De waarheid is weg maar de kathedralen staan er nog

Met mijn twee oudere broers reed ik Duitsland in. We wilden gaan schaatsen op de Weissensee, maar hoewel het ’s nachts vroor, dooide overdag alles weg. De briljante suggestie van een collega om ’dan gewoon ’s nachts te gaan schaatsen, met zo’n mijnwerkershelm plus lamp op je kop’ legden wij nors zwijgend naast ons neer. Spreek vrijmoedig over ons schaatsen, maar beschimp het niet.

Ons devies bleef: naar het Oosten, en zodoende liepen we op een winderige februaridag door de dom van Keulen. Door een plaatselijke vriend werden we meegenomen naar Kaffee und Kuchen en Maria in den Trümmern, de kerk waar Keulenaren van alle geloofsrichtingen hun kaarsjes branden. Volgens onze zegsman branden ook mensen zonder geloofsrichting daar hun kaarsjes, zodat ik meteen in actie kwam wegens een vriend in orthopedische nood. Ik wist overigens al jaren dat richtingloosheid in dit verband geen beletsel is, want het helpt immers ook als je er niet in gelooft.

In de abdijkerk van Maria Laach (hoogtepunt Romaans-Staufische stijl zegt de gids) troffen we het fabelachtige praalgraf van de stichter, paltsgraaf Hendrik II die in 1095 stierf. Hendrik ligt enigszins stram op zijn rug, in zijn rechterhand houdt hij een model van de kerk die hij stichtte. Hij is naar middeleeuwse gewoonte afgebeeld in bezit van het lichaam waarmee hij bij de Opstanding de eeuwigheid zal binnengaan. Voor middeleeuwers was dat het lichaam op 33-jarige leeftijd, de kruisigingsleeftijd die ook het uiterlijk vaststelde dat Jezus had bij zijn Hemelvaart. We werden stil van de stilte waarin Hendrik zijn prachtige abdij ten hemel heft.

In Speyer bezochten we de dom, de grootste van alle Romaanse kerken, en dat is niet alleen een kwantitatief oordeel. Het bijzondere van Speyer is onder andere de zuiverheid van het huidige gebouw, dat het origineel heel dicht moet benaderen. In de meeste kathedralen deden ook latere eeuwen hun behoefte, waarbij vooral de Barok er vaak uitvoerig voor ging zitten, met omvangrijke gevolgen. In Speyer is dat geweerd, of opgeruimd, en je staat er in een onwaarschijnlijk gave Romaanse kerk. Hoewel we ons alledrie op verschillende afstand van het christendom bevinden zou ik nauwelijks een verschil kunnen aanwijzen in de vreugde die we aan zo’n kerk beleven.

’s Avonds zoeken we een goed heenkomen in de meest uitgelezen kleine herbergen, alleen lokaal bekend om hun unieke bereidingswijze van bier, wijn, hert of zwijn, dikwijls verscholen in onvindbare gehuchten, waar wij echter ook bij nacht en ontij moeiteloos op af koersen dank zij onze gids en de TomTom. In de rustieke gelagkamer vol hertegeweien en een enkele plaatselijke herder blijkt steevast een aanzienlijk aantal landgenoten echter over vergelijkbare equipment te beschikken.

Na het avondmaal doen we familiearcheologie. Ouders, grootouders, ooms, tantes, carrières, kinderen, kleinkinderen en natuurlijk de doden. Ik weet niet goed meer hoe we op hem uit kwamen, maar ineens zaten we midden in het verhaal van mijn broertje Bart, Albertus Julius voluit, die in juni 1945 overleed. Hij was pas drie jaar oud. Ik was er niet bij, maar het gebeurde wel. Er waren toen vijf kinderen in het gezin en eind mei gingen ze terug naar Amersfoort uit het toevluchtsoord in de Eempolder waar ze de laatste winter hadden doorgebracht. Het jochie was al een tijdje ziekelijk en knapte niet op bij thuiskomst. Na enkele dagen moest hij ’s avonds in het ziekenhuis worden opgenomen. Mijn vader ging mee. De volgende dag was hij dood. Mijn broers herinneren zich de uitvaartdienst. Voor kinderen die ’nog niet tot de jaren van verstand waren gekomen’ celebreerde men een Engelenmis. De priester ging daarbij in het wit gekleed. Hij werd begraven op het kerkhof aan de Utrechtseweg, rechts schuin voor de kapel. In latere jaren als ze dienden bij een begrafenis wezen ze elkaar op de plek waar hij lag. Er werd nooit een steen of kruis op het grafje geplaatst, iets dat ik verklaarde uit gebrek aan van alles in die dagen. Maar ik hoorde nu dat mijn moeder dat niet wilde. Zou ze gedacht hebben dat een in steen gebeitelde uitroep ’hier ligt hij!’ de wond open zou houden? Of was het gewoon een diepe afkeer van de gedachte aan een graf voor haar kind?

Mijn vader vroeg later aan de huisarts waar het jongetje nou eigenlijk aan gestorven was. De huisarts antwoordde: ’En als je het nou weet, wat dan?’ Een uiterst arrogante schoffering, die ook als zodanig werd ervaren, want het verhaal leeft na 63 jaar nog steeds voort.

In Straatsburg viel ons binnentreden van de kathedraal samen met de consecratie. In zacht licht zagen we in de verte de priester, de hostie, de misdienaars, de wierook en op dat moment begon de kerkklok te luiden. Als oud-misdienaars keken we elkaar tevreden aan.

De waarheid mag er uit weggevlogen zijn, maar wat een zegen dat de kathedralen er nog staan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden