De vrijheid onder water

Het is mooi werk dat ze doen, dus gaan ze er helemaal voor. De mensen in deze maandelijkse interviewserie vertellen over hun passie en gedrevenheid voor het werk dat ze doen. Vandaag duiker Ruben Steenbergen.

Arlette Dwarkasing

Het is de stilte onder water. Die ongelooflijke stilte. Geen herrie aan je kop. Je hoort alleen je eigen luchtbellen. Verder niets. Dat is geweldig, vertelt duiker Ruben Steenbergen (36). Ja, ook als hij onder water aan het werk is. Als hij in zijn duikpak heipalen sloopt, beton stort of laswerk doet.

Onderwaterbouwvakker, noemt hij zichzelf. „Als ik ergens mijn werk niet goed doe, heb jij natte voeten. Omdat de tunnel waar je doorheen rijdt lekt, de parkeergarage onder een gebouw volloopt of de waterbassins voor de sprinklers in winkelcentra leeglopen. Overal, je kunt het zo gek niet bedenken, zijn duikers nodig om de basis te leggen voor een bouwproject of om onderhoud te plegen.”

Steenbergen wordt even afgeleid. Er komt, aan het eind van deze werkdag, een ’spoedje’ binnen. De sluisdeuren in Tiel sluiten niet goed. Wie gaan erheen? De duikploegleider zit midden in dit gesprek op het kantoor boven de werkplaats van Duikbedrijf COW in Vianen. Maar als het nodig is, vertrekt hij naar Tiel. Van zijn werkgever mag hij blijven zitten, maar zijn blik verraadt dat als hij mag kiezen tussen dit interview of afreizen naar Tiel...

Ruben Steenbergen is geen prater. Veel hoeft er ook niet gezegd te worden onder water. Je moet wel altijd goed opletten, zegt hij. Waakzaam blijven. Voor je eigen veiligheid. Duikers werken dan ook nooit alleen aan een klus. Meestal zijn ze met z’n drieën. Of hij wel eens in een benauwde situatie is geweest? „Vanmiddag nog”, vertelt hij. Hij had het letterlijk even benauwd. Het gevoel dat hij niet genoeg lucht had. „Ik word daar niet meer bang van. Ik ging zwaarder ademen, dat merken ze boven dan ook.”

Via een duikslang staat de duiker in verbinding met collega’s boven de grond. Zo kan hij communiceren en wordt hij voorzien van licht en lucht. „Dan draaien ze boven de zuurstoftank meer open en gaat het weer. Wij hebben ook altijd een fles op de rug voor noodgevallen.”

Als klein ventje is Steenbergen al gefascineerd door de duikers die aan boord komen van het binnenschip van zijn ouders. „Bijvoorbeeld als er touw in de schroef vastzat. Dan kwamen er duikers die van alles onder water deden. Ik vond het leuk en spannend. Als kind van binnenschippers heb ik altijd wat met water gehad. Veel zwemmen en snorkelen. Toen ik met zeventien jaar van de lts afkwam, wilde ik ook meteen een duikopleiding doen. Dat kostte 16.000 gulden. Zoveel geld hadden we niet. Ik moest eerst maar eens gaan werken om dat bedrag bij mekaar te sprokkelen.”

De dienstplicht bestaat dan nog. Als Steenbergen achttien wordt, moet hij in militaire dienst. In 1993 dient hij een half jaar in voormalig Joegoslavië. „Ik zat bij de verbinding, moest de contacten onderhouden tussen verschillende sectoren. Ik heb wel oorlog gezien, maar niet echt meegemaakt.”

Terug in Nederland besluit hij enkele jaren te gaan varen. „Dat was niets voor mij, varen op zee. Ik kon niet tegen dat slingeren.” Een vakantie op Curaçao brengt hem terug naar een oude wens: duiken.

„Het ging me heel makkelijk af. Sommige mensen zijn bang onder water. Daar heb ik geen last van. Wat er zo bijzonder is aan duiken? De vrijheid die je hebt onder water. Je kunt alle kanten op. En die rust, die stilte. In de Cariben is er natuurlijk ook veel te zien. Het water is helder, je kunt ver vooruitkijken. Je hebt er wel twintig tot dertig meter zicht. In Nederland vaak nog geen vijf meter. Er is hier veel meer zand en aarde in het water. Vorige maand ben ik met mijn schoonvader wezen duiken in Egypte, dat doen we wel vaker. Mooie vissen en veel koraalriffen zijn er te zien. Maar het wordt daar steeds drukker onder water door het toenemende toerisme.”

In 2000, terug na die eerste vakantie op Curaçao, besluit Steenbergen de opleiding voor beroepsduiker te doen bij de Defensie Duikschool in het Noord-Brabantse Hedel – een dependance van de opleiding in Den Helder die inmiddels niet meer bestaat.

Categorie A-duikers doen met zuurstoffles op de rug (Scuba-diving, waarbij Scuba staat voor self contained underwater breathing apparatus) en een masker op, lichte werkzaamheden in binnenwater tot dertig meter diep. Dit zijn bijvoorbeeld brandweerlieden en duikers in zeeaquaria.

Steenbergen is een categorie B-duiker. Hij krijgt, via zijn vijftien kilo zware helm, lucht vanuit voorzieningen aan de oppervlakte (surface supply-equipment) en mag alle werkzaamheden in binnenwater én op zee tot vijftig meter diep uitvoeren. „We begonnen in het zwembad in Hedel en na een paar weken doken we de Maas in vanaf een duikschip van de genie. Je begint met boutjes aandraaien en gaat steeds verder met meer gereedschap.”

Het duiken is voor Steenbergen een middel om zijn vakwerk te kunnen doen. Maar ook de grootste uitdaging. „Er komt een extra stukje techniek bij kijken. Niet alleen bij het technische werk onder water, maar ook bij het duiken op zichzelf. Boven water is voor mij de uitdaging weg.”

Volgens het Nationaal Duikcentrum in Delft, die de belangen behartigt van beroepsduikers, zijn in Nederland zo’n zestig duikbedrijven actief, die werk bieden aan ongeveer vierhonderd beroepsduikers.

Bij de meeste klussen, vertelt Steenbergen, zie je niets onder water. Ook niet met het lampje dat op zijn helm is bevestigd. „Het water in Nederland is zo smerig, zoveel blubber. Soms heb je minder dan een meter zicht. Dan moet je op de tast werken. Je komt vaak voor verrassingen te staan. Reken je op vier heipalen die je door moet zagen, stuit je op een vijfde. Of laatst in het Amsterdam-Rijnkanaal: fietsen, brommers, hele brandkluizen in het water.”

Bijzonder was het enkele jaren terug om onder het Centraal Station van Amsterdam te werken aan de voorbereidingen voor de Noord-Zuid-metrolijn. „Dat was ’droog duikwerk’ in een caisson (werkruimte onder water of onder de grond met overdruk, red.). Hoe verder we naar beneden gingen, hoe meer spulletjes we tegenkwamen uit de oudheid. Dat was heel apart. Hamertjes, messen, botten van dieren, pikhaken van schepen, pijpjes, munten, ook twee zwaarden. Er gingen archeologen mee naar beneden om alles op te graven.”

Steenbergen vindt het ook mooi het voorbereidende werk te doen bij de bouw van tunnels. „En er dan maanden later doorheen rijden met het besef dat je er aan de basis hebt gestaan.”

Soms kan het jaren duren, zoals met de bouw van de tweede Coentunnel in het Noordzeekanaal. Daar is regelmatig duikwerk te doen, maar het zal nog tot 2012 duren voor de tunnel opengesteld kan worden.

En wat heeft een duiker nu te maken met die eerder genoemde sprinklers in winkelcentra? „Dat water moet toch ergens vandaan komen. Soms kan het uit een rivier worden gepompt. Maar vaak zijn er, ook bij grote gebouwen, enorme waterbassins. Die moeten regelmatig worden gecontroleerd en dan duiken wij die bassins in.”

Om voor zijn plezier te duiken hoeft Steenbergen niet per se naar verre oorden. Sportduiken kan ook in Nederland. Hij gaat de Vinkeveense of Maarsseveense plassen wel eens in, waar speciale duikgebieden zijn. „Je ziet er visjes, snoeken bijvoorbeeld. En bootjes, wrakken van auto’s soms. Maar ik doe het vooral om te relaxen. Voor de rust. Even een uurtje niks. Boven de grond is er altijd herrie, al wandel je in het bos. Ik ben graag alleen met mijn eigen luchtbellen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden