De ware erfgenaam van mei 1968 Volks, hyperactief en amoureus

De revolutionaire geest van mei 1968 lijkt de Franse politiek nauwelijks te hebben aangeraakt, schrijft Sylvain Ephimenco. Ook de Franse socialisten waren vooral uit op bestendiging van de macht. Totdat Nicolas Sarkozy het Elysée-paleis betrok.

Het is nog maar negen maanden geleden dat Nicolas Sarkozy de hoogste trede van de hiërarchie in de Franse staat bereikte. Negen maanden presidentschap die het land voorlopig uitgeput en draaierig achterlaat.

In die korte tijd werd er heel wat geschopt in de baarmoeder van de République. Tegen conventies en tradities, tegen het decorum en de goede zeden, tegen de normatieve politieke verhoudingen en de gangbare correctheid. De man die in zijn eentje verantwoordelijk is voor een revolutionaire chaos waarvan nog niemand weet of deze in een zegen of een ramp zal uitmonden, houdt vooralsnog een moeilijk te doorgronden profiel. Of het dertigtal boeken over hem dat dit voorjaar verschijnt enig nieuw licht op de materie zal werpen, is nog maar de vraag.

Deze nieuwe president, deskundig in de dribbeltechniek, zet met veel genoegen vriend en vijand steeds weer op het verkeerde been. Intussen dreigt hij zelf het voornaamste slachtoffer van zijn schijnbewegingen te worden. Soms wekt hij de indruk zichzelf niet altijd in de hand te hebben.

De conservatieven uit de gegoede burgerij die hem in mei vorig jaar hielpen zijn republikeinse troon te bestijgen, kijken nu vol afschuw toe hoe de hedonist pur sang de covers van de roddelpers annexeert. Om diezelfde reden hebben sommige van zijn partijgenoten besloten zich in de aanloop naar de volgende lokale verkiezingen te ontdoen van het presidentiële label. Een kwestie van zelfgekozen veiligheid: hun nette achterban mort, en hunkert naar de hypocriete discretie van weleer, zonder bling bling-gedoe onder de kroonluchters van de Republiek.

Aan de linkerkant daarentegen doen sommige tegenstanders van weleer hun best om niet te bezwijken onder de charmes van de volkse, hyperactieve en amoureuze president. Hij is dekampioen van de maakbaarheid, die de deuren van zijn paleis wijd open heeft gezet voor zijn makkers uit de showbizz, voor de rooie rakkers van de politieke overkant, voor frisse allochtone meiden, en die zijn bed deelt met de nogal linkse zangeres Carla Bruni.

Frankrijk is een land van stugge conventies, waar bordjes de wandelaar om de zoveel meter op zijn beperkingen wijzen. Wie zonder macht of machtige vrienden is, volgt gedwee de commando’s van al die schreeuwerige bordjes, die de toegang tot gebouwen, parkeergarages, wooncomplexen of privézwembaden verbieden, evenals het lopen over het gemeenschappelijke gazon of het plakken van affiches op oerlelijke muren. Niet voor niets luidde een van de populairste en ludiekste slogans die tijdens de studentenopstand van mei 1968 op de Franse gevels werd gekalkt: Il est interdit d’interdire. Heel even dagdroomde een aanstormende generatie dat het voortaan werkelijk verboden zou zijn om te verbieden. Alles moest kunnen, zonder beperkingen of rem. De verbeelding was aan de macht en wie de moeite nam de straatstenen te lichten, zou het strand gegarandeerd zien verschijnen. De rellen van die ’mooie meimaand’ trokken de aandacht, wekten soms afschuw, maar ook bewondering. De Franse lente waar alles mogelijk leek, werd vooral door dromers en troubadours bezongen.

Maar na een dertigtal dagen van oproer en de daaropvolgende lome zomer, bleek dat het meivonkje er niet in geslaagd was de traditionele Franse structuren in lichterlaaie te zetten. De bordjes stonden er nog. Alles was weer op zijn plaats gevallen en de oude Franse politiek had haar rechten hervonden.

Jazeker, de bejaarde Charles de Gaulle moest een jaar later het veld ruimen, maar hij werd opgevolgd door de saaie poortwachter van het Elysée-paleis, zijn premier Georges Pompidou. In 1974 werd Valery Giscard d’Estaing op zijn woord geloofd en zwevend op een belofte van changement dans la continuité (verandering binnen de voortzetting) door de Fransen gekozen. Het werd vooral voortzetting van routine, privileges en verboden.

De immense hoop die de socialist François Mitterrand in 1981 deed opwaaien viel al snel uiteen, ondanks zijn herverkiezing in 1988. De linkse president, die zichzelf tijdens het meioproer als vernieuwend alternatief had voorgesteld, verankerde het presidentschap juist in iets stijfs, in verouderd monarchisme. Uitgerekend Mitterrand ontpopte zich als een republikeinse vorst vol minachting voor het gepeupel. Hij bleek niet vrij van paranoïde trekjes. Zonder schroom loog hij de boel bij elkaar en liet hij duizenden journalisten, schrijvers, politici en artiesten afluisteren om zijn geheim, zijn buitenechtelijke dochter Mazarine, te beschermen. Zo werd de man die op papier de natuurlijke erfgenaam van mei 1968 was, de kilste en repressiefste post-1968 president.

Eigenlijk is de ware betekenis van de studentenopstand nooit tot de top van de Franse politiek doorgedrongen. De presidenten die elkaar opvolgden hielden zich vooral bezig met het in stand houden van de gecompliceerde politieke verhoudingen. Ze waren generatiegenoten van elkaar, vertegenwoordigers van een zeer oude politiek, en hun lichaamsgeur was nog steeds doordrenkt met de uitwasemingen van oorlog en bevrijding, verzet en collaboratie. Ze werkten voornamelijk aan de wederopbouw van een nationale en internationale grandeur, die allang vervlogen was maar die ze kunstmatig bleven beademen dankzij de rituelen van de monarchale Republiek.

Deze illusionisten die het parool ’verandering’ in de kern van hun repertoire hadden opgenomen, koesterden in werkelijkheid een diepe aversie tegen al te veel beweeglijkheid en tegen de scheppende chaos die zo kenmerkend waren voor mei 1968. Dit evenement, dat ondanks zijn korte levensduur een cesuur i had weten te bewerkstelligen, zagen zij als een gril van de geschiedenis. Hervormingen en al te bruuske correcties werden geschuwd, Frankrijk kwam in het immobilisme terecht – de onbeweeglijkheid waarin het land zich nu al decennialang bevindt.

Al die jaren hebben machthebbers maar weinig te duchten gehad van de meikinderen die de Parijse straten hadden opengebroken en de universiteiten bezet. Die turbulente soixante-huitards kozen snel eieren voor hun geld en de meesten keerden die suffe Franse politiek de rug toe. Ze werden ondernemer, advocaat, journalist, mediamagnaat zoals Libération-directeur Serge July, of besloten als French doctors uit te waaieren om het wereldleed te verzachten.

In mei 1968 is Nicolas Sarkozy pas dertien jaar. Hij groeit op in een Parijs bourgeois gezin, beschermd door een toegewijde moeder. De familie Sarkozy bewoont een voornaam herenhuis in een gegoede buurt, Nicolas gaat naar het dure lyceum Saint-Louis-de-Monceau.

Van mei 1968 zal hij alleen het rumoer vaag opvangen. Zeker, wat zich op straat afspeelt intrigeert hem. Maar het echte idool van deze tiener is en blijft generaal De Gaulle.

Nicolas is klassebewust. Hij beseft, hoe jong hij ook is, dat hij aan de verkeerde kant van de beweeglijkheid en de scheppende chaos is geboren. Zijn enige bemoeienis met het evenement beperkt zich tot een mislukte poging om op 30 mei aan de grote gaullistische demonstratie mee te doen die het einde van de opstand zal betekenen. Gewaarschuwd door moeder Sarkozy, neemt de rector van het lyceum maatregelen om Nicolas op school op te sluiten. Zijn razernij is snijdend: nooit zal hij in de zee van demonstranten uit volle borst kunnen scanderen: „Tegen de anarchie, tegen de puinhoop!”

Veertig jaar later is Nicolas Sarkozy de eerste Franse president die de geest van mei 1968 het best belichaamt. Op het eerste gezicht lijkt het volstrekt krankzinnig om dat in hem te zien. Geagiteerd zijn is per slot niet hetzelfde als agitprop bedrijven. Zelf zou hij waarschijnlijk de laatste zijn om in het openbaar met dit idee te spelen. De voormalige burgemeester van de chique Neuilly-buurt in Parijs, rechts en gaullist sinds zijn vroege adolescentie, lijkt in niets op de bebaarde, langharige wereldverbeteraars die vier decennia geleden de boel op stelten zetten. Toch is deze man wel dergelijk un enfant de mai 1968.

Natuurlijk, niet alle politieke beslissingen die hij genomen heeft en hervormingen die hij nastreeft, zijn in overeenstemming met dit beeld. Maar de mens Sarkozy – de geboren provocateur, de confrontatiejunk, de apostel van het instantgenot die zich hier en nu, onbeschaamd wil uitleven, de ongeduldige gelovige in de totale maakbaarheid der dingen, de brutale en subversieve stoker, en bovenal het levende voorbeeld van de seksuele bevrijding – is tot in zijn diepste vezels de rebel die het concept van de permanente revolutie aanhangt. Zijn eigen revolutie wel te verstaan, die hij in een matrijs van egotisme zorgvuldig koestert. Het is dan ook ten strengste verboden om Sarko zomaar wat te verbieden.

De eerste die hiermee moest leren leven was Jacques Chirac. De vorige president, in alle opzichten de politieke verwekker van de kleine Nicolas, beschouwde hem heel lang als zijn aangenomen zoon, als ’de beste van ons allen’.

Maar die autoriteit stond Sarko uiteindelijk in de weg. En als er één ding is dat mei 1968 ons heeft geleerd, dan is dat om autoriteit en gezag ter discussie te stellen. Desnoods met (verbaal) geweld. Zeker als dit gezag als natuurlijk, onvermijdelijk en onwankelbaar wordt voorgesteld. Om jezelf te vervolmaken, om het genot te kunnen grijpen en je ambitie te realiseren, moet de ouderlijke macht eerst vernietigd worden. Sarkozy diende daarom eerst zijn vader te vermoorden. Hij deed dit zonder schroom, wroeging of aarzeling. Het werd een ongekende en niet eerder zo openlijke machtsstrijd binnen de partij. Een moddergevecht dat partijbonzen het schaamrood op de kaak bezorgde. Zonder ontzag voor de functie en de staat van dienst van zijn oude mentor beklom Sarko de barricade en bestookte de president met een regen van straatkeien tot er nog maar een schim van hem overbleef.

In die tijd was Sarkozy nog minister van binnenlandse zaken. Wie in die jaren goed had opgelet kon al vaststellen hoe sterk de drang van de politicus was om de boel op stelten te zetten.

Sarkozy geniet altijd bovenmatig van de schok en de ophef die hij veroorzaakt. Alles moet vlug en haastig, om directe resultaten te kunnen boeken – ook al moet hij daarvoor keihard deuren intrappen.

In april 2003 verscheen de minister plots op het congres van de fundamentalistische Unie van de Islamitische Organisaties in het Parijse Le Bourget. Een onorthodoxe zet vanwege de strenge Franse laïcité die de scheiding tussen kerk en staat markeert. Sarkozy had zich tot een slaapverwekkende toespraak kunnen beperken, en zo de met zijn komst verblijde gelovigen in kunnen pakken. Had hij er niet in zijn eentje voor gezorgd dat de Franse islam eindelijk zijn overkoepelende orgaan kreeg? Maar voor die menigte van 10.000 moslims, van wie velen met hoofddoek en in djellaba, hield hij een republikeinse speech waarin hij de grenzen van de neutrale staat aangaf. Zijn opmerking dat hoofddoekjes bij pasfoto’s niet getolereerd zouden worden – een detail dat nog niet tot tot debat had geleid – werd op boegeroep onthaald. Indrukwekkende beelden en geluidsfragmenten werden dagenlang door televisie- en radiostations uitgezonden: de kleine minister overstemd door de vijandige menigte. In één klap belandden het hoofddoekje en het respectloze gedrag van de draagsters ervan op de agenda.

Twee jaar later, in oktober 2005, besloot de minister om een bezoek aan een achterstandbuurt te brengen in het Parijse voorstadje Argenteuil. Hoewel hij dondersgoed wist hoezeer hij door migrantenjongeren aldaar werd gehaat, begaf hij zich schijnbaar achteloos en zonder stropdas in een hol vol hyena’s. De ministeriële stoet werd subiet door honderden jongeren op een regen van stenen en grove verwensingen getrakteerd. Met paraplu’s en aktentassen werd Sarkozy in bescherming genomen.

Diezelfde avond maakte hij zijn belagers voor de draaiende camera’s uit voor ’gespuis’ (racaille). Een breuk met het politieke fatsoen die hem zou achtervolgen tijdens de omvangrijke banlieue-rellen, en hem bijna zijn politieke carrière kostte.

Ook de Sarkozy van Argenteuil handelde in de geest van mei 1968: knokken in de voorste linie met alle risico’s van dien en terugschelden als het nodig is. Het mag een wonder heten dat de minister geen stenen ging oprapen om ze naar hun afzenders terug te gooien. Precies zoals studenten vroeger traangasgranaten van de grond raapten om die naar de oproerpolitie terug te werpen.

Dan komt het cruciale moment dat mijn stelling tot nu toe lijkt te ondergraven. Het is het moment waarop Nicolas Sarkozy volstrekt onverwacht de aanval inzet tegen wat hij ’de erfenis van mei 1968’ noemt. Het is een vernietigende raid die voor- en tegenstanders perplex doet staan. Tot dat moment had Sarkozy nooit enige preoccupatie getoond met eventuele meisporen in de Franse samenleving.

Het gebeurde in de laatste week van de verkiezingscampagne, op zondag 29 april 2007, in de gigantische, tot de nok toe gevulde zaal van Bercy in Parijs. Sarkozy hield hier zijn reactionairste toespraak uit de gehele campagne. Hij claimde voor zichzelf het recht ’om de erfenis van mei 1968 te liquideren’, alsof hij het over een maffiabaas had.

Volgens hem waren sinds die vervloekte maand de traditionele normen en waarden en het fatsoen onder de voet gelopen. Het verschil, merkte hij op, tussen „goed en slecht, echt en vals, de schoonheid en de lelijkheid” is sindsdien verdwenen. Zo ging het minutenlang door. En hij zweepte de verontwaardiging van zijn toehoorders nog verder op. „Herinnert u zich de slogan van mei 1968 op de muren van de Sorbonne: Leven zonder dwang, genieten zonder rem?” (’Jouir’ – ’genieten’ – betekent ook ’klaarkomen’ in het Frans, SE.)

Je hoeft geen psychiater, psycholoog of doorgewinterde politieke analist te zijn om negen maanden later te constateren dat uitgerekend deze leus het meest voor de hand ligt als het gaat om de nieuwe president.

Natuurlijk, de rede was ook een strategische zet om het conservatiefste deel van het electoraat aan zich te binden – ondanks het feit dat mei 1968 niet meer leefde in de Franse politiek, geen onderwerp was van polemieken en twisten, en al heel lang door jan en alleman was geassimileerd. Maar met Freud als soufleur zou je ook kunnen concluderen dat Sarkozy die dag vooral bezig is geweest om zijn eigen demonen uit te drijven.

Daniel Cohn-Bendit, de toenmalige studentenleider uit 1968, reageerde vorig jaar furieus op deze brute aanval op zijn erfgoed. Hij beschuldigde Sarkozy van ’haat’ tegen de verworvenheden van de meiopstand en zette hem in een interview neer als een geharnaste rechts-extremist. Cohn-Bendit besefte kennelijk niet dat de atypische toespraak van Sarkozy een uiting van zelfhaat moet zijn geweest. Of van frustratie.

Het is nog maar kort geleden dat Cohn- Bendit indirect op dit incident terugkwam. Nu pas lijkt hij zich te realiseren hoezeer het personage Sarkozy exemplarisch is voor die meimaand die hem zo aan het hart gaat. Op 15 januari sprak hij met de nodige ironie tot een paar honderd militante leden van de Groenen (Les Verts): „Onze president is een soixante-huitard die zich de slogan ’genieten zonder rem’ eigen heeft gemaakt. En hij bewijst dit iedere dag opnieuw. Ik verwijt het hem niet. Hij mag genieten/klaarkomen wanneer hij wil.” De zaal lag plat.

Veertig jaar geleden mocht Sarkozy niet demonstreren tegen de figuren die de anarchie predikten. Maar tijdens de presidentiële verkiezingscampagne werd al duidelijk dat het juist de morele en politieke steun is van deze prominente personages waarnaar Sarkozy verlangt. Ze zijn filosoof of schrijver geworden en ze fascineren hem. Waarschijnlijk omdat Sarkozy voelt dat ze dezelfde dwarsheid bezitten, dezelfde aversie tegen het conformisme en tegen de onbeweeglijkheid. Hij herkent in hen hetzelfde geloof in het voluntarisme, waarbij de wil sterker is dan het intellect, dat de maakbaarheid van de samenleving dichterbij brengt. Als er iemand is die ’de verbeelding aan de macht’ kan brengen, dan is hij dat wel

Sarkozy bestookt ze tijdens zijn campagne met briefjes, sms’jes en telefoontjes. Het zijn de French doctor Bernard Kouchner, de filosofen André Glucksmann en Bernard-Henri Lévy. Zij zijn links en hij is rechts, dat wel, maar conform de geest van mei 1968 droomt hij ervan om de verouderde politieke scheidingslijnen te vervlakken. Niet de erfenis van 1968 wil hij ’liquideren’ maar de herinnering aan de kleine Nicolas die met een tricolor doekje in zijn binnenzak tegen de opstand wilde demonstreren.

Met de socialist Bernard Kouchner zal hij vrij snel tot een akkoord komen: de oprichter van MSF (Artsen zonder Grenzen) die in 1968 leider was van het stakingscomité aan de medische faculteit in Parijs, zal als minister van buitenlandse zaken tot zijn nieuwe regering toetreden. Heel links Frankrijk zal door deze sarkoziaanse provocatie wankelen.

Dan de oud-anarchomaoïst André Glucksmann, de filosoof die het recht op inmenging propageert waar ook ter wereld, om de mensenrechten te verdedigen. Op 10 januari 2007 publiceert de linkse Glucksmann een opzienbarend artikel in Le Monde waarin hij zijn steun voor de rechtse kandidaat Sarkozy betuigt. Volgens de filosoof is hij „vandaag de dag de enige presidentskandidaat die zich engageert voor het Frankrijk van het hart”. Ten faveure van de mensen „die het communisme ontvluchtten, de gevangengenomen vakbondslieden van Solidarnosc, de Russische, Bosnische, Kosovaarse en Tsjetjeense dissidenten”.

Die dag belt Sarko, zwevend op een wolkje van geluk, die andere beroemde filosoof, Bernard-Henri Lévy. Ze zijn misschien al een tijdje bevriend, maar Lévy volhardt in zijn steun aan de rivaal, de socialiste Ségolène Royal. Onlangs heeft de filosoof het telefoongesprek in een boek weergegeven. Zo zegt Sarkozy: „Heb je het artikel van Glucksmann in Le Monde gelezen waarin hij zich achter mij schaart ? Hij is tenminste moedig, jij die een echte vriend bent doet daarentegen niets. Kom met mij mee, samen gaan we de revolutie beginnen.”

Ja, de vermeende conservatief droomt van omwenteling en hervormingen. Hij wil een breuk met het verleden. In de symbolische maand mei, op de zesde dag, wordt hij met 53 procent van de stemmen verkozen tot zesde president van de Vijfde Republiek.

Het zal niet lang duren voor hij enkele andere slogans uit 1968 in de praktijk brengt. „In mei, doe wat je wil!” En: „Vraag naar het onmogelijke.” En omdat het hier, nu en snel moet gebeuren lanceert Sarkozy tal van plannen en projecten tegelijk.

Hij maakt ruim baan in zijn regering voor linkse en allochtone prominenten. Hij raast als een wervelwind de wereld over. Haast, haast, het leven en het genot duren maar kort. Net als zijn vriend en minister, de oud-revolutionair Bernard Kouchner, wil hij het leed van de hele wereld verzachten. Hij vliegt naar Libië om Bulgaarse verpleegsters vrij te krijgen, naar Tsjaad om Franse journalisten en een Spaanse vliegtuigbemanning uit de klauwen van de lokale rechters te halen en zet zich in om de ontvoerde Frans-Colombiaanse politica Ingrid Bétancourt uit haar gevangenis van de terroristische Farc te bevrijden.

Voor wie hem zag tijdens de herfststakingen bij de vissers en spoorwegambtenaren, is de gelijkenis met de studenten van veertig jaar geleden meer dan frappant. Toen gingen de soixante-huitards de fabrieken in om met arbeiders te discussiëren en ze zo tot actie te bewegen. Sarkozy zoekt de stakers op, en gaat te midden van de vijandige menigte debatteren. Hij tutoyeert en wordt heel democratisch teruggetutoyeerd. Soms wordt hij ook luid vervloekt en beschimpt en vraagt uitleg hierover. Tegen een visser die hem vanaf een bruggetje voor ’klootzak’ uitmaakt roept hij: „Hé, jij daarboven, kom naar beneden om te praten!”

De confrontatie moet immers permanent zijn en ook de president dient te accepteren dat zijn gezag wordt betwist. Dat over rituelen en formele omgangsvormen kan worden heengewalst.

Sarkozy doet wat hij wil en trekt zich van niemand wat aan. Hij toont graag zijn rijkdom, zijn dure Rolex en zijn Ray-Bans. Laat zich door zijn steenrijke vrienden op exotische vakanties trakteren. Vliegt met privéjets en vaart op jachten. Het genot, altijd het genot. Het establishment gruwt van zoveel nonchalance en onbeschaamdheid. En toch is dit dezelfde Sarkozy die in Bercy tegen de op geld beluste soixante-huitards van weleer fulmineerde: „Zie hoe de cultus van koning geld en de drift van het kapitalisme door de waarden van mei 1968 zijn gedragen.”

En natuurlijk zijn er de vrouwen. Exuberant, rebels en vooral bloedmooi. Anders dan zijn voorgangers wil Sarkozy zich niet hypocriet verstoppen. Hij wordt de eerste president die tijdens zijn mandaat zijn huwelijk verbreekt. Zijn hoofd en dat van Cécilia sieren onophoudelijk de covers. Amper van haar gescheiden duikt hij plotseling op met zangeres en ex-model Carla Bruni.

Zij belichaamt hoe Sarko tot in de slaapkamer protest en kritiek wil laten horen. Bruni is links, heeft Ségolène Royal tijdens de campagne gesteund en heeft zelfs openlijk tegen een maatregel die Sarkozy’s partij voorstelde (DNA-testen voor huwelijksmigranten) geageerd. Hij maakt de hele wereld deelgenoot van zijn genot. Shockeert islamitische landen door met zijn maîtresse op bezoek te komen. Ook met vrouwen is het bij hem snel, hier en nu.

Als geen andere politicus vóór hem brengt hij de seksuele revolutie in de praktijk. Open en bloot, zonder rem en hinkstapspringend over de conventies. Hij bruuskeert een deel van zijn achterban, neemt grote risico’s die zich snel in de peilingen zullen vertalen.

Langzaam begint hier en daar door te dringen dat deze hedonist de natuurlijke erfgenaam is van de studentenopstand, het buitenechtelijke kind van mei 1968.

Journaliste Christine Clerc schreef een paar maanden geleden: „Met zijn spijkerbroek, zonnebril, zijn liefde voor jachten en de wijze waarmee hij de naakte taille van Carla Bruni omhelst, doet hij me denken aan een kind van mei 1968. Van het genre ’onder het plaveisel, het strand’.”

Jean-François Kahn, oud-hoofdredacteur van het anti-Sarkozy weekblad Marianne, gaat verder. „Zeker, er is in zijn stijl, zijn onbekommerdheid, zijn minachting van fatsoen en betamelijkheid, zijn hedonisme en zijn bewust geaccepteerde egotisme, en zelfs zijn ongegeneerdheid, een soixante-huitard-element.”

Negen maanden maar zijn nodig geweest om de petit bourgeois uit Neuilly in de bastaardzoon van mei te zien veranderen. Mei 1968 is maar een strovuurtje geweest. Het is de vraag of Sarkozy in een stijl kan volharden die tegen het latente Franse conformisme indruist. Als geen ander moet hij weten dat revoluties uiteindelijk hun eigen kinderen opeten.

Sylvain Ephimenco is publicist en columnist bij Trouw.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden