfs bij militaire excursies in streken die in verzet zijn, mogen alleen verblijven buiten de kampong van bendehoofden en hunne benden verbrand worden."

Natuurlijk gingen ook onder zijn leiding in Atjeh kampongs in vlammen op, maar hij was de eerste gezagsdrager die deze praktijk verbood. Zoals hij ook een eind maakte aan de blauwgekafte rapporten die officiële leugens verspreidden over het verloop van de oorlog.

Niet alleen kon door onderwerping van het gewest het koloniaal bestuur zich in Atjeh vestigen, ook werd het in toenemende mate opengesteld voor exploitatie door Europese ondernemingen. Toen de Koninklijke Petroleum Maatschappij de olie die er gewonnen werd via een 128 kilometer lange pijpleiding wilde vervoeren naar een raffinaderij in Oost-Sumatra, weigerde Van Heutsz daarvoor toestemming te geven. Hij eiste dat in Atjeh zelf een raffinaderij werd gebouwd voor de ontwikkeling van het gebied. "Daartoe dienen Europeesche nijverheid en landbouw in het land gehaald", schreef hij. "Het gaat toch niet aan, dat de ontwikkeling van het gewest Atjeh opgeofferd zou worden ten bate van een maatschappij, die nu eens bijzonder voordeelig exploiteren wil."

Het was een modern standpunt: exploitatie van natuurlijke rijkdommen moet ten goede komen aan de bevolking van het gebied waar ze gewonnen worden. Maar het koloniale gouvernement in Batavia gaf toch vergunning de pijpleiding aan te leggen en negeerde de bezwaren van Van Heutsz, die er een levenslange wrok tegen de oliemaatschappij aan overhield. In het algemeen belang moest volgens hem "de Regeering en niet particuliere slampampers de winst opstrijken". Hij wilde Atjeh tot welvaart brengen en zag met woede hoe de Koninklijke 'de rijkdommen wegpompt'. Hij was dan ook een van de weinige hoge koloniale gezagsdragers die later geen functie kregen bij Shell.

Maar ter plaatse geniet Van Heutsz zelfs nu nog 'groot aanzien' als bestuurder.

Hij was de man die meer van debodemschatten aan Atjeh ten goede wilde laten komen dan het onafhankelijke Indonesië later ooit zou doen. Dat wisten die studenten in Jakarta ook.

Als gouverneur-generaal van Nederlands-Indië voerde Van Heutsz op grote schaal desa-scholen in voor eenvoudig onderwijs aan de boerenbevolking; het werd een groot succes. Hij slaagde erin de hormat af te schaffen, het 'overdreven kruiperig eerbetoon' aan Europese bestuurders, die door 'pajongzwaaiers' tegen de zon beschermd plachten te worden. Hij ijverde voor opneming van inheemsen en Indo-Europeanen in het nog exclusief Europese bestuursapparaat. Het was een uitgesproken ethisch beleid.

En toen het eerste nationalistische blad verscheen, Bintang Hindia ('De Ster van Indië'), verleende Van Heutsz het blad vrijdom van port en een renteloze lening, liet er overheidsvoorlichting in opnemen en sommeerde alle bestuursambtenaren per circulaire propaganda voor het blad te maken. Dat leidde tot een storm van verontwaardiging over aantasting van de persvrijheid en de gouverneur-generaal moest zijn circulaire weer intrekken. Maar de intentie was duidelijk en in flagrante strijd met het gangbare beeld van Van Heutsz als koloniale onderdrukker.

Dat maakt hem tot een boeiende figuur: enerzijds de houwdegen en koloniale veroveraar, anderzijds de natiebouwer en hervormer.

Aan Van Heutsz kon de gecompliceerde werkelijkheid van het kolonialisme treffend geïllustreerd worden. Maar het stadsdeel Amsterdam-Zuid zat in toenemende mate in zijn maag met het aan Van Heutsz gewijde monument. Het besloot het te herdopen tot 'Monument Nederland-Indië'. Zo stoot je niemand voor het hoofd en spaar je zowel de kool als de geit.

Het instituut Clingendael adviseerde nog aan het monument de jaartallen 1596 - 1949 toe te voegen: het jaar waarin Cornelis de Houtman met vier schepen voor anker ging in de baai van Bantam en het jaar waarin Nederland de soevereiniteit over Nederlands-Indonesië afstond. Maar daarmee zou je degenen op de tenen getrapt hebben volgens wie Indonesië al in 1945 onafhankelijk werd toen Soekarno en Hatta de republiek uitriepen. Uiteindelijk is er daarom maar een zuiltje gekomen waarop staat: 'Innig Nederlands Indië', met de jaartallen: 1596, 1935, 1945, 1949, 2001, 2007.

Daarmee wordt het besluit van het stadsdeel uit 2001 om het monument te renoveren op één lijn gesteld met het uitroepen van de Indonesische onafhankelijkheid. Waarin een stadsdeel groot kan zijn!

Toen iemand op een inspraakbijeenkomst over de toekomst van het monument bepleitte daarin ook aandacht te schenken aan de 'positieve aspecten' van de Nederlandse koloniale aanwezigheid in Indonesië, werd hij weggehoond en werd hem toegeroepen of de 'geweldige Hitler' aan wie wij de Duitse autosnelwegen te danken hebben, dan soms ook een standbeeld moest krijgen.

Er is nu eenmaal een sterke behoefte om de geschiedenis in een contrast van zwart en wit te zien. Zowel de verering van de absoluut goeden (Willem van Oranje, Anne Frank) als de verkettering van de slechten (Jan Pieterszoon Coen, Van Heutsz) geeft ons blijkbaar een goed gevoel over onszelf. Nuances bederven dat beeld. Maar die bepalen wel de historische werkelijkheid.

In Hoorn is dat beter aangepakt. Daar pleitte een burgerinitiatief ervoor het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen op het Rode Steen volledig uit het straatbeeld te verwijderen: het ging immers niet aan zo prominent een figuur te eren die op de Banda-eilanden opdracht gaf tot massamoord teneinde de nootmuskaatoogst veilig te stellen voor de Verenigde Oostindische Compagnie! Het initiatief kreeg onverwachte hulp van een vrachtwagenchauffeur die het beeld bij een onhandige manoeuvre van zijn sokkel reed.

Het gemeentebestuur vond dat het niet aangaat de historie wit te wassen. Het liet het beeld herstellen en weer plaatsen, compleet met Coens lijfspreuk 'Dispereert niet', maar met op de sokkel een toelichting, die zowel zijn 'agressieve beleid, harde handelspolitiek en strafexpedities' vermeldt als het feit dat hij als een nationale held gold en een 'krachtdadig en visionair bestuurder' was die in plaats van het uitbaten van de kolonie ten bate van het moederland de ontplooiing van een inter-Aziatisch handelsnetwerk voorstond.

Zo'n evenwichtige opvatting van de koloniale geschiedenis zal wel een uitzondering blijven. "Wanneer het verleden opspeelt en het nationaal geheugen uiterst zwak is, gebeuren er rare dingen", heeft de historicus Joop de Jong geschreven. "Er is een steeds sterker wordende tendens om brokken verleden volstrekt geïsoleerd en los van hun oorspronkelijke context te duiden. Het verleden wordt door de mal van het heden gedraaid. Het wordt gemoraliseerd. Een huidige generatie treedt als rechter op en plaatst een vorige generatie in de beklaagdenbank." Met Van Heutsz op de voorste rij.

Dit artikel is een bewerking van de bijdrage die John Jansen van Galen vanmiddag levert aan 'Hacking History', een bijeenkomst belegd door het Amsterdams Comité 4 en 5 mei bij het voormalige Van Heutszmonument, vanaf 16.30 uur op het Olympiaplein in Amsterdam-Zuid.

Van Heutsz uit het zicht
Luitenant-generaal J. B. van Heutsz overleed in 1924, in Montreux. Drie jaar later volgde zijn herbegrafenis in een praalgraf in Amsterdam, het belangrijkste graf op de dodenakker, met twee krijgers als dodenwachters naast de toegangsdeur.

Van Heutsz had een staatsbegrafenis gekregen, uniek voor een man die niet van koninklijken bloede was. Met dank aan zijn heldenrol in de Atjeh-oorlog. Kritiek op het monument dat aan hem gewijd was (zie blz. 4 en 6, in 1935 onthuld door koningin Wilhelmina) was er vrijwel meteen; zijn zoon vond de afgebeelde vrouwenfiguur een miskenning van zijn vaders daadkracht. Geheel andere kritiek klonk vanaf de jaren zestig: Van Heutsz, beschuldigd van geweldsexcessen op Atjeh, stond toen voor alles wat fout was aan het koloniaal beleid van Nederland. In Coevorden moest een borstbeeld van Van Heutsz het ontgelden; in 2009 is het verplaatst. Het staat nu dichtbij Van Heutsz' geboortehuis. In 2003 moest het praalgraf (en de stoffelijke resten erin) verplaatst worden naar een minder prominente plaats op de Nieuwe Ooster (foto's hiernaast) - maar het is nog wel altijd een Rijksmonument. Een jaar later is het monument in de hoofdstad van functie gewisseld: het is niet meer gewijd aan Van Heutsz, maar aan 'Indië-Nederland'.

John Jansen van Galen is journalist en doet bij het Instituut voor Migratie en Etnische Studies (UvA) onderzoek naar de dekolonisatie van de Nederlandse koloniën.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden