De Voskuil-boom loopt uit

(Trouw) Beeld
(Trouw)

Het begon zo'n beetje bij Voskuil. Hij schreef romans ’van een sarrende en verslavende eentonigheid’ en beïnvloedde daarbij Frida Vogels, die het stokje weer doorgaf aan Minke Douwesz. Deze week blijkt de Voskuil-methode opnieuw een eigenzinnig talent te hebben gebaard: Detlev van Heest.

In J.J. Voskuils roman ’Het Bureau’ lezen we hoe hoofdpersoon Maarten Koning met echtgenote Nicolien ruziet over een roeimachine. Hij wil die graag kopen; zij vindt een dergelijke aanschaf het toppunt van burgerlijkheid. Fitness is goed voor leeghoofden en ijdeltuiten; bewust levende mensen houden zich met zulke futiliteiten niet bezig.

Een echo van deze ruzie klinkt door in Detlev van Heests debuutroman ’De verzopen katten en de Hollander’. De ik-figuur (die ook Detlev heet) vertelt daar over een conflict met zijn vrouw Annelotte. Zij vindt dat hij zich hoognodig moet laten knippen, hij weigert: uit loyaliteit aan zijn pas overleden kapper. Waarop zij antwoordt dat hij haar dan moeilijk het gebruik van een kleurspoeling kan verbieden.

Het blijft niet bij deze ene overeenkomst. Annelotte lijkt ook in andere opzichten op Voskuils Nicolien. Ze kapittelt Detlev om zijn gebrek aan ruggegraat en zijn impulsiviteit, maar steunt hem in zijn zeer ver reikende, soms halfzachte liefde voor fauna en flora. Detlev is net als Voskuils alter ego Maarten Koning een tobbende hypochonder, in wie mensenhaat en zelfverachting om voorrang strijden. In zijn kritiek op anderen kent hij al weinig erbarmen, maar over zijn eigen rol in het menselijk verkeer is hij totaal genadeloos. Hij weet dat hij struikelt over pietluttigheden en voelt zich verlamd door het besef dat alles wat hij onderneemt per saldo nutteloos is, maar wat hij zich nog het meest kwalijk neemt is dat hij is wie hij is.

In de aanloop naar de uitgave van Van Heests debuut bracht uitgeverij Van Oorschot begin dit jaar een boekje uit met een romanfragment en een interview met de auteur. Het verbaast allerminst dat Van Heest daarin onthult met Voskuil bevriend te zijn geraakt nadat hij zijn bewondering per brief had uitgesproken. De meester mocht de dagboeken van de leerling inzien en liet weten dat het respect wederzijds was.

Die onderlinge affiniteit tekent niet alleen de verhouding Voskuil-Van Heest, maar een complete schrijversgroep. Je kunt rustig spreken van een diep gewortelde familieverwantschap. Er valt zelfs een stamboom bij te tekenen. In zijn roman ’Bij nader inzien’ (1963) portretteert Voskuil de vriendenkring waarbinnen hij zich als student bewoog. In dat milieu zwoer men bij auteurs als Du Perron (1898-1940) en Ter Braak (1902-1940), de Nederlandse kampioenen van de autobiografische literatuur, en bij hun grote voorbeeld Stendhal (1783-1842). Als Stendhal de patriarch van het geslacht is, en Du Perron en Ter Braak de grootvaders zijn, dan kunnen Voskuil en zijn boezemvriendin Frida Vogels (auteur van een autobiografisch drieluik en een zestiendelig dagboek) doorgaan voor de oom en tante van het jonge neefje Detlev van Heest en het iets oudere nichtje Minke Douwesz.

De titel van haar debuutroman ’Strikt’ (2003) had al iets van een programma. Douwesz liet zich leiden door de nietsontziende eerlijkheid van Voskuil en Vogels. Weliswaar hulde ook zij zich in de gedaante van een romanpersonage, maar deze Idske Wolters was toch duidelijk geschapen naar beeld en gelijkenis van Douwesz zelf.

De ruim achthonderd bladzijden die ’Strikt’ telt, doen dermate gedetailleerd en feitelijk verslag dat je denkt een dagboek in handen te hebben, in plaats een min of meer gefingeerd verhaal, een roman. Die suggestie wordt nog versterkt doordat Idske zich bekwaamt tot psychoanalytica en daartoe jarenlang vijf maal per week op de divan plaatsneemt om zich geestelijk te laten doorlichten.

In haar hardop verwoorde getob staat Minke Douwesz nog het dichtst bij Frida Vogels, maar de obsessieve drang om alles zo waarheidsgetrouw en toch zo afstandelijk mogelijk te registreren deelt ze ook met Voskuil en zijn voorbeeld Du Perron.

Ook Detlev van Geest is belast met het gen van de registratiedrift: zijn verteller voelt een haast morele plicht om alles wat hij meemaakt zo nauwkeurig mogelijk vast te leggen, want alleen op die manier valt het leven binnen de perken te houden. Dat die zelf opgelegde plicht een kwelling kan worden, blijkt wanneer hij bekent bepaalde dingen na te laten om ze maar niet te hoeven noteren.

’De verzopen katten en de Hollander’ speelt zich af in Japan, waar Van Heest meer dan tien jaar woonde; aanvankelijk als correspondent voor de Nederlandse pers, maar daarvan kreeg hij bij gebrek aan inspiratie al snel zijn bekomst. Terwijl Annelotte overdag naar haar werk was, observeerde Detlev de buurtbewoners. De aantekeningen die hij daarvan bijhield, zijn omgewerkt tot een serie indringende portretten, van langzaam aftakelende buurmannen en buurvrouwen, de al genoemde kapper die overlijdt aan kanker, een musicus en zijn echtgenote, een parasiterende randfiguur, een hoogbejaarde man van wie de verteller vermoedt dat hij een onbestraft gebleven oorlogsmisdadiger is, een niet aflatende Jehova’s Getuige en een collega-auteur die een verhaal geschreven heeft dat dezelfde titel draagt als Van Heests debuut. Ook de padden, rupsen, spinnen en andere bewoners van Detlevs tuintje krijgen een plaats in de galerij.

Opvallend is de souplesse waarmee Detlev met de Japanners verkeert, die toch niet als toeschietelijk bekend staan. Hij converseert met hen in hun eigen taal en plooit zich zonder bezwaar naar hun nauw luisterende omgangsvormen; hij moet zich bij de strakke Japanse codes al snel hebben thuisgevoeld. Wie al registrerend controle wil uitoefenen, zal eerder bereid zijn zekere regels te accepteren en na te leven.

In dat opzicht wijkt Van Heest af van de rebelsere Voskuil, ook al legde deze zich ten slotte altijd weer morrend neer bij de noodzaak een inkomen te verdienen en in ruil daarvoor een knieval te maken voor de maatschappelijke orde.

Van Heests Japanse samenleving doet merkwaardig vertrouwd aan, waarschijnlijk omdat zijn blikveld in laatste instantie wordt bepaald door zuinig-Hollands conformisme. Exotisch daarentegen zijn de in het Nederlands vertaalde namen van personen en plaatsen: Meneer In het Net, Meneer Reuzenrad, Meneer Booreiland, Weduwe Bouwput, Familie Zevenzeeën, het Theewaterziekenhuis. Het maakt dat je ze nog scherper voor je ziet, en dat is een van de kwaliteiten van dit merkwaardige, maar altijd de aandacht opzuigende boek, dat zijn sarrende en tegelijk verslavende eentonigheid gemeen heeft met het werk van Voskuil en Vogels.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden