De waarde van wetenschap is ongekend, dus moeilijk in euro's uit te drukken

Chemische fabriek van DSM. Beeld Hollandse Hoogte, Flip Franssen

De waarde van de wetenschap voor economie en samenleving is letterlijk ongekend. En dat heeft zijn politieke gevolgen.

Als er verkiezingen worden gehouden, rekent het Centraal Planbureau (CPB) de plannen door van alle partijen, om te zien wat die betekenen voor overheidsfinanciën, economische groei en welvaart. De investeringen in wetenschappelijk onderzoek worden in die doorrekening gezien als een consumptieve uitgave, een kostenpost die niet bijdraagt aan de economische groei.

Dat strookt niet met de werkelijkheid. En dat weet het CPB ook, maar het zegt geen goede gronden te hebben om het anders te doen. Het merkwaardige is dat het planbureau aan de uitgaven voor onderwijs tot voor kort wél een effect toekende op de economische groei.

“De uitgaven voor onderzoek zouden daarin kunnen worden meegenomen, want onderwijs en onderzoek liggen in elkaars verlengde”, zegt Luc Soete, de Belgische econoom die verbonden is aan de Universiteit Maastricht en daar ook rector magnificus was. Soete kent dit debat van haver tot gort en is een veelgevraagd adviseur in Nederland en Europa. Hij leidde enkele jaren geleden een commissie van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (KNAW) die een laatste poging ondernam om het CPB op andere gedachten te brengen. Tevergeefs; op een conferentie over dit onderwerp deze week in Den Haag, herhaalde het CPB nog eens dat ze de waarde van wetenschap ziet, maar niet kan uitrekenen.

Bezuinigingen

Die conferentie was nota bene belegd door de vaste Kamercommissie voor onderwijs en wetenschappen. De leden daarvan zoeken munitie om zich te weren tegen het geweld van de financieel specialisten in hun fracties. Want wat in de boeken geen baten oplevert, is een makkelijke prooi voor bezuinigingen.

Soete: “Je hebt dat in Europa zien gebeuren tijdens de financiële crisis, bijvoorbeeld in Spanje. Om aan de begrotingsnormen te voldoen ging dat land enorm bezuinigen, onder meer op wetenschappelijk onderzoek. Maar dat is natuurlijk niet wat de Europese Commissie wil zien, want daarmee ondergraaf je je economische groei in de toekomst. Inmiddels wordt in Brussel gewerkt aan economische modellen waarin het effect van wetenschap op economisch groei wél wordt meegenomen. Met medewerking van Nederlandse economen trouwens, onder wie Elmer Sterken uit Groningen. Het is jammer dat het CPB in Nederland dit pad heeft verlaten.”

Kennis

Met een simpele macro-economische vergelijking tussen landen, kom je nergens: dan blijken overheidsinvesteringen vaak een positief effect te hebben op economische groei, maar dan weer nul effect, en soms zelfs een negatief effect. Soete: “Die vergelijkingen veronderstellen dat de creatie van waarde uit kennis in alle landen op dezelfde manier verloopt. En dat is niet zo.”

Zoom je in op Nederland, dan zie je heel duidelijke, positieve effecten van de overheidsinvesteringen in kennis, zegt Soete: “Hoe komt het dat Nederland grote multinationals heeft die veel aan research en development (r&d) doen, en het land níet verlaten? Dat komt doordat ze hier een goede omgeving hebben, met universiteiten en onderzoeksinstituten als buren. Dat is te danken aan publieke investeringen.

Investeringen die de overheid doet, jagen private kennisinvesteringen aan. ASML (een nakomeling van Philips en wereldleider in machines voor de chipsindustrie, red.) bouwde in Amsterdam een nieuw lab voor nanolithografie, samen met onderzoeksorganisatie FOM en de Universiteit van Amsterdam. Vergelijk dat met Nokia, de technologiereus van Finland, die op een gegeven moment het land verliet en zijn heil zocht in Californië.”

Dienstensector

Er is lang gedacht dat publieke kennisinvesteringen private zouden verdringen, omdat het aantal beschikbare wetenschappers nu eenmaal beperkt is. Maar die verdringing doet zich in Nederland helemaal niet voor, zegt Soete. “Integendeel! Die investeringen vullen elkaar aan. En door de internationalisering trek je wetenschappelijk talent aan. Stap in Eindhoven in de bus en je zit tussen mensen uit alle windstreken, maar vooral uit India en China.”

Het schort in Nederland wel aan private investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Dat komt niet doordat overheidsinvesteringen de private verdringen, maar heeft vooral te maken met de structuur van de Nederlands economie. Nederland heeft een handvol r&d-reuzen (ASML, Philips, DSM, Unilever, Shell), een grote dienstensector die nauwelijks aan p&r doet en veel midden- en kleinbedrijf.

De lidstaten van de Europese Unie hebben ooit afgesproken dat ze 3 procent van hun bruto binnenlands product (bbp) zouden investeren in onderzoek en ontwikkeling, waarvan een derde (1 procent van het bbp) door de overheid en twee derde (2 procent van het bbp) door ondernemingen. Nederland haalt dat bij lange na niet. De private sector komt niet veel verder dan 1 procent. De overheid komt nog enigszins in de buurt; zij investeert 0,87 procent van het bbp in onderzoek via universiteiten, hogescholen en onderzoeksinstituten. Maar Nederland is een van de weinige landen waar de overheidsuitgaven voor kennis dalen, terwijl ze zouden moeten groeien.

Ongelooflijk

Soete verbaast zich over de gebrekkige Nederlandse ambities: “Kijk naar de omringende landen. Duitsland doet grote investeringen in wetenschappelijk onderzoek, zonder politieke onenigheid. De Belgische en de Vlaamse overheid zijn volledig gecommitteerd aan die doelstelling van 3 procent. En de begrotingssituatie van België is een stuk minder florissant dan de Nederlandse hè. “Het is ongelooflijk hoe moeilijk sommige politici te overtuigen zijn. Waarom wordt hier iedere meevaller gebruikt om schulden af te lossen? Je wordt er niet beter van; er is geen directe relatie tussen overheidsschuld en economische groei, je gaat echt niet harder groeien als je schuld aflost. Stop die meevallers in een fonds, waaruit je kunt investeren in kennis.”

Kennis heeft een paar eigenschappen waarmee de politiek niet uit de voeten kan. Tijd is er een: de politiek heeft een horizon van vier jaar (de volgende verkiezingen), en investeringen die je nu doet in wetenschap hebben voor die tijd nog geen toonbare resultaten opgeleverd. Bovendien heeft kennis de trekken van een publiek goed. Het is wat economen noemen ‘niet-rivaal’. Als jij en ik samen een fles bier hebben, en ik drink hem leeg, heb jij geen bier. Maar als jij en ik kennis hebben van windenergie, kunnen we allebei molens bouwen. Kennis kan worden doorgegeven en zich verspreiden, zonder minder te worden.

Dat zou voor een overheid een belangrijk gegeven moeten zijn. In de politiek wordt er nog veel van uitgegaan dat er in de fundamentele wetenschap iets nieuws wordt ontdekt, wat door technologen in toepasbare vorm wordt gegoten en door bedrijven op de markt wordt gebracht. Innovatie is echter niet meer die rechte lijn, maar wordt gerealiseerd in cirkels, in samenwerking tussen tal van spelers, en met kennis uit tal van bronnen. Soete: “Het mooiste beeld voor mij zijn de academisch medische centra, met hun eigen werkplaatsen en instrumentenmakers. Daar zie je dat samenspel van medische vragen en verlangens en nieuwe oplossingen in meettechnieken, 3D-printen van hulpstukken en wat al niet, en nieuwe bedrijven die daaruit ontstaan.”

Energievoorziening

Wil een land daarin meekunnen, dan heeft het absorptiecapaciteit nodig, zoals Soete het noemt. Je moet investeren in mensen die kennis die elders wordt ontwikkeld en in de wetenschappelijke literatuur verschijnt, kunnen begrijpen en op zijn mogelijkheden kunnen beoordelen. Onderwijs en onderzoek zijn hiervoor cruciaal, en vergen overheidsinvesteringen, ook al is de directe vrucht daarvan niet te kwantificeren.

En dan is er nog de niet te onderschatten waarde die de wetenschap heeft in het agenderen en helpen oplossen van maatschappelijke problemen, variërend van klimaatverandering tot etnische spanningen. Hier kampt Nederland met het probleem dat het niet alleen minder in kennis investeert dan het zou moeten doen, maar dat het ook niet goed kan sturen, zegt Soete: “De samenleving staat voor grote uitdagingen, zoals de overgang naar een duurzame energievoorziening. Maar de overheid kan daar met investeringen nauwelijks richting aan geven.”

Aardgasbaten

Dat hebben we te danken aan het eerste kabinet Rutte (2010-2012). “Toen is de klap gevallen”, zegt Soete. Tot die tijd gebruikte Nederland een deel van de aardgasbaten om te investeren in kennis. Met dat fonds kon gericht worden geïnvesteerd in kennisgebieden die voor Nederland belangrijk waren. Rutte I maakte daar een eind aan en liet de aardgasbaten gewoon de schatkist in lopen. Sindsdien heeft Den Haag het nog wel over topsectoren en maatschappelijke missies, maar het heeft geen middelen om daaraan invulling te geven.

De gerichte projecten hebben plaatsgemaakt voor een generieke stimulering van onderzoek en ontwikkeling. Ondernemingen krijgen een belastingaftrek voor r&d-arbeid die ze verrichten. Dat werkt wel, maar je kunt niet sturen waar die fiscale steun terecht komt, zegt Soete. “Als je ziet hoe hoog het economisch en maatschappelijk rendement van kennis is, dan is het merkwaardig dat je daarin niet veel meer investeert.”

Lees ook:

De dagen dat alleen de natuurwetenschappen grote investeringen nodig hadden, zijn voorbij

Natuurlijk gaat er opnieuw geld naar apparaten die onbegrijpelijk ver in het heelal kunnen kijken en waanzinnig diep in de materie, maar er wordt ook geïnvesteerd in aardse zaken zoals stedelijke mobiliteit en historische bronnen uit de Gouden Eeuw.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden