De vriendschap doet bloedige traanen schreijen

Graven van schrijvers zwijgen niet, maar spreken. Zij roepen een leven en een oeuvre in herinnering en spreken zacht jes tot de verbeelding -voorbij de laatste woorden. Een serie. Vandaag: het graf van Betje Wolff en Aagje Deken.

Ter Navolging doet haar naam op het eerste gezicht geen eer aan: de Haagse begraafplaats ligt onzichtbaar in de stad verscholen. Van navolging kan dus geen sprake zijn. Dan vinden we het grote, gietijzeren toegangshek, onopvallend ingeklemd tussen een bankgebouw en een trendy broodjeszaak op de hoek van de drukke Duinweg en Scheveningse weg, waar trams klingelend hun weg naar zee zoeken. Achter het hek stijgt een breed pad omhoog en volgt nóg een hek. Als dat eenmaal piepend en krakend is dichtgevallen, valt van verwondering alles stil: plotseling bevinden we ons op een doodstille terp, midden tussen de huizen en glazen kantoren, vol mantelpakjes en rinkelende telefoons. Een oase in de tijd.

De naam van de begraafplaats is geen cynisch memento mori voor de levenden, maar moet worden gelezen als een aansporing. Ter Navolging werd in 1799 aangelegd om het onhygiënische begraven in kerken te stoppen en de mensen aan te sporen hun doden buiten te begraven. Een van de eersten die hier een graf kochten was Betje Wolff. Van de 72 beschikbare 'kelders' kocht de schrijfster nummer 27.

Betje Wolff was toen samen met haar levensgezellin en co-auteur Aagje Deken nog maar net terug in het vaderland. 'De oude sloven, gelijk zijzelf destijds zich schertsend noemden, teruggekeerd uit hun Bourgondische ballingschap, waren zich in Den Haag komen nederzetten', schreef Busken Huet. De dames Wolff en Deken waren onafscheidelijk. In 1787, direct na de dood van Betje's echtgenoot, ds. Wolff, waren zij gaan samenwonen en vanaf dat moment hadden zij al hun literaire werk samen gedaan. Zowel hun proza -waarbinnen 'Sara Burgerhart', de roman in brieven, het onbetwiste hoogtepunt vormt- als hun polemische poëzie en pamfletten bleven niet onopgemerkt. In de roerige politieke tijden waarin zij leefden, kozen zij openlijk partij voor de patriotten, en in 1788 waren ze uit onvrede naar Frankrijk vertrokken.

Een tiental jaren later zag het strijdbare duo zich gedwongen weer in Nederland te komen wonen. Teleurgesteld in de verworvenheden van de revolutie, die in Frankrijk in alle hevigheid woedde, maar vooral berooid. Hun zaakwaarnemer in Nederland was in 1794 failliet verklaard, en de vriendinnen waren zo in één klap hun kleine fortuin kwijtgeraakt. Noodgedwongen betrokken zij een stel kamertjes aan het Spui, waar zij vanwege de herrie 'haare gedachten niet hooren konden'. Desondanks schreven ze als razenden om het hoofd boven water te houden. 'Ik moet vertaalen tot ik kikhals', vond Betje.

In 1801, vlak nadat zij waren ingetrokken bij een nicht van Betje, Jansje Teerlink, die woonde aan de Haagse Herderinnenstraat pand 437 (thans nr. 22), sloeg het noodlot opnieuw toe. Bij Betje openbaarden zich de verschijnselen van een ingewandscarcinoom, die haar leven tot een kwelling maakten. Zij was 'tot een schaduw weggedreven': 'Men ziet niets dan mijne oogen, maar wat sta ik ook uit! Pijnen, angsten (ik weet niet waarover!) onophoudelijk traanen storten, wegvallingen met volle bewustzijn, doodelijke benaauwtheden, slaapeloosheid!'

Voor Aagje was de ziekte van haar vriendin eveneens een kwelling. 'De enkele gedachte aan Haar smartelijke marteling heeft mijn hart verscheurd.' Bovendien kon zij de torenhoge rekening van de apotheek maar ternauwernood voldoen -al werkte ze voor twee. Betje's gezondheid werd slechter en slechter. In een van haar laatste brieven, van een paar maanden later, doet Aagje nauwgezet verslag van Betje's 'cirkel van smarten': 'Byna zonder tusschenpoosingen lijd zij nu, beurtlings aan woedendende kramp in de borst en de Maag, valsche braakingen, doodelijke benauwdheden, eene bijna verstikkende hoest wanneer de kramp op de long valt, aanvalle van zwarte Melancolie wanneer zij, zoals zij zich uitdrukt gewaarwordingen heeft als of zij door een onzichtbaar Wezen getergd, en inwendig, in alle richtingen, als met koorden getrokken word, dan schreit zij; uuren agtereen geheel werktuigelijk.' Aagje is wanhopig: 'Hoe smeeke ik om Haare ontbinding!'

Op 5 november 1804 stierf Betje Wolff, 's middags tussen één en halftwee. 'Zeven en twintig jaar hebben wij oneindig veel zuur en zoet te zaamen ondervonden', schreef Aagje aan een vriend. 'Zij is het waarom gaan ondervinden. (...) De vriendschap doet mij bloedige traanen schreijen. 't Verstand en de Godsdienst leeren mij dankbaar zijn, dat zij van zoveel lijden verlost is.' Dat Betje afschuwelijk moet hebben geleden, bleek uit de sectie die de dokter op verzoek van de overledene verrichtte. P.J. Buijnsters schrijft in zijn biografie van beide dames dat 'darmen, maag, hart, en de totaal versteende lever geheel met het buikvlies vergroeid waren'.

Op 9 november werd Betje bijgezet in haar graf... dat zes dagen later alweer moest worden geopend om ook plaats te verlenen aan Aagje. De dood van Betje had haar met stomheid geslagen. 'Zy heeft nog acht dagen na myne tante geleefd', schreef Jansje Teerlink in een brief, 'is volmaakt present gebleven, maar kon niets uitbrengen dat verstaanbaar was; alleen dit zeide ze tegen my, toen ik haar berigte dat men beezig was het ligchaam te openen (...): wel kind, wat hebben wy al veel zaam overgebragt.' Woensdag 14 november om 8 uur 's morgens was Aagje, naar verluidt 'zeer bedaard', aan 'zinkingskoorts' overleden.

De gedenksteen aan de binnenzijde van de muur van Ter Navolging vermeldt als Aagje's sterfdag per abuis 17 november. Deze epitaaf werd in 1895 ingemetseld. Bijna een eeuw na de dood van de vriendinnen, en bijna een halve eeuw nadat krachtens de statuten van de begraafplaats hun graf was geruimd. De beenderen van Aagje en Betje zijn in 1850, samen in één kistje, overgebracht naar verzamelgraf nummer 100.

Samen geleefd, samen gestorven, samen begraven: het klinkt tragisch, maar was ook zeer gewenst. Zij wilden niet zonder elkaar bestaan. 'Het is nu haast 23 jaar, dat Aagtje & ik vriendinnen en huisgenooten waren, & dit heeft ons zo zeer bevallen dat wy geen grooter verdriet kunnen vooruitzien dat dat zy my of ik haar waarschynnelyk zal overleven', schreef Betje in een brief van 23 maart 1800. En in de Almanak voor Vrouwen door Vrouwen dichtte zij: 'Indien ik mij vermeet der Godheid iets te smeeken, / dan smeek ik, dat ik mijn Vriendin behouden mag; / Dat gij mijn oogen luikt, mijn agtingswaarde DEKEN! / En na uw'dood, naast mij moogt rusten in één graf!' Aan die wens heeft Aagje vrijwel onmiddellijk gehoor gegeven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden