De vraag der vragen

November 2016

Het langverwachte telefoontje om half twee 's nachts, daags voor ik weer naar Brussel vertrek: 'Het is een meisje, en ze heet Olivia.' Hij zegt het nadrukkelijk, het klink als O Livia. Dan volgt de tweede naam: Rijke, een afkorting van de naam van zijn overgrootmoeder, Marijke. Mijn zoon stamelt hoe mooi zijn dochter is. De eerste woorden over zijn eersteling kan ik amper verstaan.

Negen maanden lang spraken wij over haar als het kindje, of de baby, of ons aanstaande kleinkind; in het begin nog voorzichtig, gaandeweg al vrijmoediger, hoewel het nooit echt leek te wennen. De ouders wilden het geslacht niet op voorhand weten, en als iemand 'hij' zei, voegden zij er vlug aan toe 'of zij.' De moeder hield ons op de hoogte door de kleine onbekende met van alles te vergelijken. Het is nu zo groot ongeveer als een druif, een abrikoos, perzik, mango. De hele fruitschaal kwam eraan te pas - tot haar almaar omvangrijker, indrukwekkender buik voor zich begon te spreken.

Nu is ze er dan, we hoeven geen metaforen meer voor haar te verzinnen. Haar ouders hebben haar een naam gegeven. De naam die maandenlang boven aan het lijstje meisjesnamen prijkte was eerst nog geheim, maar nu niet meer. Nog voor we haar straks te zien krijgen, heeft de naam al geklonken. De naam bestond al voor zij ter wereld kwam. Bij elke ontmoeting met een onbekende zal ernaar gevraagd worden: hoe heet je? De eerste vraag, op ieder in te vullen formulier. Het laatste woord onder haar brieven, kaartjes. De rest van de nacht proef ik de klanken. Je kunt haar naam voluit zeggen, maar ook afkorten, van heel vrouwelijk naar jongensachtig. Ze kan er alle kanten van zichzelf mee verkennen, de wijde wereld mee bereizen. In Londen kan ze Olivia heten, in Brussel Lieve, mocht ze dat willen.

Twee jaar eerder

'Goedemorgen, Vonne' - meer verlang ik niet. Misschien had ik beter moeten nadenken voor ik de uitnodiging om gastschrijver te worden in Brussel aannam. Hoe heb ik kunnen denken dat ik twee maanden zonder goedemorgen-man kan? Ik bedenk het pas als ik hem uitzwaai. Hij zal terugkomen, zeker, af en toe. Maar het grootste deel van de tijd moet ik het alleen zien te rooien. Alleen zijn is een voorwaarde om te schrijven. Daarom ben ik hier: om te schrijven en les te geven. Ik ben vaker alleen geweest in mijn leven, maar nooit zoveel weken achtereen. Niet in een stad waar ik niemand ken.

Lees elke tekst die je schrijft hardop, zal ik de studenten van het Ritcs leren. Dan hoor je vanzelf dat sommige woorden te vaak in een alinea voorkomen. Dat is eentonig, schrap ze, of zoek een synoniem. Drie keer alleen is wel erg alleen, toch laat ik het staan. Ik weet geen ander woord dat de lading dekt. In deze eerste alinea's ben ik precies zo alleen als ik niet wil zijn. Daarbij zijn er nog geen studenten in mijn leven, de lessen zullen pas in de derde week van mijn verblijf in Brussel beginnen. Vanaf dat moment zijn er vast genoeg mensen die 'goedemorgen, Vonne' zeggen.

In Brussel leer ik hoe belangrijk het is dat een paar mensen je bij name noemen. Of een knikje van herkenning te krijgen, te geven. Die eerste weken zonder studenten ontdek ik een manier om toch mijn naam te horen. Geroepen te worden, eruitgepikt, ja, jou bedoel ik en niemand anders. Op de hoek van de Oude Graanmarkt en de Sint Katalijnestraat bevindt zich Mer du Nord. Daar schallen voortdurend namen over straat. Het is er altijd even druk, je kunt er oesters eten, mossels, inktvis, vissoep. Wanneer ik mijn bestelling doe vraagt de Italiaan achter de toonbank mijn naam, voor op de bon. Is het gerecht klaar dan wordt de naam van de klant omgeroepen. Paul, Luc, Charlotte... Mijn naam? Ik aarzel een seconde en zie de jongen denken: och arme, ze weet niet meer hoe ze heet.

Maar hij weet niet dat ik kan kiezen. Al voor mijn eerste verhaal in druk verscheen, besloot ik voor mijn lezers Vonne te heten. Vonne, en niet Yvonne zoals in mijn paspoort stond. Het sprak vanzelf, ik werd door intimi toch al Vonne genoemd. Zij hadden me die naam gegeven. Ik hoopte dat mijn lezers, zolang ze mij lazen, ook geen vreemden zouden blijven. Mijn oude naam klonk nog maar zelden, en de Y viel eraf als een dode tak.

Hier in tweetalig Brussel, aan de toog bij Mer du Nord/Noordzee, besluit ik dat ik Yvonne heet. Een andere stad, een andere naam, die Yvonne is vast iemand anders dan Vonne. Wíe zal nog moeten nog blijken, maar de nieuwe naam lijkt me een goed begin van mijn nieuwe leven.

'Yvonne', schalt het even later over het plein. Uit de mond van de Italiaan klinkt het als een aria. De klank tilt me op, en als ik weer land voel ik me al minder ontheemd. Het woord schuilnaam krijgt een andere betekenis.

Thuis of op reis, ik probeer iedere dag een half uur te zwemmen. In het Sheratonhotel is een zwembad, maar een los kaartje kopen kan daar niet. Ik moet lid worden van hun sportschool, en daarom een formulier invullen.

Wie mijn werkgever is? Lastige vraag. Ik zie de vrouw denken: och arme, ze weet niet meer waar ze werkt. Brussel, zou ik kunnen invullen. Want het is de stad die me de eerste zin van een verhaal zal geven, me aan het werk zet, me werk geeft.

Op het pasje dat me de volgende dag overhandigd wordt staat: Yvonne van der Steer. De vrouw achter de balie ziet de fout nog eerder dan ik. Ze verontschuldigt zich, biedt aan een nieuwe kaart te laten maken. Ik glimlach, schud van nee. Het is goed zo. Misschien is het beter in een vreemde stad ook een andere achternaam te dragen, een andere identiteit aan te nemen, Yvonne van der Steer te heten.

Wie weet wordt zij nog eens een personage in een verhaal dat zich afspeelt in de straten rond het Rogierplein, waar ze op een novemberavond in de schemering aangesproken wordt door een man die, begrijpt ze later pas, zich aanbiedt. Een gigolo, frivool woord voor zo'n wanhopig beroep. Valt Yvonne van der Steer in zijn doelgroep: boven de vijftig en alleen? Niet armlastig zo te zien, alhoewel ze ruikt naar chloor, niet naar een duur parfum. Hij loopt een stukje met haar op, vraagt hoe ze heet. Bij hoge uitzondering heeft ze geen zin die vraag te beantwoorden. Haar naam noemen is blijkbaar ook: zich toevertrouwen. Hier ben ik. Door te zeggen hoe ze heet geeft ze al iets van zichzelf prijs. Loopt ze misschien zelfs gevaar. Hij geeft niet op. Laat me raden: Claudia, Elisabeth, Catherine? In de eindeloze rij namen die hij op flirtende toon opnoemt, komt ook de naam Yvonne voorbij. Vonne zou nu waarschijnlijk doorlopen, maar Yvonne blijft staan en neemt de man van top tot teen op. Een andere naam is meer dan een letter erbij of eraf. Het is het verschil tussen iets doen, of het laten. Yvonne spert haar neusgaten wijder en test of hij lekker ruikt.

Misschien kom ik Yvonne van der Steer nog eens tegen bij de bedelaars op de Boulevard Adolphe Max, de mannen en vrouwen die zij op weg naar het zwembad dagelijks passeert. Zij bedelen om geld. Yvonne van der Steer bedelt om een blik van herkenning.

De oude man met de ingezwachtelde stompen - hij kan niet praten of doet alsof - steunt iedere dag enthousiaster om haar aandacht te trekken. Met een beetje goede wil kan ze in de klanken die hij uitstoot een Y herkennen en een O. Een andere dakloze, die Frans noch Nederlands spreekt, zal haar de derde keer dat ze hem een muntstuk geeft vragen of ze 'solo' is. Bedoelt hij alleen, of alleenstaand? Voor Yvonne van der Steer heeft kunnen antwoorden, kust hij haar hand en vraagt haar ten huwelijk. En ook de zigeunerin met de uit de kluiten gewassen zoon herkent haar al van verre. Met opgetrokken benen, in foetushouding, ligt de jongen in zijn moeders schoot en doet alsof hij een peuter is. Zij kijkt gepast treurig omhoog naar de langslopende mensen, maar haar puberzoon valt steeds vaker uit zijn rol. Met zijn duim in zijn mond ligt hij te ginnegappen - een lusteloze Pietà. Zal hij nog in zijn moeders schoot liggen als hij twintig, dertig is? vraagt Yvonne van der Steer zich af. Lang staat ze er niet bij stil, want daar is de man met het konijn, wit bruin gevlekt met een roze neus. Het dier scharrelt rond op een stuk karton waarop in grote letters staat: een beetje geld s.v.p. voor mijn diner. Soms is de baas even weg. Dan bedelt het konijn rustig door, en liggen er keutels tussen de woorden. Gigolo, doofstomme, bedelaar of konijn, vroeg of laat moeten ze een naam krijgen - leer ik de studenten. Door een personage een naam te geven blaas je het leven in.

November 2016

Ik ben een week terug in de stad die nog steeds Brussel heet, maar zichzelf niet meer is. Een naam die verwijst naar fort of tombe zou haar beter passen. 's Nachts hoor ik vanuit mijn hotelkamer vlakbij het Ritcs het nerveuze gepropellor van een helikopter die een half uur lang boven één plek hangt. Als ik er in de les over begin halen de studenten hun schouders op. Zij zijn er aan gewend. Maar de aanslagen hebben de stad niet alleen maar ten nadele veranderd, merkt een jongen op. Na Zaventem en Maalbeek zochten de Brusselaars steun bij elkaar, midden in de stad. Hoewel de chaotische, bloederige beelden nog op ieders netvlies stonden, heerste daar een sfeer van - hij zoekt het woord. Saamhorigheid?, opper ik, maar hij kan het niet benoemen.

Vlakbij de Beurs heeft weken achtereen een pantservoertuig gestaan. Nu is het gevaarte weg, maar nog steeds kun je overal in de stad bewapende soldaten in kogelwerende vesten tegenkomen. Ze lopen ook over de Grote Markt, waar de kerststal wordt opgebouwd. Zou er nog iemand komen kijken, vraag ik me af, straks als het kindje in zijn kribbe ligt? Een zwaar bewaakte kerststal - het lijkt me beter om daar nooit aan te wennen.

Wanneer ik na de laatste les van dit jaar mijn tas inpak vertel ik de studenten - andere dan vorige jaar, en het jaar daarvoor - dat het kleinkind dat een paar weken terug even ter sprake was gekomen, inmiddels geboren is. Een meisje, zeg ik, vanavond zie ik haar weer. Ik wacht op de vraag - de vraag der vragen. Uit twee, drie monden tegelijk klinkt het: Hoe heet ze?

Bij de ingang van Brussel-Centraal staat een legertruck. De trein die ik wil halen heeft vertraging. Op weg naar een broodjeszaak word ik ingehaald door drie soldaten, ze snellen beheerst de trap af naar het perron waar ik zo moet zijn. Ik kijk om me heen of ik niet toevallig iemand ken, een collega die dezelfde kant op moet. Ik bestel een baguette met kaas, en op de valreep nog een beker chocola. Zenuwen vragen om zoet. De man achter de toonbank schiet in de lach: kaas en chocola! Dat gaat toch niet samen, mevrouw. Ik ben niet de enige tegen wie hij een grapje maakt. Hij houdt de moed erin en zingt luidkeels mee met Julien Clerc. Misschien is dit wat mijn student bedoelde, is het woord waar hij naar zocht: levenslust.

In een hoek naast de trap wacht ik tot het tijd is om naar beneden te gaan. Langer dan nodig wil ik daar niet staan. Als er in die smalle tunnel iets gebeurt zitten we als ratten in de val. Als ratten zonder naam. Ik schud de gedachte van me af, en nip aan mijn warme chocola. Klik mijn telefoon aan en verdwijn in de nieuwste foto's van Olivia.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden