De vraag om representativiteit leidt tot ondergang van de democratie

null Beeld thinkstock
Beeld thinkstock

"Het parlement moet 'de natie in het klein zijn'," zo citeerde Hans Goslinga dit weekend de liberale premier Cort van der Linden. Die woorden zijn zo'n honderd jaar oud. Maar ze zijn nog altijd even actueel als problematisch. Want wat betekent nu eigenlijk een 'natie in het klein'?

Ger Groot

Een 150-koppig panel, zoals Maurice de Hond zou kunnen samenstellen, verstond Cort van der Linden er al net zo min onder als al zijn voorgangers. Daarvoor zouden verkiezingen niet alleen het duurste maar ook het slechtste middel zijn. Niemand is immers gedwongen om te stemmen op iemand die op hem lijkt. De meeste mensen kiezen een vertegenwoordiger die in de meeste opzichten zelfs helemaal níet op hen lijkt.

Op één aspect na: diens politieke ideeën. Of de afgevaardigde een man of een vrouw, een onderwijzer of een ambtenaar, een banketbakker of bestuursvoorzitter is, valt voor de kiezer in het stemhokje in het niet bij de vraag of hij in politiek opzicht min of meer hetzelfde denkt en wíl als hijzelf. Aan zo'n persoon geeft hij zijn stem - in de verwachting dat de verkozene die in de volksvergadering versterkt zal laten klinken.

Representatief
Daarom heet zo iemand een 'afgevaardigde'. Tot voor enkele decennia spraken kamerleden elkaar in debatten nog met die term aan. Hier stond niet een persoon; hier stond de woordvoerder van een bepaalde politieke wil. Dat is, in de logica van de parlementaire democratie, het enige wat telt.

Toch wordt er intussen driftig gekrabbeld aan de randen van dat bestel. Vooral omdat nationale parlementen daardoor vrijwel nergens meer als 'representatief' worden ervaren. Ze bestaan grotendeels uit (voormalige) ambtenaren, hoog-opgeleiden, mannen, stedelingen. Niet alleen in Nederland roept menigeen dat hele bevolkingsgroepen daardoor nauwelijks 'vertegenwoordigd' zijn.

Strikt genomen is dat onzin - veroorzaakt door de dubbele betekenis van het woord 'representatief'. En dus kennelijk door een afnemend gevoel voor wat een parlementaire democratie eigenlijk is. Onderscheid maken tussen de persoon (met al zijn particuliere eigenschappen) en de 'afgevaardigde' wiens enige eigenschap zijn politieke wil is, vraagt nogal wat abstractievermogen.

Ons denkende ik
Waar dat het laat afweten, komt ook de staatsburger in het geding. Het betekent een gevoelige klap voor wat ooit zijn trots was: zijn vermogen afstand te nemen van het persoonlijke ter wille van het nut van het algemeen. Als 'verlichte mens', rationeel en universeel denkend, moet hij nu plaats inruimen voor zijn 'romantische' kant en zich laten leiden door wat hij werkelijk is: déze mens met déze verlangens en voorkeuren, specifieke geschiedenis en lichamelijke gesteldheid.

Kennelijk geloven we niet meer zo vast in ons eigen vermogen onszelf tussen haakjes te zetten en alleen te luisteren naar ons denkende ik. Voor we het weten menen we dan dat een arbeider anders 'denkt' dan een kapitalist, een vrouw anders dan een man, etcetera. En dan gaat ook de vraag hoe een parlement een 'natie in het klein' kan zijn er heel anders uitzien.

In alle opzichten weerspiegeld
Toch is het niet verstandig het huidige ongenoegen over de geringe 'representativiteit' daarvan terzijde te schuiven onder hoofdschuddend gemompel dat 'ze er niets van begrepen hebben'. Het idee dat de burger van zichzelf heeft is gaan veranderen - en dat heeft gevolgen voor de politieke orde. In zekere zin is dat ongenoegen zelfs een positief teken. Anders dan soms lijkt, is het parlement kennelijk zo populair dat men er zichzelf in alle opzichten in weerspiegeld wil zien.

Daarmee beginnen de moeilijkheden echter pas goed. Want hoe dat vorm moet krijgen weet niemand. En systeem van quota (zoveel vinex-bewoners, zoveel Groningers, zoveel vrouwen) brengt je van de regen in de drup. Welke criteria gelden er dan wel en welke niet? Voor je het weet, is het systeem zo fijnmazig dat je het parlement inderdaad beter kunt vervangen door het panel van Maurice de Hond. En daar komt de staatburger helaas niet meer aan te pas.

Full-time politicus
Zo leidt de vraag om representativiteit uiteindelijk tot de ondergang van de democratie. Of - andere mogelijkheid - tot de ondergang van het parlement. Een volksstemming over letterlijk íeder wetsvoorstel zou dát probleem in ieder geval oplossen. De enig werkelijk representatieve afspiegeling van het volk is tenslotte het volk zelf. Maar als je dat grondig wilt doen (en niet alleen af-en-toe, zoals in Zwitserland), zou je van iedere burger een full-time politicus moeten maken.

Ook daarvoor is natuurlijk een remedie. Burgers kunnen altijd, individueel of collectief, een professional inhuren die het politieke handwerk voor hen waarneemt. Ongeveer zoals ze nu hun belastingbesognes laten afhandelen door een ter zake kundige consulent. Die vertegenwoordigers komen dan op gezette tijden bij elkaar om te overleggen en besluiten te nemen. Zo'n praathuis zouden we - naar het Franse woord voor 'praten' (parler) - bijvoorbeeld 'parlement' kunnen noemen.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden