De vrijheid van onze ondoorgrondelijk ziel

M.C. Escher: Hol en Bol (1955).Beeld ANP

Als de vrije wil niet bestaat, zoals Dick Swaab beweert, wie zijn we dan? En wie zit er dan achter het stuur van ons bestaan? Theoloog Erik Borgman gaat te rade bij kerkvader Augustinus.

Altijd als ik iemand het belang van zelfvertrouwen hoor onderstrepen, of een advertentie lees die belooft dat je na de aangeboden cursus met overtuiging je verhaal kunt vertellen, denk ik aan de Engelse schrijver Gilbert Keith Chesterton (1874-1936). Deze zei graag dat het gekkenhuis de plaats was waar mensen het meest van zichzelf overtuigd waren en hun zelfvertrouwen door niemand lieten ondermijnen. Het feit dat niemand anders geloofde dat zij Napoleon waren, of Jezus Christus, bracht hen op geen enkele manier van hun stuk.

Chesterton was een overtuigd christen en in zijn latere jaren een militant rooms-katholiek. Dit maakte hem sceptisch tegenover allerlei moderne ideeën over de mens en zijn innerlijke kern. Chesterton wist dat de ziel volgens de christelijke traditie niet 'het geestelijk overblijfsel' van onze dierbaren is als zij gestorven zijn, waar spiritisten in hun seances contact mee zoeken.

De ziel is ook niet de goddelijke vonk in ons waar we het meest ons unieke zelf zijn. Een collega die inmiddels met emeritaat is, vertelde laatst dat hij ooit bijna met geweld buitengeworpen was toen hij in vrijzinnig-protestantse kring gezegd had dat hij in zijn eigen innerlijk vooral verwarring aan trof en, als hij maar diep genoeg groef, duivels en demonen.

Dat we zouden weten wie we zijn, is een modern bijgeloof. De geseculariseerde Jood Sigmund Freud (1856-1939) staat met zijn idee van een voor zichzelf ondoorzichtige psyche dichter bij de christelijke visie op de ziel dan allerlei ideeën die zich denken te baseren op de christelijke mystiek.

Pas sinds we geloven dat onze visie op de wereld en op onszelf bepalend is voor wie we zijn, is het besef dat we onszelf niet kennen bedreigend. Want wie zit er aan het stuur van ons bestaan als wij het zelf niet zijn?

Dit gevoel van bedreiging lijkt de reden dat het boek 'Wij zijn ons brein' van neurowetenschapper Dick Swaab zo massaal gekocht, gelezen en bediscussieerd wordt. Enerzijds ondermijnt dit boek ons diepste zelfbesef: dat we de vrije en voor onszelf inzichtelijke bron zijn van al wat we zijn en doen.

Vrijheid is niet de oorsprong van ons handelen, zegt Swaab. Wat wij ervaren als vrijheid is een illusoir neveneffect van de architectuur van onze hersenen. Je zou het kunnen zien als de wraak van Calvijn. Dachten we definitief het idee te hebben afgeschud dat ons leven en zelfs ons eeuwig lot door God onafhankelijk van ons bepaald is, blijkt de vrije wil, in naam waarvan wij Calvijns predestinatieleer voor onszelf zo overtuigend bestrijden, de ultieme illusie.

Gelukkig voor zijn lezers geeft Swaab hen anderzijds het gevoel dat zij hun onvrijheid toch te slim af kunnen zijn. Nu zij begrijpen dat ze niet vrij zijn, zijn ze bevrijd van de illusie van vrijheid.

Ook hierin lijkt Swaabs visie trouwens op die van Calvijn: het inzicht dat wat er met ons gebeurt arbitrair is en als zodanig door ons wordt doorgrond, is troostend. Maar hoe kunnen ze dit dan weten, en is de beslissing dit inzicht te accepteren nu vrij of onvrij?

In mijn traditie is het antwoord op de ondoorgrondelijkheid van God en de onbegrijpelijkheid van onze eigen ziel: deze ondoorgrondelijkheid en onbegrijpelijkheid benoemen. Onze ziel is een mysterie, zegt de kerkvader Aurelius Augustinus (354-430), zoals God een mysterie is. En precies hierin komt aan het licht dat mensen beeld van God zijn.

Dat we de ziel die ons aanzet onze ziel - zelf, geest - te doorgronden bij ons onderzoek niet tegenkomen, of hooguit als een steeds weer wijkend idee, is voor Augustinus een bron van verwondering, maar geen probleem om op te lossen.

Het zelf dat we zoeken is het zelf dat zoekt, meent hij, en daarmee hebben we dat zelf dus altijd al gevonden, hoewel we het nergens kunnen aanwijzen. Zoals naar Augustinus' overtuiging God altijd al bij ons is en ons altijd al gevonden heeft, en wij als antwoord hierop God zoeken. Ook God kunnen wij niet zo vinden dat wij zijn aanwezigheid in handen hebben en kunnen hanteren.

Het moderne denken maakte God eerst het fundament van het bestaan van de werkelijkheid waarin wij leven, en ontdekte vervolgens dat deze God niets bijdroeg aan het begrip van wat bestaat. Het lijkt erop dat deze geschiedenis zich nu herhaalt met de ziel: de ziel die de grond is van onze vrije menselijkheid, blijkt niet te vinden.

Dit is echter een algemener patroon. Telkens wanneer we geloven onszelf doorgrond te hebben, blijkt de relevantie van wat we menen te weten uiterst gering. Wat zegt het vermeende inzicht dat wij ons brein zijn, als we voor de vraag staan hoe ons leven vorm te geven? Mensen kunnen ervoor kiezen deze vraag zelf als een illusie te beschouwen, maar deze keuze zal dan gebaseerd zijn op de inschatting dat dit met het oog op een goede levensvoering verstandig is.

Ik blijft op dit punt graag bij Augustinus' oplossing: de ziel die zoekt is de ziel die we zoeken. Onze ziel is dus steeds, wij zijn voor onszelf dus steeds, zowel het meest nabij aan als het verst verwijderd van ons begrip. De ruimte van gelijktijdig weten en niet weten wie we zijn, is de ruimte van onze ziel. In deze ruimte blijken onvermoede mogelijkheden schuil te gaan die niet zelden moeten worden wakker geroepen om aan het licht te kunnen komen.

Dit is de wijsheid van de mystiek: dat de ontmoeting met God de ziel van een mens boven zichzelf doet uitstijgen en dat deze zo nooit meer bij zichzelf thuis is - het pijnlijke gevoel door de beminde verlaten te zijn dat zo karakteristiek is voor de mystieke traditie -, maar dat dit het beste is wat haar ooit is overkomen en haar pas werkelijk tot zichzelf heeft gebracht.

'Ziel', zo zou ik samenvattend zeggen, is een ander woord voor ons besef niet te weten wie we zijn, niet per ongeluk of tijdelijk, maar principieel. Dit impliceert dat niets of niemand kan vaststellen wie we kunnen zijn.

Dat is geen vrijheid als bezit, geen absolute zelfbeschikking. Maar deze visie op vrijheid heeft tot de overtuiging geleid dat toetsen en assessment de grenzen afbakenen van onze mogelijkheden. Alsof we in de gevangenis zitten.

De vrijheid van de ziel is vrijheid zoals iemand buiten de gevangenis vrij is. Alles wat zich aandient om nader te onderzoeken en te ontdekken, kan worden onderzocht en ontdekt. En je weet nooit van tevoren waar dit toe leidt en waar dit je brengt - God zij dank.

De rooms-katholieke theoloog Erik Borgman bekleedt de Cobbenhagen Chair aan Tilburg University. Dit artikel verschijnt naar aanleiding van de Dag van de Filosofie die op 21 april plaatsvindt en georganiseerd wordt door Tilburg University en Avans hogeschool. Meer informatie: www.dagvandefilosofie.nl

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden