De weggemoffelde geschiedenis van een wonderpil/Aspirine

De eerbiedwaardige honderdjarige kan terugkijken op een roemrijk verleden als een van de grootste medische kaskrakers aller tijden. En dan te bedenken dat het maar een haartje heeft gescheeld, of Aspirine was nooit op de markt gekomen. De Meppeler Apotheker T. Rinsema reconstrueerde de intriges rond de introductie van de 'pil van de eeuw'.

Het verhaal begint in het Bayer-laboratorium in het Duitse Wuppertal, eind vorige eeuw. Velen zochten in die tijd naar een vervanger voor wilgenbast-extract, dat al sinds de middeleeuwen werd gebruikt als een natuurlijke pijnstiller. De oude heer Hoffmann slikte het tegen zijn reuma, maar met tegenzin. Het hielp wel, maar smaakte akelig en vrat in op de maagwand.

Hoffmanns zoon, een jonge en talentvolle Bayer-chemicus, ging met de werkzame stof - salicylzuur - aan de slag om zijn vader te helpen. Op 10 augustus 1897 had hij beet. Hij wist salicylzuur te binden aan azijnzuur. Resultaat: een tevreden vader en een tevreden werkgever. Want Aspirine - mét hoofdletter, het is een merknaam - werd een grote medische kaskraker. Een succesverhaal. Maar is deze versie van de geschiedenis ook wáár? De Meppeler apotheker T. Rinsema stuitte in de Bayer-archieven, op zoek naar gegevens voor zijn proefschrift over de geschiedenis van synthetische geneesmiddelen, op enkele ongerijmdheden. Alleen al de datum op de geboorteakte van Aspirine: 23 januari 1899, vandaag op de kop af honderd jaar geleden. Op die dag stelde de Bayer-directie voor, de chemische stof acetyl-salicylzuur onder de naam Aspirin aan te melden bij het Keizerlijke Patentbureau. Anderhalf jaar na Hoffmanns ontdekking, en dat was in die dagen ongehoord lang. Apotheker Rinsema werd argwanend en dook nogmaals in de archieven van de Duitse geneesmiddelenfabrikant. Hij kwam tot een nieuwe versie van de ontstaansgeschiedenis van Aspirine.

De hoofdrol in zijn reconstructie speelt de onfortuinlijke Arthur Eichengrün, hoofd van het chemische laboratorium van Bayer en de baas van Hoffman. Een van hun eerste projecten was het vinden van een vervanger voor salicylzuur. Gewoon chemisch handwerk, dat wetenschappelijk niet bepaald in hoog aanzien stond: de chemici probeerden systematisch alle denkbare combinaties van stoffen uit. Dat Felix Hoffmann raak schoot was meer geluk dan wijsheid.

Aanvankelijk leek het er op dat Hoffmanns ontdekking in de krochten van het bedrijf een roemloos eind zou vinden. Alle stofjes die de chemici ontwikkelden, gingen voor klinisch onderzoek naar de afdeling farmacologie. Daar zwaaide Heinrich Dreser de scepter. En Dreser meende dat het nieuwe acetyl-salicylzuur slecht was voor het hart. Het zou ritmestoornissen veroorzaken. Een onzinnige bewering, bleek later. Maar er viel weinig tegenin te brengen. Dreser kreeg, als eerste hoogleraar die bij Bayer in dienst trad, veel privileges. Eén ervan was dat men zijn mening niet betwistte. Dat had hij zelfs in zijn contract laten vastleggen. De fabrikant was daarmee akkoord gegaan, al lang blij dat zij een hoogleraar had weten te paaien. In wetenschappelijke kringen stond het bedrijfsleven in die dagen laag aangeschreven. De nijdige Eichengrün legde zich niet neer bij het veto van Dreser. Hij toog 's avonds naar zijn laboratorium om op eigen houtje acetyl-salicylzuur te maken. Dat stuurde hij heimelijk naar Felix Goldmann, artsenbezoeker van Bayer in Berlijn. Goldmann gaf het goedje aan bevriende artsen, die het op hun patiënten uitprobeerden. De artsen waren laaiend enthousiast. Het middel bleek uitstekend te werken tegen reumatische klachten. Bovendien, ontdekte een tandarts die het bij toeval in handen kreeg, bleek het ook nog eens een prima pijnstiller.

Een pijnlijke kwestie voor de Bayer-directie. Maar uiteindelijk verordonneerde geneesmiddelendirecteur Duisberg dat een onafhankelijke farmacoloog opnieuw onderzoek moest doen naar de afgekeurde stof. Vanaf dat moment klopt de officiële Bayer-geschiedschrijving weer.

Bayer besefte al snel, een goudmijntje in handen te hebben. De prijs werd vastgesteld op 42 mark per kilo, een fors bedrag in 1899. Want, vonden de 'marketeers', “het is een waardevol product en dus mag de prijs er ook naar zijn”. De artsen moesten er vervolgens wél toe worden aangezet het middel daadwerkelijk voor te schrijven.

De fabrikant liet er geen gras over groeien. Huisartsen en internisten die het middel hadden uitgetest maar daar “uit luiheid, gemakzucht en valse bescheidenheid” nog niet over hadden gepubliceerd, werden daar op bijeenkomsten toe aangezet. Een arts die uitstekende resultaten zag bij 160 patiënten met nerveuze aandoeningen, weigerde. Maar Bayer vond een andere oplossing: de gunstige ervaringen zouden onder de vlag van een bekende naam worden gepubliceerd. Reclame moest de rest doen. Er was een royaal budget beschikbaar, 20000 mark. Artsen werden bestookt met drukwerk, dat in oplagen van maar liefst 50000 van de persen rolde. Bayer besloot minstens eenmaal per maand een brochure of publicatie uit te brengen. Redacties van medische tijdschriften kregen monsters toegezonden met het verzoek er een referaat over te laten schrijven. Een slimme zet, voor die tijd revolutionair, was het besluit om Aspirine in tabletvorm op de markt te brengen. Dat was nooit eerder gedaan met een belangrijk geneesmiddel. De fabrikant verstrekte poeders aan de apothekers, die vervolgens zelf pillen sloegen of drankjes bereidden. De apothekers vervloekten dan ook, uit broodnijd, de tabletvorm. Maar zelfs een bezoek van de 'Deutschen Apothekersvereins', onder leiding van voorzitter Stöcker, kon de Bayer-directie niet vermurwen.

Het marketingoffensief was buitengewoon succesvol. Aanvankelijk schreven artsen Aspirine alleen voor bij koorts en pijn, maar de lijst indicaties groeide snel: ontstekingen van borstvlies, amandelen en blaas, gonorroïsche gewrichtspijnen, jicht.

Even zag het er naar uit, in de jaren zestig, dat het middel uit de gratie zou raken wegens de bijwerkingen: maagbloedingen en nieraandoeningen. Het goedkopere paracetamol, dat ook nog eens minder nadelen had, leek de strijd te winnen. Maar enkele jaren later zat het aspirientje weer stevig in het zadel. Vanwege de bloedverdunnende werking bleek het bij uitstek geschikt om een eerste of tweede hartinfarct of een beroerte te voorkomen.

En de beklagenswaardige Arthur Eichengrün? Het lot bleef hem ongunstig gezind. In het begin van deze eeuw dook zijn naam nog weleens op in verband met de ontdekking van Aspirine. Enkele tientallen jaren later blek hij uit de geschiedenis weggeschreven. In 1941 bezocht hij het 'Deutsches Museum' in München. Via de achteringang, want als jood mocht hij het pand niet via de voordeur betreden. Hij was ontzet toen hij de erezaal van de afdeling chemie betrad. Op een grote vitrinekast, gevuld met witte kristallen, stond het opschrift 'Aspirine. Uitvinders: Dreser en Hoffmann'.

Misschien was het wetenschappelijke kinnesinne, misschien werd Eichengrüns rol ontkend omdat hij joods was. Bayer bestreed niet alleen de pijn in de wereld met aspirientjes, maar speelde ook een dubieuze rol in de Tweede Wereldoorlog. Bayer maakte sinds 1925 deel uit van IG Farben, dat na de oorlog door de geallieerden werd ontbonden. In de fabrieken van het chemieconcern hadden tijdens de oorlog duizenden voornamelijk joodse dwangarbeiders gewerkt. Vol wrok schreef Arthur Eichengrün in 1944 zijn verhaal op. Hij zat toen in concentratiekamp Theresienstadt. De oorlog overleefde hij, hij stierf enkele jaren later. Bayer had hij al in 1908 verlaten om zijn eigen, succesvolle bedrijf te starten. Dat bedrijf werd hem afgepakt door de nazi's. Zoals hem eerder eeuwige roem ontging als ontdekker van een springlevende honderdjarige: Bayer perst elk jaar nog zo'n elf miljard aspirientjes.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden