De wegen van Leiden zijn geplaveid met boeken

Hopeloos en horendol kun je er van worden: het boek dat je al jaren zoekt is niet voorhanden en wordt nooit meer herdrukt. En opeens, zomaar op een onvermoede dag, en terwijl je iets anders zocht, heb je het in handen. In deze zomerweken dolen vijf redacteuren door Nederlands antiquariaten op zoek naar hun (verloren) hartstocht en berichten over hun bibliofiele triomf of nederlaag. Burgersdijk & Niermans / 'Templum Salomonis', Nieuwsteeg 1 Leiden, 071 - 5121067. Geopend van maandag tot en met vrijdag 9 tot 18, zaterdag van 11 tot 17 uur.

ONNO BLOM

In de tegenovergestelde richting van de haastige student (. . . zeker te laat voor een tentamen) wandel ik rustig de smalle Kloksteeg in. Ik realiseer me dat ik gedachteloos een door de eeuwen uitgesleten sluiproute door het centrum van Leiden heb gekozen: de kronkelige dwaalweg van het oude Academiegebouw, langs de zuidkant van de Pieterskerk in de richting van de Breestraat en de middeleeuwse Burcht. Ik loop in de verloren voetstappen van duizenden studenten, hoogleraren, schrijvers, drukkers en uitgevers.

Geen wonder dat vanaf het moment dat aan het Rapenburg de Academie verrees - in 1574 schonk Willem van Oranje de eerste Universiteit van de Noordelijke Nederlanden aan Leiden als beloning voor het verzet van de bevolking tegen de Spaanse belegering van de stad - de wegen in het hart van de stad niet alleen met kinderhoofdjes, maar ook met boeken zijn geplaveid.

Om de lome bocht die de Pieterskerk maakt, schijnt de zon gemoedelijk over het golvende patroon van grijze straatsteentjes. Zwaaiend en knarsend in de wind trekt een ijzeren uithangbord op de hoek de aandacht. 'Templum Salomonis' roept het bord de voorbijgangers toe. Is dat niet de naam van een bibliotheek die eeuwen geleden door een rijk man aan de Leidse bevolking werd nagelaten? Aan de voorkant van het huis, tussen twee hoog opgetrokken spiegelende ramen, levert een gevelsteen in telegramstijl de historische feiten:

Op deze plaats stond het huis van de eerste Leidse rechtgeleerde Philips van Leyden 9.VI.1382 wiens bibliotheek hier tot de zestiende eeuw bijeengehouden bleef.

Burgerdijk & Niermans 1894 - 1994

Nog steeds draagt dit pand, hoewel het niet meer hetzelfde is als in de veertiende eeuw, dezelfde naam: 'Templum Salomonis'. Sinds 1894 zit hier het antiquariaat en veilingshuis van de firma Burgersdijk & Niermans. Dit moet mijn plaats van bestemming zijn, een plaats waar nog altijd - als in de tempel van Salomon - de wijsheid troont: in afzonderlijke delen, gedrukt op fraai papier en gebonden in dikke banden.

Direct achter de openstaande zware, eikenhouten deur hangt in de koele, marmeren hal een grote stadsplattegrond uit 1670. Met mijn vinger volg ik de route die ik zojuist heb afgelegd. De meeste huisjes in 'Lugdunum Batavorum' die de zeventiende eeuwse kaartenmaker ieder afzonderlijk met de hand heeft ingetekend, staan er nog. Ook dit pand, op de hoek van de Nieuwsteeg en de Pieterskerkgracht is heel goed te onderscheiden.

Plato en Homerus, wier gebeeldhouwde koppen zich hoog in de hal als Scylla en Charybdis hebben opgesteld, tonen zich in het geheel niet onder de indruk van mijn geografisch inzicht. Met gefronsde wenkbrauwen en beginnen zij tussen hun nukkige stenen baardharen een zwaar gesprek over de bezoeker die het waagt hun te storen. Toch keuren ze me, als ik onder ze doorloop, al geen blik meer waardig.

De glazen binnendeur kondigt mijn komst bij de antiquaar aan. Een belletje klinkt ver weg, terwijl ik, even helemaal alleen in de weldadige stilte, mijn ogen laat gaan over de ruggen van de boeken. Een houten trapje leidt als het ware mijn blik trede voor trede omhoog langs de namen van Orwell, via Nabokov naar Hemingway. 'For whom the bell tolls'.

Aan de linkerkant buigen de boekenkasten zich de hoge lichte kamer uit naar een lagere, door krakende plafondbalken ondersteunde ruimte. Op de planken gaat de buitenlandse literatuur over in de uitgebreide afdeling klassieken en filosofie. In de laatste kasten langs de lange wand staat keurig op achternaam, van Achterberg tot Zwagerman, de Nederlandse literatuur.

Pas bij het zien van de romans en dichtbundels van de moderne Nederlandse schrijvers borrelt het gevoel op dat mij altijd op zeker moment in antiquariaten overvalt: hebzucht! Ik wil de boeken dan wel allemaal tegelijk omarmen, van de planken rukken en in een dichtgespijkerde kist mee naar huis nemen. Ik geef het toe: ik ben nog erger dan een kind in de snoepwinkel.

Gelukkig komt de antiquaar uit een zijdeur de zaak binnen. Zijn zacht geprevelde groet brengt mij terug op aarde en verdrijft het idee mijn inhalige gedachten tot uitvoer te brengen. Met een schuin hoofd schuifel ik langs de rijen ruggen. Af en toe neem ik een boekje ter hand en blader wat. Als ik alles een keer vluchtig heb bekeken keer ik terug naar de drie schrijvers van wie ik het liefst alles, maar dan ook alles, in huis zou willen hebben.

Van Gerard Reve staat er aardig wat, maar de kwaliteit is weinig uitzonderlijk. Twee exemplaren van 'De taal der Liefde', zijn twee brievenboeken in de Stoa-reeks van Van Oorschot en wat van die vreselijke Elsevier-uitgaven. 'Moeder en Zoon', 'Roomse Heisa'. Die hebben al ezelsoren als je er alleen maar naar kijkt. Helaas niets uit de tijd dat Gerard nog Simon heette.

Nog iets verder terug staat het werk van 'de verschrikkelijke Willem Frederik', zoals hij zichzelf in 'Mandarijnen in Zwavelzuur' heeft genoemd. Ook op deze plank tref ik niet aan wat ik zoek. Hermans' boek over Wittgenstein staat er wel. Slappe kaft, nog niet zo oud natuurlijk, maar toch niet echt goedkoop: vijfendertig gulden. De essaybundel 'Houten leeuwen en leeuwen van goud' ziet er nog goed uit, maar die staat al bij me thuis. Net als de 'Boze Brieven van Bijkaart'. Ik kan ik het niet nalaten nog even de inleiding te lezen, waarin Hermans uitlegt hoe zijn alter ego schrijft: 'Bijkaart laat zinnen waarin hij een dwaling voorkomen zal of rechtzetten, beginnen met een vermanend 'Nee! Nee!' en als hij geschokt, geergerd, of blij is, roept hij: 'O!' Het laatste dient ook om ironische passages duidelijk aan te kondigen, zodat zelfs 'de ernstigste professor in de letterkunde geen gevaar loopt ze verkeerd op te vatten.'

Voor dit soort humor zou de derde schrijver van wie ik de boeken verzamel - helaas, vanwege geldelijke overwegingen, op zeer kleine schaal - waarschijnlijk geen gevoel hebben gehad. Louis Couperus nam zichzelf daarvoor als schrijver veel te serieus. Ik weet zeker dat de enkele keer dat ik moet lachen om Couperus' proza, vanwege zijn zo tragische en tegelijk onvoorstelbaar mierzoete zinnen, het absoluut niet zijn bedoeling is geweest mij aan het lachen te krijgen.

Daarmee zij niet gezegd dat Couperus' boeken bijna honderd jaar nadat hij ze heeft geschreven louter lachwekkend zijn. Integendeel, als ik eenmaal een paar bladzijden gewend ben aan zijn gekrulde zinnen, treft me de haarfijn opgetekende sfeer van verval en decadentie waarin zijn personages zich maar moeten zien te redden.

Toch heb ook een duidelijk ander, eigenlijk meer voor de hand liggend motief voor de liefde voor Couperus' boeken. Ze zijn zo verschrikkelijk mooi uitgegeven. De omslagen van de eerste drukken van Couperus' romans zijn ontworpen door beeldend kunstenaars van naam. Jan Toorop tekende onder andere de schitterende esoterische omslagen voor 'Psyche' en 'Babel' en R.N. Roland Holst voor 'Majesteit'. De uitgever van Couperus, L.J. Veen, liet bovendien ook altijd een aantal luxe-exemplaren drukken voor Couperus zelf. Een keer heb ik zo'n boek in handen gehad. Het was gebonden in het fijnste zwarte fluweel. Zacht gleden mijn handen over de band. De tastbare illusie.

Ik zie direct dat de mooiste exemplaren van Couperus hier niet in de kast staan. Arno de Bruin, de antiquaar, bemerkt mijn teleurstelling. Hij nodigt me uit mee te komen door de zijdeur naar het magazijn. Wie weet ligt er daar nog iets interessants voor me.

De telefoon gaat.

De Bruin neemt op. “Jazeker! Dat komt eraan. Het zal bij de portier worden afgegeven. Maakt u zich geen zorgen. Goedemiddag.” Klik. Hoorn op de haak. “Onze klant in Endegeest, de psychiatrische kliniek in Oegstgeest. Deze meneer koopt bij ons de ingewikkelste theologische en filosofische boeken. Hij is waarschijnlijk de enige die ze ook werkelijk begrijpt.” Templum Salamonis heeft klanten van allerlei pluimage. Gek en Geleerd - of allebei - lopen ze de winkel binnen of bestellen per catalogus.

De Bruin gaat me voor het magazijn in. Tot mijn verbazing voldoet deze ruimte absoluut niet aan mijn clichematige beeld. Geen bedompt labyrint vol stapels stoffige boeken, waarin alleen de antiquaar zelf de weg weet. Nee, naast de winkel bevindt zich een bijna even opgeruimde, statige en heldere kamer. Aan een lange tafel zit nog iemand te werken. Papieren, kaarten en mapjes heeft hij voor zich uitgespreid. Arne Steenkamp, de compagnon van De Bruin, stelt zich voor. Steenkamp vertelt me dat hij aan een nieuwe veilingscatalogus werkt. In november komt de nalatenschap van de schrijver en vertaler Dolf Verspoor in deze ruimte onder de hamer. Hij laat me tussen neus en lippen door een klein boekje van Pablo Neruda zien, met persoonlijke opdracht aan Verspoor. “En, o ja, misschien vind je dit ook wel leuk,” zegt Steenkamp en drukt me het manuscript van een ongepubliceerd toneelstuk van Hans Andreus met een originele potloodtekening van het portret van de schrijver in handen.

Steenkamp geeft onmiddellijk toe dat je tegen zijn vak bestand moet zijn. In de tien jaar dat zij de scepter zwaaien over 'Burgersdijk & Niermans' - toen waren zij de zaak overnamen waren zij pas 27 en 33 jaar - hebben zij de mooiste dingen in handen gehad. Steenkamp wijst fijntjes op de ingebouwde kast met stapels oude drukken. Van zestiende eeuwse drukwerken tot fraaie banden uit de Franse tijd. Hij laat een naslagwerk over insecten uit 1628 zien. Van de 'Beschouwing der Wonderen Gods in de minst geachte schepselen' kunnen de fantastische, gekleurde platen uitgeklapt naast de tekst worden gehouden.

Het wekt geen verbazing dat de veilingscatalogi van Templum niet onbesproken bleven. Zo veilden De Bruin en Steenkamp in 1992 brieven die de uitgever Johan Polak aan Reve had geschreven. 'Vanwege de schunnige commentaren op derden in die brieven deed dat nog een hoop stof opwaaien.' Ook de veiling van de boekenverzameling van C. Kruyskamp, de oud-directeur van het Woordenboek der Nederlandse Taal (W.N.T.) sprak tot de verbeelding. Kruyskamp verzamelde encyclopedieen en woordenboeken. Uit de voordeur van zijn huis aan het Rapenburg stroomden 750 verhuisdozen vol, ongeveer 35.000 boeken. Daar zaten 65 verschillende encyclopedieën bij.

Zoveel boeken, zoveel indrukken. Helaas lijkt mijn eigen zoektocht tevergeefs. Of toch niet? Op het moment dat ik wil opstappen, komt De Bruin aan met een bijna vierkant grijs boekje, bedrukt met oranje letters en een Jugendstil-achtig motief. Voor me op tafel ligt een zeldzaam fraaie eerste druk van Couperus' 'Over lichtende drempels'. Het is een bundeltje met vijf verhalen, sprookjes eigenlijk. Het bundeltje waarover Couperus in 1902 uit Wiesbaden aan zijn uitgever L.J. Veen schreef: “Ik denk me ziek aan een titel! Waarom is nu Sproken van Leven en Dood ook niet goed? Ziehier: Over lichtende drempels. Dit is de mooiste, die ik vind.”

Ik lees de eerste bladzijden van het titelverhaal. Een vrouw ligt, omringd door familie, op haar sterfbed. Zij heeft het gevoel te zweven boven de lichtende drempel tussen leven en dood. Hoewel het kantoor van het bankiershuis, waar zij boven woont, al lang is gesloten blijft zij de 'tinkeling van het goud' horen:

En zoo schel was de klinkelende tinkeling der goudstukken tusschen handigen duim en vluggen wijsvinger, dat met heel fijne goudene klokjes doorklonk, onophoudelijk, alle zolderingen door, tot in de slaapkamer, waar stervende de zieke vrouw was. Maar de tante, de neven en het nichtje hoorden de goudene klokjes niet en, slechts met enkele woorden gesproken, wachtten zij af om heen te gaan. Zij dachten, dat het wel spoedig gedaan zou zijn: de tante dacht er over een krans te bestellen, de neven vroegen elkaar welke dag en hoe laat de begrafenis zou zijn, en het nichtje was een beetje bang, omdat zij de dood voelde naderen, de stad door, de breede straten langs. . .

Die drie puntjes! Dat is typisch Couperus. Op Céline na ken ik geen schrijver die ze zo vaak en doeltreffend gebruikt. De tinkeling van het goud? Tot mijn schrik bedenk ik dat ik maar honderd gulden bij me heb. Ik weet hoe de prijzen van deze boekjes kunnen oplopen. Ik vraag het De Bruin. Na een korte stilte schraapt hij zijn keel en gaat akkoord. Honderd gulden is genoeg, al verraadt zijn gezicht dat ik van geluk mag spreken.

Snel maak ik me uit de voeten. Het boekje houd ik onder mijn jas stevig tegen me aangedrukt. Ik duw de glazen deur open en hoor in de verte het laatste belletje. Tussen de deurposten valt een streep licht op de brede, marmeren drempel. Ik spring er snel overheen, en keer langs dezelfde weg terug, de stad door, de breede straten langs . . .

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden