De vuilnis en de stad

De vuilnis stroomt naar buiten. Pal naast de ingang van de flat is het vuilnishok. De stank is er vaak ondraaglijk. Meestal is het hok zo propvol dat het vuil buiten het hok terechtkomt. Van alles ligt er op straat. Het is het eerst wat je ziet als je de flat wilt binnengaan. Het is het eerste wat je ziet als je de flat uitkomt. Vuilnis.

Het ligt niet alleen in het vuilnishok naast de ingang en op de straat er vlak voor, het vuil ligt ook in de grasveldjes, in de bermen, aangewaaid bij de bomen, vastgehaakt in het struikgewas.

De vuilnismannen komen 's ochtends vroeg. Alsof ze op een trein-emplacement zijn, rijden ze met hun treintjes van vuilniscontainers af en aan. De klere-herrie maakt de onzichtbare bewoners wakker. Wie 's nachts heeft gewerkt, heeft pech gehad, wie last heeft van slapeloosheid ook. Achter de vuilnistreintjes ontstaat een sleep van vuilnis, zodat het op straat na het ophalen vaak erger is gesteld dan voor het ophalen.

De vuilnismannen komen niet al te vaak, in ieder geval niet zo vaak als nodig is. Het is niet: per zoveel mensen één keer ophalen; het lijkt eerder: per zoveel ophaalpunten bij een flat één keer ophalen. Daarom zwerft bij deze 'pakhuizen van mensenteveel', zoals Bruno Paul de Roeck ze in de jaren zeventig noemde, het vuilnis als randgroepjongeren over straat.

De vuilnis is het feitelijke naambord van de flat. De New Yorkse Donna Karan mag dan haar initialen in koeienletter op een sweater zetten - in navolging van andere ontwerpers die hun namen als graffitischilders op al hun producten kalken - de bedenkers van deze flats hebben het naammerkje in de zoom van de flat verborgen. De koeienletters zijn alleen aangebracht op de parkeergarages. Niet de woningen van de mensen zijn belangrijk, de woonplaatsen van de auto's van de mensen zijn belangrijk. De mensen mogen onvindbaar blijven.

Hoewel de flats honderden inwoners moet hebben, zie je er nauwelijks een sterveling op straat.

De flats liggen in een soort duinpannen, autowegen vormen de 'dijken' rondom. Aan de andere kant van de weg liggen andere duinpannen. Sommigen met soortgelijke flats, maar er zijn ook duinpannen met het betere soort eengezinswoningen, met hofjes en eengezinstuinen.

Meerdere malen per jaar kom ik in deze stad, ik blijf er een vreemde. Verdwalen is er gemakkelijk, herkennen moeilijk. Zelfs een uitstekend oriëntatievermogen laat de bezoeker hier volledig in de steek. Zó groot is de stad niet, maar zelfs een kaart helpt niet, want de toegangswegen tot de flats lijken op fietspaden en zijn niet gemarkeerd met aanwijzingsborden.

Een enkele duinpan met eengezinswoningen, een enkele reeks flats is leefbaar, maar voor de rest geldt wat iedereen in de naburige stad weet: je moet zorgen dat je niet daar komt te wonen, want als je er eenmaal woont, kom je er met moeite vandaan, hoe graag je ook zou willen.

De onveiligheid in sommige delen van deze stad is te groot, de kakkerlakken in de ellendige flats zijn er te onuitroeibaar, het gebrek aan schoonheid in sommige van de duinpannen te verpletterend. Maar het ergste is de vuilnis.

Om de onbewuste boodschap die het afgeeft: hier wordt niet gelet op de mensen, hier wordt niet gezorgd voor de inwoners. En waar niet wordt opgelet, waar niet wordt gezorgd, kan alles gebeuren. Opgroeien zonder zelfrespect. Leven in eenzaamheid. Geschonden worden door misdaad.

En als de gezondheid gevaar loopt, kijkt de overheid toe en doet niets. Zoals hij dag na dag zijn nalatigheid toont met de rondslingerende vuilnis naast de deur van de flat, die toegang zou moeten geven tot geborgenheid. Een vreemde stad.

De Bijlmer nu.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden