De waarheid moet je liegen

Tien Geboden | Hagar Peeters (Amsterdam, 1972) is dichteres en schrijfster. Voor haar bundel 'Koffers Zeelucht' won ze in 2003 de J.C. Bloemprijs. Haar debuutroman 'Malva' werd dit jaar bekroond met de Fintro Literatuurprijs.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

"Ik werd alleen door mijn moeder opgevoed, in Amsterdam. Toen ik zeven of acht jaar oud was, besloot ze haar oude vak van verpleegster weer op te pakken en de wijkverpleging in te gaan. Ze moest allerlei stages lopen en besloot mij voor een paar maanden bij haar ouders in Limburg onder te brengen.

Ik was er al vaak op vakantie geweest, maar had me altijd een beetje een buitenstaander gevoeld. Mijn oma had elf kinderen die ook allemaal weer kinderen hadden gekregen, dus ik had wel dertig neefjes en nichtjes. Allemaal katholiek. Allemaal gedoopt. Ze kregen een hostie tijdens de mis en cadeautjes toen ze communie hadden gedaan. Ze hadden ook allemaal meerdere namen, ik had alleen Hagar. Hun ouders waren allemaal bij elkaar, die van mij waren nooit getrouwd geweest en ik kreeg pas echt contact met mijn vader na mijn elfde.

Dit keer woonde ik bij mijn katholieke grootouders en ik ging ook naar een katholieke lagere school. Ik snapte geen moer van dat hele geloof, maar ik wilde het wel graag begrijpen - misschien om erbij te horen. Ik heb het schriftje meegenomen dat ik in die tijd heb gemaakt, kijk: een strip over het leven van 'Jezes', en het Onze Vader, 'uw naam worde gehijligd'. 'Got en Marija gaan trouwen'. Ik had geen idee. God en Jezus waren voor mij één en dezelfde figuur en Maria was de bruid. 'Kijk eens hoe mooi Marija eigenlijk is!'

Ik heb in die tijd ook mijn eerste gedicht geschreven: 'Hij is nu doot, die arme Goot.' Ik wist dat het 'God' was, niet 'Goot', maar het moest rijmen op 'dood'. Ik kan me nog heel goed herinneren dat ik mezelf toestemming gaf om voor het rijm de taal naar mijn hand te zetten. Later zou ik, als student filosofie, lezen dat Nietzsche al veel eerder tot diezelfde conclusie was gekomen. God is dood.

Mijn oma zei: 'Als er een hemel bestaat, dan komen jij en ik er in'. Of ik nou gelovig was, of niet. Mijn moeder wilde helemaal niets meer met de katholieke kerk te maken hebben. Ik moest later zelf maar kiezen wat ik wel of niet wilde geloven. 'In essentie', zei ze, 'zijn alle godsdiensten hetzelfde.' Liefde was volgens haar de essentie, terwijl ze zelf in haar jeugd vooral dreiging en angst had meegekregen.

Het doet er voor mij niet toe of God bestaat. Als hij bestaat, heb ik hem toch niet nodig voor mijn moreel handelen. Ik zou het heel laakbaar vinden van mezelf als ik alleen maar goed deed omdat ik God wil behagen. Bovendien: Good girls go to heaven, bad girls go everywhere."

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

"Een tijd geleden moest ik voor een museum een gedicht schrijven. Ik liep daar rond, zag een oude Arabische afbeelding van de profeet Mohammed en dacht: wat nu als ik deze afbeelding in woorden probeer te vangen? Overtreed ik dan het tweede gebod? Ik stelde het voor aan een medewerker van het museum die daar erg huiverig op reageerde: 'Liever niet, straks krijgen we allemaal gedoe'. Terwijl het niet als provocatie was bedoeld, eerder als het uittesten van een bepaald denkbeeld. Goed, je mag dus geen gesneden beelden maken, maar een gedicht waarin ik God tot in detail beschrijf, mag dat dan wel?"

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

"Je moet niet de goden bestrijden, maar de denkbeelden die mensen over hun goden hebben. Dieren kunnen niet iets verkeerd doen; de baas is verantwoordelijk voor het dier. Wacht even, nu vergelijk ik God met een dier... nou ja, óók goed eigenlijk. Voor Reve was God een ezeltje. Dat mag. Voor anderen klinkt zoiets misschien blasfemisch, maar ik weet zeker dat hij het zelf niet zo bedoelde."

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

"Als je schrijft, ben je wijzer dan je bent. Dat is het mysterie van de poëzie. Vaak overstijg ik mezelf, dan begrijp ik werkelijk alles, maar in het dagelijks leven ben ik gewoon een boerenlul die heel boos wordt als je hem dwarszit.

Ik heb een tijdlang gemediteerd en verkeerde toen continu in die begripvolle, harmonieuze toestand, maar op een gegeven moment kwam ik erachter: als dit zo blijft, ga ik verschrikkelijke dingen maken. Goede kunst gaat over pijn, hartstocht en verlangen. Zeg nou zelf, die esoterische kunst is toch zum kotzen? Bovendien zijn die verlichte kunstenaars vaak erg narcistisch, dus ze bewijzen de mensheid er ook niet echt een dienst mee.

Ik ben er dus van afgestapt, van die meditatie. Doordat ik er zo goed in was, werd het ook al snel een vlucht. In plaats van dingen te lijf te gaan en op te lossen, ging ik mediteren. Daar los je niets mee op. Dan heb ik toch liever last van onrust."

V Eer uw vader en uw moeder

"Oké, ik zal nu heel lief voor ze zijn, want op de een of andere manier ben ik in interviews altijd erg fel als het over mijn ouders gaat. Het punt is: mijn vader zegt dat hij 'gegeven de omstandigheden' niet anders kon doen dan weggaan, maar ik vraag me af of het weggaan niet juist voor die omstandigheden heeft gezorgd, begrijp je? Het is het de-kip-of-het-ei-verhaal, maar ik heb geen zin om hierover te praten, omdat ik mijn moeder er niet in wil betrekken.

Een ding is duidelijk: ze zijn niet om mij uit elkaar gegaan. Het ging niet om mij, niet in negatieve, maar ook niet in positieve zin. Later, toen mijn vader en ik samen waren, wel, maar voor die tijd speelde ik totaal geen rol in zijn leven. Hij kwam vroeger weleens op mijn verjaardag, maar doordat hij iedere keer weer verdween, was dat juist heel pijnlijk.

Op mijn elfde ging ik hem confronteren met de dingen die ik had gehoord, de dingen die mij over hem verteld waren. Ik heb het hem niet makkelijk gemaakt, maar tegelijkertijd ontdekte ik hoe leuk hij is, ik genoot van zijn verhalen over de reizen die hij door Latijns-Amerika maakte en ik interviewde hem over zijn vak (Hagars vader is de socioloog en journalist Herman Vuijsje, AV). Hier, ik heb het voor je meegenomen, een 'interview over interviewen' voor het Zondags Bijvoegsel, uit 1986. Hij vertelt onder andere dat hij vroeger bang was om het in interviews over persoonlijke dingen te hebben, maar ook dat hij in de loop der jaren meer zelfvertrouwen kreeg. Een heel eerlijk portret. Aandoenlijk ook. Dat is iets wat toeneemt: ik ga hem steeds liever vinden. Mijn vader is niet altijd lief, maar hij doet wel ontzettend zijn best om lief te zijn. Het is met veel ups en downs gepaard gegaan, maar ik geloof dat we inmiddels een heel goede band hebben.

Normaal gesproken maak je je als puber los van je ouders, maar ik wilde juist mijn vader vinden. Ja, en tegelijkertijd probeerde ik afstand te nemen van mijn moeder... Dat was erg ingewikkeld. Ik heb me weleens afgevraagd hoe mijn leven zou zijn verlopen als het andersom was geweest, als ik die eerste jaren alleen met mijn vader had doorgebracht en daarna pas mijn moeder had leren kennen. Eigenlijk heb ik geluk gehad met deze volgorde, want mijn vader zou zich met mij geen raad hebben geweten toen ik baby was, terwijl mijn moeder juist weer veel moeite met mij had in mijn puberteit. In mijn vroege jeugd was ze koesterend, verzorgend en liefdevol.

Toen ik in verwachting was van mijn zoontje, kwam er een heel sterk besef van dat moeder-kindgevoel bij mij boven. Een soort overgave van een ouder aan het kind om er maar voor te zorgen dat het beschermd is en alles krijgt wat het nodig heeft, een soort extra zintuig. Je hoort toch weleens dat demente bejaarden zich ineens dingen uit hun vroege jeugd herinneren? Dát is het. Een verbinding die ik in mezelf bewaar. De moeder die ik nu heb, is haast een andere persoon, maar onze verhouding is óók veranderd. Dat moest gebeuren. Die relatie was - achteraf bezien - misschien wel te symbiotisch.

Ik ben erg verwend wat liefde betreft. Misschien is dat iets waar ik de rest van mijn leven naar op zoek blijf gaan. De onvoorwaardelijke liefde die ik als kind heb gekend, bestaat niet meer. Ik moet het met de herinnering doen. En het zal alleen maar erger worden: straks, als ik oud ben, houdt niemand meer van me. Dan ben ik lelijk en dan stink ik. Het is toch zo? Ouderen worden niet meer aangeraakt, er is niemand die nog met ze wil knuffelen. Je begint je leven als een soort God, maar je eindigt als een zwerver."

VI Gij zult niet doodslaan

"Ik ben geen agressief persoon, ik probeer altijd alles te begrijpen. Daarom ben ik ook schrijver. Ik kan me goed voorstellen dat ik een roman zou schrijven vanuit het perspectief van bijvoorbeeld een lustmoordenaar, maar als in de werkelijkheid iemand mijn naasten iets wil aandoen, zal ik meteen leren schieten om de aanvaller vervolgens zonder pardon neer te kunnen knallen."

VII Gij zult niet echtbreken

"De vader van mijn kind en ik zijn niet meer bij elkaar. Het is nooit mijn ambitie geweest om alleenstaande moeder te zijn - sterker nog: ik heb lang gedacht dat dit het allerergste was dat me zou kunnen overkomen. Maar op een of andere manier ben je toch geneigd te herhalen wat je al kent. Gelukkig kan ik daardoor nu ook de moeder zijn die ik zelf heb gehad. Ik heb bovendien de situatie overwonnen, een manier gevonden om met mijn demonen om te gaan, en ik blijk helemaal niet het slachtoffer te zijn dat ik verwachtte te worden. Ik kan een kind opvoeden én een boek schrijven. Ik ben onafhankelijk, heb helemaal geen man nodig. Een partner kan ook inspireren, een klankbord zijn, dus wie weet verandert mijn situatie nog wel een keer, maar ik heb geen plan. Ik heb nooit een plan. Dat komt ook doordat ik nu heel tevreden ben. Dit is ook precies hoe ik het wil hebben."

VIII Gij zult niet stelen

"Bijna alles wat in mijn roman (Over Malva, de gehandicapte dochter van de Chileense dichter Pablo Neruda, die door haar vader in de steek werd gelaten, verteld vanuit het hiernamaals aan de schrijfster Hagar Peeters, AV) staat, is gestolen - zo veel zelfs dat ik me heb afgevraagd of ik het boek een roman kon noemen. De brieven die Neruda over Malva schreef, het verhaal over de dochter van Joyce en de zoon van Roald Dahl, de dagboekfragmenten van mijn vader... letterlijk overgenomen. Toch heb ik met al die gestolen werkelijkheid iets nieuws, iets authentieks geschapen. Dat dit werkelijk zo is gebeurd, maakt het boek een stuk urgenter. Hoe kan een vader die in het echt zo geëngageerd is, zo betrokken bij de zwakkeren in de samenleving, in zijn eigen leven een mismaakt kind verstoten? Als ik dit allemaal had verzonnen, zou die vraag veel minder interessant zijn geweest."

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

"Net als het meisje Malva in mijn boek heb ik als kind geprobeerd iets te begrijpen van wat voor mijn geboorte is ontstaan. Ik heb ervoor gezorgd dat het Malva is gelukt en voel mezelf daardoor nu ook bevrijd. Ik heb een vorm gevonden. Ik heb iets gemaakt zoals ik het in gedachten had en dat geeft me zelfvertrouwen - precies zoals mijn vader, later in zijn carrière, ook zelfvertrouwen kreeg.

Het is geen therapeutisch boek. Ik voelde me vooral een acteur die verschillende rollen speelt; het is een door mij gecomponeerd en gemanipuleerd verhaal waarbij geen enkel stijlmiddel ongebruikt is gebleven. Het lijkt misschien heel eerlijk, maar eigenlijk lieg ik de waarheid. Je kunt alleen de waarheid vertellen door te liegen. Daar kwam ik achter toen ik begon met gedichten schrijven, of: met dat wat later gedichten bleken te zijn. Ik schreef iedere avond in een schriftje wat er op die dag was gebeurd, tot ik van verveling in slaap begon te vallen en begreep dat ik moest selecteren om het spannend te houden. Ik moest er dingen uitvissen of juist aandikken, belangrijke woorden herhalen: hier gaat het om. Door de essentie eruit te halen, doe je de waarheid geweld aan. Je gebruikt wat je nodig hebt. Dat is de kunst."

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

"Ik zou weleens een jaar met iemand willen ruilen. Dat ik dan een echtgenoot heb, een groot huis met een auto voor de deur - ik zou in dat geval ook kunnen rijden - en een gewone baan van negen tot vijf. Niet uit jaloezie, of onvrede met mijn huidige bestaan, maar gewoon, uit nieuwsgierigheid. Hoe is het om niet steeds alles in je eentje op te lossen? Misschien word ik wel verliefd op die man en wil ik voor altijd daar blijven... nee, ik denk dat de kans groter is dat ik me staande houd met de gedachte dat ik straks weer terug mag naar mijn eigen leven en dat ik dan een boek zal schrijven over alles wat ik in mijn jaar als die andere vrouw heb meegemaakt."

Hagar Peeters: 'Ik heb met al die gestolen werkelijkheid iets nieuws, iets authentieks geschapen'. Foto Mark Kohn

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden