Review

De Waart zegt opera vaarwel

Je kunt 'Der Rosenkavalier' wel uit Wenen halen, maar Wenen niet uit 'Der Rosenkavalier' - zo luidt een vaak gebezigde wijsheid van operaliefhebbers. In de nieuwe productie van Richard Strauss' meesterwerk, die zaterdagavond in het Muziektheater een glorieuze première beleefde, heeft het door De Nederlandse Opera ingehuurde productie-team dat adagium goed aangevoeld. Dirigent Edo de Waart en regisseurs Willy Decker en Brigitte Fassbaender werkten gezamenlijk naar een voorstelling waarin het Wienerische sterk en modern vormgegeven aanwezig was en heel intelligent gebruikt werd als metafoor voor de immer voortgaande en onbarmhartige tijd. De tijd die als vanzelf voor verval, teleurstelling en melancholische bespiegeling zorgt.

Dit alles zit duidelijk zichtbaar én verborgen in deze briljante voorstelling, die muzikaal op vleugels wordt gedragen door het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van Edo de Waart. De Waart neemt met deze enscenering afscheid als chef-dirigent van DNO en de grandeur waarmee hij dat doet is een perfecte spiegeling van de grootse wijze waarop de 'oude' Marschallin op het toneel vaarwel zegt tegen haar jeugd, haar dromen en haar jonge minnaar Octavian.

Je kon zaterdagavond gewoon horen dat De Waart stond te genieten. Hij zette het voorspel tot de opera -Strauss' hitsige verklanking van de liefdesdaad tussen de Marschallin en Octavian die achter het doek gaande is- direct in vuur en vlam. De hoorns tetterden lekker orgastisch en vanaf dat moment kon het eigenlijk niet meer stuk. Meer dan drie uur hielden De Waart en zijn formidabele musici het publiek in de greep van die meesterlijke partituur, waarin Weense Schmalz en Beierse boertigheid een uitzinnige strijd aangaan.

Een partituur gezet op een geniaal libretto van Hugo von Hofmannsthal. De Marschallin (32) heeft een buitenechtelijke affaire met de jonge graaf Octavian (17) en is zich steeds bewust van de tijd en het moment dat de jongen haar zal verlaten voor een meisje van zijn eigen leeftijd. Dat gebeurt inderdaad als Octavian als ambassadeur voor de ongelikte baron Ochs een zilveren roos gaat aanbieden aan diens verloofde Sophie. De twee jongelui worden op dat moment halsoverkop verliefd en na veel verwikkelingen en intriges kan de baron Sophie op zijn dikke buik schrijven en is de Marschallin haar speeltje Octavian kwijt.

De Marschallin draagt haar verlies met grote waardigheid, maar de baron druipt als een hond met de staart tussen de benen af. Machtig mooi wordt dit verschil tussen de echte en de nep-adel op het toneel gezet door regisseur Willy Decker. Het verhaal speelt in de tijd van keizerin Maria-Theresia, maar Von Hofmannsthal -schrijvend in 1910 en zich bewust van de zwarte tijden die komen gingen- was het er ook om te doen om het verval en de decadentie van het 'grote' Wenen aan de kaak te stellen. Decker en ontwerper Wolfgang Gussman geven dat machtig mooi weer met paleismuren die per akte meer scheefzakken en met periode-kostuums die net iets te fel paars of groen zijn.

Decker werd tijdens de voorbereidingen ziek en 'zijn' regie werd overgenomen door Brigitte Fassbaender, ooit zelf een beroemde Octavian. Geen dankbare taak voor Fassbaender die compromissen moest sluiten, maar toch tot een alleszins bevredigend eindresultaat kwam. De eerste akte is geheel van Deckers hand, de rest van Fassbaender en hoewel de overgang nauwelijks merkbaar is, is die eerste akte met al zijn details in personenregie toch net een niveau hoger. Daar kwamen de grote kwaliteiten van Martina Serafin (Marschallin) volledig tot hun recht. Decker zette haar opstandiger dan normaal neer en het was ontroerend om te zien hoe zij de bui in het eerste bedrijf al ziet hangen. Alleen achtergebleven haalt zij het laken van het bed, duwt haar gezicht er verheerlijkt in en bedekt vervolgens met dat laken de grote spiegel waarin ze even daarvoor nog peinzend naar zichzelf had zitten kijken.

Dit zijn echte Decker-momenten, zó muzikaal uitgewerkt en zo geniaal bedacht, dat de ontroering in de zaal bijna tastbaar was. Serafin gaf deze Marschallin haar ziel en zaligheid met een stem van intense straling en gloed. Samen met de Octavian van Michelle Breedt en de Sophie van Katherina Müller, was Serafin het muzikale hart van deze voorstelling. Op het moment van de waarheid in de derde akte, als alle drie beseffen wat er gebeurd is, componeerde Strauss een onaards mooi terzet voor de drie vrouwenstemmen, die heerlijk om elkaar heenkringelden en ten slotte samenkwamen in een climax die zijn weerga niet kende. Aan dit absoluut magische moment droeg De Waart in niet geringe mate bij.

De Zuid-Afrikaanse Breedt was met haar onvoorstelbaar krachtige en mooie geluid de ontdekking van de avond. Een Octavian uit duizenden op weg naar grote wereldfaam. Rondom de drie vrouwen castte DNO een volstrekt verwerpelijke en dus uitstekende Günter von Kannen als Ochs, een uitmuntende Olaf Bür (Faninal) en een overtuigende Arnold van Bezuyen als Italiaanse zanger. Opvallend aanwezig waren ook Ellen van Haaren (Marianne Leitmetzerin) en Irene Pieters (Annina). Vooral Van Haaren stal in de tweede akte de show met kloeke stem en prachtig acteerwerk.

De Nederlandse Opera draagt deze 'Rosenkavalier' op aan de in september aan kanker overleden sopraan Susan Chilcott, die de rol van Marschallin had zullen zingen. Haar aanwezigheid is sterk voelbaar, zeker met teksten over de tijd die je ontglipt en het vergeefs zoeken naar de sneeuw van vorig jaar. Dit enorme verlies en ook nog de tegenspoed van Deckers ziekte is door DNO omgebogen in een voorstelling die op een zeldzaam hoog niveau staat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden