DE WAARHEID BLEEF LIGGEN ONDER EEN DAKPAN

Een van de wanhoopspogingen van Kurt Gerstein om de wereld te alarmeren, strandde in Nederland. Een 25 maart 1943 voor het illegale Trouw bestemd ooggetuigeverslag uit Treblinka kwam niet verder dan het dorpje Sinderen in de Achterhoek. Daar werd het verstopt onder een dakpan van een kippenhok. Ben van Kaam onderzocht waarom dat schokkende nieuws nooit in Trouw werd gepubliceerd.

Na de oorlog nam Jo Satter eens een kijkje op de plek waar hij vroeger woonde. Hij zag achter de ruïnes het gespaard gebleven schuurtje, lichtte de dakpan op en vond daar het document terug, dat dr. L. de Jong later zou aanduiden als 'het enige, in ons land aanwezige rapport waarin precies te lezen stond wat in de Poolse vernietigingskampen geschiedde'.

Waarom is dat toen niet in Trouw gepubliceerd?

Het verhaal begint voorjaar 1941 als J. H. Ubbink in Doesburg, wordt opgebeld door een oude vriend uit de Duitse Christelijke Studentenvereniging, die in Arnhem is gelegerd: 'Mag ik je opzoeken?' 'Du immer', zegt Ubbink spontaan. “Maar ik ben in SS-uniform,” waarschuwt Kurt Gerstein. Ubbink kent Gerstein echter te goed om niet te vermoeden dat daar iets achter moet zitten. Verschillende keren reist Gerstein naar Doesburg om met zijn oude vriend te spreken over wat hem beweegt, eenmaal zelfs een heel weekend. In geleende burgerkleren gaat hij dan met Ubbink ter kerke. Samen beluisteren ze de BBC. Openlijk zegt Gerstein in Ubbinks vriendenkring: “Wij moeten deze oorlog verliezen, beter een honderdvoudig Versailles dan dat deze misdadigersbende blijft. Wat helpt het een volk wanneer het de hele wereld wint en schade lijdt aan zijn ziel?” Toch moet Ubbink iets wegslikken als Gerstein in de zomer van 1942 blijkt te zijn bevorderd tot SS-officier. Hij heeft twijfels over deze aanpak, maar niet over de intenties van zijn vriend.

Februari 1943 treft Ubbink een wanhopige Kurt Gerstein in Berlijn. Een half jaar eerder al had deze gezien wat er gebeurde in Belzec en Treblinka toen de SS-top van zijn technische kennis gebruik wilde maken om de vergassingen sneller te doen verlopen, maar al zijn pogingen om de wereld te alarmeren blijken vruchteloos. Niemand doet iets.

Ubbink: “Aanvankelijk wilde ik hem niet geloven, maar zijn grote opgewondenheid en zijn psychische instorting gaf mij, meer nog dan wat hij bezwoer, de overtuiging dat mij hier een geheim werd medegedeeld uit de donkerste hoeken van het nationaal-socialistisch bedrijf. Hij vroeg me of ik in verbinding kon komen met mensen die in radio-verbinding stonden met Engeland. Op mijn bevestigend antwoord vroeg, nee veeleer bezwoer hij mij de geschiedenis naar Engeland door te geven, opdat zij wereldkundig gemaakt zou worden en opdat ook het Duitse volk voorgelicht zou worden. Ik beloofde hem dat.”

Die belofte heeft Ubbink gehouden, maar in tegenstelling tot Gerstein verwachtte Ubbink weinig van het effect van publiciteit. Hij beperkt zich strikt tot de belofte die hij aan Kurt Gerstein gaf. Dat was diens mededelingen 'door te geven' aan personen die verbinding hadden met de geallieerden. Maar verder deed hij - naar eigen zeggen - weinig moeite voor verdere publikatie. Hij gelooft wel dat Gerstein hem de waarheid heeft verteld. “Persoonlijk heb ik daaraan nooit getwijfeld,” schrijft hij 31 januari 1947 aan mevrouw Gerstein.

In Doesburg komen geregeld verzetsmensen bij Ubbink over de vloer - van AR-zijde meende hij - die hij alleen kent onder hun schuilnamen. Een ervan licht hij in, naar aangenomen mag worden zonder de naam van Gerstein te noemen en zonder te gewagen van zijn Berlijnse reis. Als dr. L. de Jong de naar Canada geëmigreerde Ubbink twintig jaar later een foto toestuurt van Van de Hooft, herkent hij deze. “Wij noemden hem Cor.” De oorsprong van het document staat daarmee vast.

En zo weten we dus tamelijk nauwkeurig welke feiten onder anderen de Paus en de regeringen van neutrale en geallieerde landen in die tijd moeten hebben bereikt. Tot op heden bleven de archieven over de Gerstein-rapportages potdicht.

Het vervolg van het verhaal weten we van Jo Satter, lid van de Trouw-groep. Begin januari 1968 vertelde de in 1988 overleden verzetsman me: “Ik zie Cor nog zitten schrijven. Hij was er eigenlijk helemaal ondersteboven van. Mijn vader, die later overleed aan de gevolgen van het concentratiekamp, was er ook bij. Toen Cor klaar was, zei hij: dit is wel zo iets verschrikkelijks, dit moeten jullie lezen.”

Hoe hij aan de gegevens kwam, heeft Cor van de Hooft uiteraard niet aan vader en zoon Satter verteld. Jo Satter heeft altijd gemeend dat Cor de Duitser zojuist zelf had gesproken en dat deze dus in de buurt moest zitten. Het stuk wekte ook die indruk.

In Trouw-mededelingen van maart 1947 is de niet uit het concentratiekamp teruggekeerde Cor van de Hooft getypeerd als een voorzichtig man. De hervormde domineeszoon en ambtenaar uit Overschie wist te zwijgen. Al vroeg zat hij in het spionagewerk. Nadat in 1942 zijn groep was opgerold, kwam hij terecht bij Vrij Nederland en nadien - samen met Wim Speelman - bij Trouw en later de L.O. Al vrij snel na zijn contact met Ubbink verliet hij de Achterhoek; hij werd provinciaal leider in Limburg en tot begin '44 notulist van de Trouw-weekends. Medio april 1944 werd hij door een fout in zijn persoonsbewijs in de trein gearresteerd. Op het station van Geldermalsen probeerde hij te ontsnappen. De SD schoot hem in zijn benen. Gewond werd hij afgevoerd naar Haren en september '44 naar Oraniënburg. Enkele dagen voor de bevrijding in '45 moesten de gevangenen op transport. Cor kon door zijn gewonde been niet meekomen. Langs de kant van de weg schoot de SD hem toen dood.

Vele jaren later, op 22 november 1966 ziet Jo Satter een herhaling van de tv-uitzending De Bezetting. Hij zoekt in zijn papieren het document van Cor van de Hooft op en stuurt een kopie ervan aan dr. L. de Jong. Deze zal het stuk gebruiken in de rede waarmee hij op 21 september 1967 een buitengewoon hoogleraarschap aanvaardt: “Drie Nederlanders, drie moedige illegale werkers, hebben het onder ogen gehad. De feiten zelf laten geen andere conclusie toe dan dat geen van drieën het ten volle geloofd heeft.”

Het verhaal illustreerde de centrale gedachte in de rede: “In de jaren waarin de Joden van Europa naar de gaskamers gevoerd werden - niet als enige, wel als talrijkste groep -, was deze huiveringwekkend-massale, huiveringwekkend-mechanische vorm van vernietiging van menselijk leven voor nagenoeg alle burgers in de Geallieerde landen en de bezette gebieden ongeloofwaardig.”

Toch zal Jo Satter altijd met klem volhouden dat dit niet het motief was voor de drie mannen in de boerderij om het stuk niet meteen door te spelen naar de Trouw-redactie. Ik denk dat hij daarin gelijk heeft. Hoe meer ik me verdiep in de vraag wat er is misgegaan, hoe sterker de vermoedens worden van misverstanden in de verzetscommunicatie.

Om te beginnen wijst het feit dat het stuk niet werd vernietigd (veilig), maar verstopt (riskant) er al op dat de drie er kennelijk nog iets mee van plan waren. Het punt was volgens Jo Satter inderdaad dat ze publikatie zonder meer levensgevaarlijk vonden, primair voor de betrokken bron. Eerst moesten er veiligheidsmaatregelen getroffen worden. Voor de SD was het anders een peuleschil de SS-officier op te sporen, die voldeed aan de in het stuk prijsgegeven kenmerken. Wilde men hem (en zijn gezin) nog enige levenskans gunnen, dan moest deze eerst onderduiken. Wilde de man dat niet, dan zat er duidelijk een luchtje aan de zaak, zo was de redenering. Geen speld tussen te krijgen.

Maar er is nog iets heel anders. Wat noch Ubbink noch Satter opheldert, is hoe Cor van de Hooft in de boerderij in Sinderen in staat bleek een zo gedetailleerd ooggetuigeverslag te schrijven. Moeten we echt geloven dat deze tekst via-via mondeling is overgebracht? Vormgeving en stijl doen iets anders vermoeden: Cor van de Hooft heeft gewoon een Duits stuk vertaald dat Ubbink hem gaf voor doorseining naar Engeland. Nooit heeft Ubbink iets geweten van diens plan tot publikatie in Trouw. Het document uit het kippenhok is niets meer of minder dan de vertaling van een authentiek, voor Engeland bedoeld Gerstein-rapport!

In het ooggetuigeverslag zelf wordt over de ik-figuur in het geheel niets onthuld; integendeel. Wie de twee inleidende zinnen weglaat, krijgt het beeld van een anonieme Duitse burger, die verontrust is geraakt door gruwelverhalen van officieren die in Rusland en Polen dienden, een outsider dus. De hoedanigheid van de ooggetuige wordt slechts onthuld in de inleiding, die - gezien de poging in de verklaring om de bron onherkenbaar te houden - waarschijnlijk pas later aan het stuk is toegevoegd. Door wie? Mogelijk door iemand die meende dat de verklaring slechts bestemd was voor doorseining - uiteraard in code - naar Engeland. Maar door de inleidende zinnen was het stuk niet meer bruikbaar om te worden gepubliceerd, tenzij de bron onderdook. Dat zagen de drie Trouw-mensen meteen. En zo kwam het stuk - voorlopig - terecht onder de dakpan van een kippenhok.

Wat zou er gebeurd zijn, wanneer Gersteins verklaring de Trouw-redactie wel had bereikt? Ik vroeg het eens aan Bruins Slot, maar uiteraard waagde deze zich niet aan een uitspraak. In 1958 vertelde Van Randwijk aan Lou De Jong dat hem begin 1943 tamelijk nauwkeurige inlichtingen bereikten over Auschwitz, maar dat men ze bij Vrij Nederland niet wilde geloven. “We hebben ze in elk geval niet gepubliceerd. We redeneerden: we zijn er niet zeker van dat ze juist zijn. Zijn de berichten onjuist, dan wekken we een enorme ontsteltenis bij de Joden die hier ondergedoken zijn. Het was een heel moeilijk punt voor ons.” In de Trouw-redactie lag dat in die tijd wellicht niet veel anders. Cor van de Hooft heeft in 1943 verschillende malen persoonlijk contact gehad, zowel met Smallenbroek als Bruins Slot en blijkens de notulen van de weekends waarschuwt men elkaar in de Trouw-groep nogal eens voor demoraliserende 'gruwelverhalen'. Van Ubbink vernam Gerstein later dat het Nederlandse verzet weinig geloof aan het verhaal had gehecht.

Begin 1949 werd in Rottweil/Neckar een door de hotelhoudster niet verstuurde brief van Gerstein aangetroffen aan Ubbink in Doesburg. Toen Gerstein deze brief aan zijn Hollandse vriend schreef, verkeerde Nederland nog in de bevrijdingsroes. “Lieber Freund Ubbink! Jij bent een van de eersten, die een groet moet hebben. Jou mag ik van harte gelukwensen met de bevrijding van jouw land van ons misdadig addergebroed. Zo donker als ons lot nu ook mag zijn, deze afgrijselijke lieden mochten niet overwinnen. Vraag aan jouw mensen, of zij nu tenminste geloven, wat in Belzec enz. is gebeurd! Ik ben God dankbaar, dat ik alles gedaan heb wat binnen mijn vermogen lag, om deze etterbuilen uit het lichaam van de mensheid te verwijderen.”

Kurt Gerstein hoopte toen nog te kunnen getuigen in de processen die aangekondigd waren. Twee maanden later was hij dood. Het vreemde gevoel bekruipt me vijftig jaar later dat het er nauwelijks meer toe doet door wie hij werd vermoord of dat hij zelf een eind aan zijn leven maakte.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden