De vrees om uit jezelf te verdwijnen

Dichteres Eva Gerlach werkt aan 'Ogen wijdopen', een drieluik in poëzie en proza. Ze schrijft over de 'onmogelijkheid van een einde'. "F. is nu 91 en de kennis over de wereld loopt langzaam uit haar vandaan, ongeveer als vloeistof door kaasdoek."

The page you were looking for doesn't exist.

Reiziger. - Ik was zo vroeg in het ziekenhuis besteld dat de poliklinieken nog onbemand waren; de draaideur werkte, de lampen brandden maar nergens was een mens te bekennen. De afdeling waar ik werd verwacht leek niet te bestaan en toen ik, onvermijdelijk verdwaald, aan niemand de weg kon vragen, begon in mijn hoofd een fijne motregen mijn innerlijk karton te doorweken; de ijle gesteldheid waarin pijn en slapeloosheid een mens brengen, hielp daar ongetwijfeld bij. Zonder enig beleid sloeg ik gang na gang in, beklom trap na trap, passeerde gelijke en toch nooit identieke clusters werkplekmeubilair, waadde door smeltende grenzen als helden door bloed - maar, anders dan dezen, wonderlijk vrij van wanhoop, vermoeidheid of verhaal.

Iemand had zich bij mij gevoegd, vlak onder mijn huid zwierf hij weer eens met mij mee. Een naam had hij nooit gehad, toch kende ik hem sinds mijn vroegste verwarring (die door het maanlicht). Ik wist dat hij hield van onoverzichtelijk gebied, dat hij mijn geest wilde overhalen zich daarin te vestigen: mijn lichaam had hem vaak genoeg de kost gegeven, maar zelden was hij zo dichtbij geweest als hier, bij elke stap voelde ik hem tegen mijn botten schurken.

Toen mijn gescharrel tussen de nevenschikkingen ten slotte door een levende ziel werd gestuit, keerde ik opgelucht terug naar de vertrouwde, in samenhang geklede werkelijkheid, maar elke vanzelfsprekendheid was uit onze omgang verdwenen: steeds liftte de ongenoemde reiziger mee onder mijn huid, die daar zo doof van werd dat het me moeite kostte er contact mee te houden. Ik had het gevoel dat ik ingrijpend was veranderd, al zou ik niet precies weten hoe. Ik was gered, maar wat ik 'nu' noemde zou nooit meer helemaal hetzelfde zijn, zoveel was zeker.

Kwijt. - Van de polikliniek naar huis lopend ervoer ik het als een geschenk dat de wereld bestond. De lucht was egaal papyruswit en vogelloos, degrond rook naar schimmel. De kastanjebomen, ceremoniëler in hun kaalte, droegen hun knoppen als een geloofsbrief. Het asfalt van de landweg lag vol nietige takjes, dikwijls met een rafelig gespleten uiteinde - vertrapt? beknaagd? - : tengere, knoestige vormen, waarin vergeten en onthouden elkaar raakten. Vogelknieën, middenvoetsbeentjes, je zag ze afgerukt, door de lucht geslingerd, tegen de grond gesmeten. - Vergelijkingen: sprokkelhout van de geest, dat het zicht belemmert. - Ik fotografeerde ze om ze thuis kaler, onbevangener, te kunnen bekijken en was ze daarmee, besefte ik toen ik thuis achter mijn computer zat, heviger kwijt dan als ik dat niet had gedaan.

Loop ik daar weer als ik naar de foto kijk? Beleef ik hetzelfde moment opnieuw? Is de foto, zoals ik altijd dacht, een mogelijkheid om een nu eindeloos te laten voortduren? Nee, merkte ik voor het eerst, ik beleef niet het ogenblik, ook niet de herhaling ervan, hoogstens een uitsnede eruit, de waargenomen ruimte; en ook die niet: het is de vorm van het afgebeelde die me bezighoudt in het kijken naar de foto, de lijn, de kleine uitstulpingen, de rommel onderaan: nu is in zijn essentie - aanwezigheid - uit de tak weg, verdampt, niet te achterhalen. Naast deze tak bestaat geen andere meer. Ik wil dat dit niet waar is, maar het is niet anders: 'onmogelijk dat iemand een vergankelijk wezen twee keer in dezelfde toestand aanraakt' - ook met het oog, ook met de eeuwige geest.

Ik begon te vermoeden dat mijn zwerftocht door het ziekenhuis mij ongeschikt had gemaakt voor een normaal bestaan.

Vantage point. - Het geheugen, plaats van samenkomst, heeft aanknopingspunten nodig: een huidgeur, een melodie, een ontbrekende knoop - nu, nu en nu, samen toen. Aan opgeloste grenzen, een heelal zonder oriëntatiepunten, kunnen geen herinneringen worden opgehangen. Terugkijkend op een dergelijke situatie weet je maar één ding zeker: ik ontbrak.

Vija Celmins maakt uitgestrektheden waaraan geen einde lijkt te komen. Ze zijn gevuld met verdwijnpuntloze afbeeldingen van woestijnzand, sterren, golven of spinnenweb en hebben titels zoals 'Desert surface', 'Galaxy', 'Ocean surface', 'Web'. Meestal zijn het potloodtekeningen: uiterst precieze kopieën met zachter of minder zacht potlood van dikwijls door haarzelf gemaakte foto's. Ze eigent zich die foto's, alles wat erop te zien is, elke verheffing, iedere overgang, alle minieme schaduwtjes, toe in een langdurig proces van herscheppen, putting the images (...) back into the real world - in real time, zegt ze zelf. In de afbeelding wordt de werkelijkheid opnieuw geboren.

Het eerste wat je erin treft, is de onbegrensdheid ervan. Geen horizon, geen grens. Wat er is gaat door en door en. Verhaal is vervangen door herhaling met minieme variaties, zonder enige romantische bijklank. Geen mens dus geen zonde, boete, verlossing. Geen bliss in welke vorm dan ook. Wat je krijgt is een ruimte tot aan de randen gevuld met zich herhalende vormen in gevarieerde configuraties. Wat je hebt is een uitsnede uit wat eromheen doorgaat. Wat je ziet is een eeuwig nu, het materiegeworden onthouden.

Om Celmins te volgen, moet je heel langzaam kijken. Je moet ook steeds opnieuw beginnen met kijken, want je raakt de draad kwijt en na een poosje besef je dat het niet mogelijk is om hem vast te houden. Je kunt niet werkelijk zien wat er is, op de tekening of waar dan ook: het is te precies, te gelijk en tegelijkertijd te ongelijk, en vooral te veel. Om het te bevatten, zou je Ireneo Funes moeten zijn, Borges' allesonthouder:

"Hij kende de vormen van de zuidelijke wolken van de zonsopgang van dertig april achttienhonderdtweeëntachtig en kon die in zijn herinnering vergelijken met de adering van een in spaans kalfsleer gebonden boek dat hij slechts één keer had gezien en met de lijnen van het schuim dat een roeiriem op de Río Negro opwierp op de vooravond van de Quebracho-campagne."

Om wat ons bekruipt in onoverzichtelijk gebied, maken wij kaarten.

Dit is wat Celmins zegt: maak geen kaarten. Wees Funes, vergeet niets. Onthoud het gebied, bewaak het.

Het mooiste dat zij heeft gemaakt is een verzameling sculpturen onder de titel 'To fix the image in memory'. Je ziet elf paar stenen; elk paar bestaat uit een opgeraapte steen en een griezelig accurate bronzen replica ervan. Ze zijn niet uit elkaar te houden, maar je geest verzet zich tegen het idee van twee exact gelijke stenen: alleen al daarom blijf je kijken. In het kijken herhaal je Celmins scheppingsproces, je verdubbelt het. Zoals onthouden een verdubbeling is.

Concept en concreet: kijkend naar deze beelden ben je geneigd het voor hetzelfde te houden, het is immers alleen je hoofd waarin het bestaat. Maar Celmins houdt je hoofd vast en vraagt je wat nu wil zeggen. Kijk hier. En kijk nog een keer en kijk nog een keer. De manier waarop iets nooit hetzelfde is. Het aanslijpen van het moment.Wisseling. Onbestendigheid.

Sinds mijn uur in het ziekenhuis oefen ik in kijken volgens haar zichtlijnen.

De eerste vogel. - F. is nu 91 en de kennis over de wereld loopt langzaam uit haar vandaan, ongeveer als vloeistof door kaasdoek. Wat achterblijft is een korrelige massa structuren die, hoewel soms sterk verkreukeld, in elkaar gepropt of anderszins ontvormd, de materie van haar ziel uitmaken. Als ik zie hoe hulpeloos zij kan zoeken naar woorden, draait mijn hart om - niet alleen van deernis, vooral van angst, waarvoor? voor het wegraken van wie zij was? Of is het de veel primitievere vrees - gegrond op aantrekkingskracht - voor wat ik in het ziekenhuis meemaakte: de staat waarin tijd, plaats en oriëntatie verdwenen zijn uit jezelf; waarin je niet meer bestaat?

Maar voor haar tellen andere zaken. Met grote vanzelfsprekendheid maakt zij zich los uit verhaal. Zij die altijd zo angstig anticipeerde op wat haar zonder enige twijfel zou teleurstellen, verraden, bezeren, kan eindelijk naar buiten kijken zonder vrees voor pijn. Daar vliegen de halsbandparkieten in de bomen op het eilandje, daar zwemt de meerkoet, daar duikt de meeuw: naamloos, onvergankelijk en keer op keer de eerste vogel ooit gezien

En wat je zegt maakt even weinig uit

als de gekraakte schalen in een leeg nest.

(Rabbe Enckell)

Blik. - "En terwijl - wie zal ook dat ontkennen? - de tegenwoordige tijd geen uitgebreidheid heeft, omdat hij in een stip voorbijgaat, blijft niettemin het gadeslaan voortduren." (Augustinus)

Aan het eind van de middag gingen wij op bezoek bij mensen die aan de rand van een dorp wonen. Uit hun serre en van hun terras keken we uit over een weids schemerlandschap met velden, sloten, windmolens, verdwijnende horizon. Een gevoel van onbegrensde ruimte; en daar was ze weer, de onderhuidse tijd die eeuwigheid heet. Je knippert en een kader valt weg, heel even kijk je uit op wat over elke grens heengaat.

Als het geheugen een plek van samenkomst is, dan is wat ik met nu bedoel misschien niet meer dan een oogopslag. Ik kijk door mijn dunne schil naar een wereld waarvan ik niet weet of die er is, ik hecht aan een vorm die voortdurend verandert. In het midden van dat alles het soort blik waarover Vija Celmins zegt: 'Je schildert wat je je tussen kijken en doen herinnert.'

Levens. - In een vorig leven droomde F. dikwijls dat ze nooit meer kon slapen. Dit joeg haar angst aan, ze schrok wakker en kon niet meer slapen.

Die droom heeft ze nu niet meer.

Eva Gerlach is dichteres. In 2000 ontving ze de P.C. Hooftprijs. Afgelopen jaar verscheen haar bundel 'Kluwen. Gedichten' (ISBN 9789029575973), het eerste deel van 'Ogen wijdopen', een drieluik in proza en poëzie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden