'DE VOLGENDE KEER: LAS PALMAS, WANT DAAR BEGINT EUROPA'

Het nieuws halen ze alleen als er weer eens een paar dood in een scheepsruim zijn gevonden, of als ze in paniek van boord zijn gesprongen. Maar de honderden anderen die op de Europese havens afstevenen bestaan officieel niet. Het zijn zwalkenden zonder identiteit, overgeleverd aan de grillen van de kapitein, later aan die van de politie, marechaussee en hun eigen ambassade. Verstekelingen.

FRED DE VRIES

In de havens van Afrika is het voor kansarmen bijna sport geworden om als verstekeling de economische en politieke misere van de Derde Wereld te onbtvluchten. De droom der wanhopigen: zonder geld, zonder papieren, zonder vlotte babbel, en bij wijze van spreken poedelnaakt, toch het land uit te komen. De regels zijn simpel: vermijdt de Russen en Chinezen en achterhaal welk schip naar West-Europa gaat. Daarna komt het aan op dat ene mespuntje vindingrijkheid en geluk.

Echt veel moeite hoeft het niet te kosten om aan boord te komen. Laden en lossen gebeurt in Afrika immers nog grotendeels met mankracht. De chaos in de havens maakt wat geschuifel over de loopplank nog onopvallender. En in het uiterste geval spring je in het water en klauter je via de touwen omhoog. Je verschuilt je tussen de lading. Pakken ze je al tijdens de verstekelingencontrole, dan heb je pech en wacht je op de volgende kans. Vinden ze je niet, dan is dat het begin van een groots avontuur. Maar wat vrijwel geen enkele verstekeling zich realiseert, is dat vanaf het moment dat de scheepsmotoren beginnen te ronken, hij iedere macht over de verdere gebeurtenissen verliest. Overgeleverd aan zeelui, politie, vreemdelingendienst, rederij, bureaucraten en advocaten is hij als een goedkoop speelgoedbeest in de handen van een groepje kinderen. Sommigen plukken eraan, anderen stuite ren er mee en een enkeling voelt vertedering.

Aan een tafeltje in de rokerige bar van het Zeemanshuis aan de Rotterdamse Willemskade doden Indonesische zeelui de tijd met kaarten, bier drinken en televisie kijken. Ze moeten nog dagen wachten op hun volgende schip en zijn blij met wat afleiding. "Ga zitten" , klinkt het uitnodigend. Ja, met verstekelingen hebben ze allemaal wel eens te maken gehad. Een van hen ver- telt hoe hij jaren geleden ooit zelf met een pakje biscuits en een fles water stiekem aan boord van een schip is gekropen. Dat was trouwens niet omdat hij zo graag Azie voor Europa verruilde, maar omdat hij werk zocht als matroos. "Maar Afrikanen zijn anders" , weet hij. "Altijd als we in een Afrikaanse haven aanleggen proberen er wel een paar om zich aan boord te verbergen. Ze willen naar Europa."

Voorbeelden te over. "Pas nog zaten er negen Nigeriaanse verstekelingen op een schip van een Rotterdamse rederij." Zijn maten lachen hartelijk. De aanwezigheid van grote groepen 'blinde passagiers' op andere schepen blijkt een onuitputtelijke bron van vermaak. Maar zodra hun eigen ervaringen met verstekelingen ter sprake komen, klappen de zeelui dicht. De schimmige wereld van het ruime sop leent zich niet voor al te persoonlijke anecdotes.

Op zee heersen andere, ongeschreven wetten. Zij die zich zonder toestemming, zonder geld en zonder papieren aan boord begeven houden eigenlijk op te bestaan. Hun lot ligt volledig in handen van de kapitein en zijn bemanning, voor wie zij slechts overlast betekenen; menselijke ballast waar een schip nauwelijks vanaf raakt. Geen enkel land zal zijn grenzen openen voor een berooide Derde Wereld-stakker zonder papieren. Internationale richtlijnen bestaan nog steeds niet. De 'Stowaway Act' uit 1957 was een poging te voorkomen dat mensen jarenlang op zee zouden ronddolen. Het aantal landen dat deze overeenkomst wilde ondertekenen was echter onvoldoende. Zelfs initiatiefnemer Nederland zag er van af. Het is daarom geen uitzondering dat een kapitein jaren met zijn verstekeling zit opgescheept.

De rechten van de verstekeling verschrompelen op zee bliksemsnel tot het recht om niet onmenselijk behandeld te worden. Zeelieden interpreteren dat nogal eens op hun eigen wijze. Vastketenen, kielhalen, water en brood en een goede afranseling zijn slechts enkele van de incidenten die uit de doofpot van het scheepsruim zijn ontsnapt.

De Indonesiers in het Zeemanshuis dragen zelf de meest extreme voorbeelden aan. Ze vertellen het bekende verhaal van de Griekse kapitein die in 1985 twaalf Kenianen en Tanzanianen in volle zee over boord zette als voer voor de haaien. En ook een Nederlandse kapitein die voor de kust van Nigeria een Ghanees over boord liet zetten is hun bekend.

"Het is echt barbaars om ze in het water te smijten" , beamen ze braaf. "Iemand wordt verstekeling omdat hij een beter leven wil, niet omdat hij een crimineel is. Wij prberen hem menselijk te behandelen. Van ons krijgt hij wat sigaretten en kleren." . Het gesprek stokt. Pas bij de vraag wat voor een verstekeling de meest aantrekkelijke havens zijn, leven de zeelui weer op. In koor antwoorden ze: "Rotterdam en Antwerpen!" En met een knik naar hun zwarte buren: "Vraag maar hiernaast. Die kunnen je er alles over vertellen."

Maar de West-Afrikanen houden zich eveneens van de domme. "Verstekelingen? Niet omdat je journalist bent hoor, maar daar komen wij echt nooit mee in aanraking." Opmerkelijk. Want jaarlijks registreert de grensbewaking in Rotterdam en IJmuiden zo'n driehonderd 'blinde passagiers'. Het zijn vrijwel allemaal jinge mannen uit West-Afrika. Ghana is al jarenlang de onbetwiste gele trui-drager. En ook wat betreft records per schip doen de Ghanezen het niet gek. Verleden jaar wist een groep van negentien, een groep van zeventien uit 1988 van de eerste plaats te verdringen. Voor hen huurde de betrokken rederij zelfs een aparte charter om ze onder politiebegeleiding terug te brengen naar Ghana. Kosten: een kwart miljoen gulden.

"Verstekelingen zijn vooral arme sloebers" , vertelt hoofdagent M. Postema in het gebouw van de Rotterdamse rivierpolitie aan de St. Jobsweg. Postema werkt daar al elf jaar bij Bureau Grensbewaking. Hij heeft het aantal verstekelingen zien verdubbelen. "Bijna driekwart komt zonder reisdocument. Ze denken dat West-Europa het mekka is. Sommigen worden op een schip een paar dagen goed behandeld en uiteindelijk teruggevlogen. Die zie je dan denken: tot de volgende keer! En zodra ze weer thuis zijn rennen ze naar de haven om zich opnieuw te verstoppen. Verleden jaar kregen we hier driemaal dezelfde verstekeling." De meesten hebben volgens hem geen idee waar ze aan beginnen. "Ze zijn een gevaar voor zichzelf. We hebben hier tot nu toe een stuk of vijftien dode verstekelingen gevonden. Pas nog, begin dit jaar, vonden we twee Ghanezen in een hermetisch afgesloten ruim met aardnoten, waar insectici den in waren gespoten. Die kwamen gemummificeerd aan."

Zodra een schip de haven aandoet, vertelt Postema, is een kapitein verplicht zijn blinde passagiers aan de grensbewaking te melden. Doet hij dit niet, of te laat, dan wacht hem een boete van duizend gulden. In Rotterdam is de rivierpolitie belast met grensbewaking, in IJmuiden is dat de Koninklijke Marechaussee. Beide instanties hebben hun eigen werkwijze, vooral wat betreft asielzoekers.

"De formele gang van zaken is om een verstekeling de inreis te weigeren" , legt kapitein Frans Beerman van de marechaussee in IJmuiden uit. "Je kunt dan zeggen dat hij aan boord moet blijven, Maar het gebeurt wel eens dat een gezagvoerder de andere kant opkijkt en hem van boord laat glippen. Daarom halen wij hem op en brengen hem naar onze doorlaatpost. Daar krijgt hij op kosten van de rederij een matras, een deken en drie maaltijden. Daarna wordt hij, afhankelijk van eventuele papieren, per vliegtuig gerepatrieerd of teruggebracht naar het schip."

De marechaussee gaat er impliciet van uit dat alle verstekelingen economische motieven hebben voor hun vlucht. Beerman: "We hebben hier in totaal misschien twee asielzaken gehad. Kijk, we laten het verzoek om politiek asiel over aan hun eigen inventiviteit. Het zou hypocriet zijn als ik, aangesteld om 's lands grenzen te bewaken, ga zeggen dat die mensen hier binnen kunnen komen door asiel te vragen. Ik ga ze dat niet in de mond leggen." Op een gewillig oor hoeft de verstekeling bij de marechaussee niet te rekenen. "We nemen alleen de personalia op. Wij interviewen niet," legt Beerman uit. "Dat is ook niet nodig. Als je zo'n West-Afrikaan hebt die op z'n Westafrikaans gekleed is, sandalen, T-shirtjw, dan kun je daar zonder moeite uit concluderen dat het om een econische verstekeling gaat. Maar, let wel, als iemand zegt: ik wil graag een advocaat spreken, dan zorgen wij daarvoor."

Ook de Rotterdamse rivierpolitie ging lange tijd zo te werk. Maar eind jaren tachtig liepen de spanningen tussen de gezagsdragers en het Rotterdams Advocatencollectief hoog op. "Verstekelingen werden niet van de schepen afgelaten en niet in staat gesteld een asielverzoek te doen" , vertelt advocaat Aldo Kuijer, die zich samen met zijn collega Hilde van Asperen het lot der verstekelingen sterk aantrok.

Toen het ziedende collectief zelfs de landelijke Ombudsman inschakelde, koos de rivierpolitie eieren voor haar geld. Op 1 juli 1990 trad een nieuwe, unieke regeling in werking. Kort samengevat komt die erop neer dat de rivierpolitie in principe alle verstekelingen naar de kade brengt, verhoort, informeert naar het 'waarom' van de illegale reis, en ze wijst op hun recht op een advocaat. Asielzoekers en zij die langer dan zes uur aan wal blijven worden via de 'boodschappendienst' automatisch aan de advocaten gemeld. Alle partijen, die inmiddels verenigd zijn in een verstekelingenoverleg, zijn 'redelijk tevreden' met deze oplossing. "Aan boord worden verstekelingen niet altijd op een menswaardige manier behandeld. Bij ons gebeurt dat wel" , begint M. Kosters, chef bij rivierpolitie. "Maar" , voegt hij er eerlijk aan toe, "als wij weten waar de verstekeling zit kunnen wij natuurlijk de grensveiligheid veel beter waarborgen."

Advocate Hilde van Asperen: "Het werkt beter dan voorheen, hoewel wij afhankelijk blijven van de goede wil van de politie." Beschuldigingen dat de advocaten hun clienten te pas en te onpas wijzen op de mogelijkheid politiek asiel aan te vragen, wijst zij minzaam van de hand. "Wij hebben nu eenmaal een andere wijze van vragen stellen dan de politie en de vreemdelingendienst, met als resultaat dat een groter percentage verstekelingen asiel aanvraagt. Maar iemand die vervolgd wordt, vertelt niet direct aan de eerste de beste Nederlander in uniform zijn levensverhaal. Daar is tijd en vertrouwen voor nodig."

Onduidelijk blijft het aantal verstekelingen dat op illegale manier het land inkomt. De politie en marechaussee zeggen dat het 'om een handjevol' gaat. Advocaat Aldo Kuijper lacht wat schamper als hij dit hoort. "Er zijn veel meer verstekelingen dan bekend is. Grensbewaking controleert de schepen nauwelijks. En zo'n kapitein is zijn niet betalende passagiers liever kwijt dan rijk, dus die zal ze lang niet altijd melden."

Op het Rotterdamse Advocatencollectief komt men regelmatig in aanraking met Afrikanen die van boord zijn geglipt. "Maar" , zegt van Asperen, "die zijn vrijwel allemaal via de Antwerpse haven binnengekomen."

Volgens ingewijden is Antwerpen inderdaad het Walhalla om Europa binnen te komen. De haven is onoverzichtelijk en de controle slap. Kapiteins zouden hun verstekelingen in Rotterdam zelfs toefluistern: "Wacht maar, hierna komen we in Antwerpen, daar kunnen we je wel drossen."

De Belgen willen af van het imago van slechte leerling in de Europa-klas. De Belgische staat heeft onlangs zelfs een Antwerpse advocate en een arts voor de rechtbank gedaagd wegens hulp aan verstekelingen. Ze werde vrijgesproken, maar justitie is in hoger berope gegaan. Een hoop drukte om niets, vindt advocate Edith Flamand, tegen wie het kort geding loopt. "Die jongens zaten daar onder mensonterende omstandigheden. Er had geen haan naar gekraaid als ze gewoon in zee waren gegooid. Wij wilden slechts humanitaire hulp geven."

Maar zo simpel ligt het niet. In de zaak-Flamand heeft zich alle dramatiek van het verstekelingenprobleem samengebald: wanhoop, onmenselijkheid, medelijden, gehuichel, en, jong maar veelbelovend: de politiek.

Alleen de symboliek van het decor al. In een dode hoek die twee anonieme Antwerpse straten met elkaar verbindt, verschuilt zich het Leger des Heils. Daar verblijft de 19-jarige Peter Bero, wiens verhaal te onwaarschijnlijk is om geheel verzonnen te zijn.

Bero praat alleen Swahili en het iedereen onbekende Kilomi. Hij is geboren in de Oegandese stad Entebbe. Zijn ouders zijn vermoord door soldaten van Idi Amin. Bero zou via het Rode Kruis in Mozambique zijn beland. In de overbevolkte, door rebellen geisoleerde hoofdstad Maputo zwierf hij bedelend en stelend over straat. Op een dag besloot hij zich, zonder papieren, in het Joegoslavische schip Virpazar te verstoppen. "Op naar Europa!" , dacht hij. Bij de verstekelingencontrole in de haven werden twaalf jochies gevonden en verwijderd. Alleen Bero en de Mozambicaan Vincente Vinodi bleven over. De Virpazar deed eerst Durban en Rotterdam aan en verscheen bijna zeven weken na vertrek uit Maputo in Antwerpen. Het was hartje winter. Daar zagen dokwerkers twee ondervoede (volgens het politierapport wogen 'de negers' nog maar 50 en 60 kilo) jongens, opgesloten in het masthokje. Het vroor en ze moesten slapen op een stalen rooster. Voor hun behoefte waren ze aangewezen op een verfemmer.

Verontrust belden de dokwerkers Edith Flamand uit haar bed. Zij en de arts Van Druppen spoedden zich naar het schip en spraken met de kapitein. De dokwerkers maakten van de gelegenheid gebruik om de twee jongens te bevrijden.

Beiden werden terstond op de asielmogelijkheid gewezen. De Belgische autoriteiten wezen het verzoek van Vinodi (gevlucht voor gedwongen militaire dienst) af. Die paktye daarop snel zijn biezen. Niemand weet waar hij gebleven is. Bero's zaak loopt nog. De ontoegankelijke Oegandees slijt zijn dagen tussen de zwervers bij het Leger des Heils, leert Nederlands en klaagt over de werkzaamheden die hij moet verrichten. "Hij had waarschijnlijk een hele andere voorstelling van Europa" , zegt zijn begeleidster. "Veel meer luxe."

Terwijl Bero mokt, hebben de goedwillende Flamand en Van Druppen een bizar proces aan hun broek. "Ik had verwacht dat ze de zaak zouden seponeren, want het sop is de kool niet waard" , zegt Flamand. "Maar de staat wil blijkbaar een precedent scheppen. Het moet lijken alsof wij onderduikers helpen. Van de straffen lig ik niet wakker. Maar deze zaak heeft, hoe dan ook, een intimiderend effect op iedereen die zich inzet voor vluchtelingen. Iedereen die mensen humaan wil behandelen gaat zich bedenken."

Belgie, kortom, versterkt de fundamenten van Fort Europa. En ook aan de muren wordt gewerkt. Sinds 1989 bestaat er bij voorbeeld nauwe samenwerking tussen de Antwerpse en de Rotterdamse grenswachten. Want ook in Nederland heerst de nodige opwinding over de bescherming van de buitengrenzen. "Nederland is geen immigratieland" , zegt rivierpolitiechef Kosters beslist. "In 1992 worden wij een buitengrens voor heel Europa. Dan krijgen wij zwaardere verplichtingen. Die moeten wij dan niet alleen meer aan Nederland nakomen, maar aan de hele Europese Gemeenschap." Maar Kosters beseft dat de sterkte van de ketting afhangt van de zwakste schakel. "Wij hebben het gemakkelijk. Eigenlijk zijn alleen IJmuiden en Rotterdam belangrijke buitengrenzen. De vraag is: hoe zal de grensbewaking internationaal op elkaar worden afgestemd? Kun je landen als Spanje en Portugal verplichten dezelfde strenge bewaking te hanteren als Nederland? Straks kunnen wij ons misschien op de borst kloppen als er geen verstekelingen illegaal het land binnen zijn gekomen, maar krijgen wij van Justitie te horen dat het via de achterdeur volstroomt."

Advocaat Kuijer vreest dat het progressieve Rotterdamse verstekelingenbeleid geen lang leven meer beschoren is. Tevens voorziet hij toenemende problemen. "Er is in Afrika een enorm duw- en trekwerk van mensen die weg willen. Via de luchthavens wordt het steeds moeilijker. Over land is ook een hele opgave. Het alternatief wordt 'Het Schip'."

Hij verwacht bovendien dat het Akkoord van Schengen, bedoeld om Europa's buitengrenzen effectief af te grendelen, vooral averechts zal werken. "Volgens artikel 28 van het Akkoord van Schengen staat er op het vervoeren van iemand zonder geldig reisdocument een boete. Maar niet melden levert de kapitein ook een boete op. Een hoop kapiteins zullen eieren voor hun geld kiezen. Die houden hun mond en zetten de verstekelingen illegaal aan wal."

En Peter Bero? Die komt in Antwerpen regelmatig met elegante nieuwe kleding thuis. Niemand weet hoe hij daaraan komt. Er is aan hem geplukt, met hem gestuiterd, hij is vertederd aangehaald. Maar nu komt hij tot leven.

Nummer 176 op de lijst van de Rotterdamse Rivierpolitie. Naam: Kojo. Leeftijd: 22 jaar. Nationaliteit: Ghanees.

Hij zit te slapen in een glazen hokje ter grootte van een dubbele telefooncel. Rode baseballpet, paarse trainingsbroek, grijs sweatshirt. De vorige dag was hij tijdens de storm ziek geworden. Zijn tanden heeft hij sindsdien niet gepoetst. Naast hem zit een huilend fietsendiefje, opgepakt bij de kermis aan de overkant. Op 23 oktober, 's ochtends vroeg, kwam Kojo als verstekeling op het Cypriotische schip Merkur Sea in Rotterdam aan.

Kojo: "Ik ben op 18 september in Freetown, Sierra Leone aan boord gegaan. Ik had geen werk. Ik woonde op het haventerrein, in een lege container. Een vriend zei: laten we het proberen. Samen met een groep sjorders zijn we toen aan boord gegaan en hebben ons in een lege container verstopt. Ik dacht dat ik in Europa gemakkelijk een baantje zou kunnen vinden.

"We hadden niets bij ons, geen eten en geen drinken. Ik had ook geen papieren. Na een paar dagen hielden we het niet meer uit. Mijn vriend ging naar de 'mess' om eten te zoeken. Maar er was niets. De volgende ochtend zijn we naar boven gegaan en hebben ons bij de kapitein gemeld. We werden in een cabine gezet, samen met nog acht verstekelingen die aan boord bleken te zijn geslopen. Ik kende ze niet. Oh ja, toen het schip in Freetown aanlegde zater er ook twee verstekelingen uit Burkina Faso op. Die zijn er in Freetown al af gezet.

"Op het schip was er geen werk voor ons. Tien verstekelingen was te veel. We kregen drie maal per dag te eten. Maar we hadden niets te doen. Sommigen van ons vochten met elkaar. Ze hadden al eerder als verstekeling op een schip gezeten. En toen hadden ze televisie gekeken. Nu niet. Daar waren ze kwaad over.

"We zijn eerst naar Las Palmas gevaren, toen naar Antwerpen. Daar zijn er zes van het schip afgehaald en op het vliegtuig terug gezet naar Sierra Leone. We waren in twee containers opgesloten en hadden een deur geforceerd omdat we van het schip af wilden. De bemanning spoot toen met een brandblusser op ons. Van de politie kregen we zeep en een handdoek omdat we onder het schuim zaten. In de volgende haven, Bremen, zijn er nog drie afgehaald. Ik ben de enige die nog over is.

"Het probleem is dat mijn ouders Ghanees zijn. De ambassadeur van Sierra Leone zegt dat ik ook Ghanees ben. Maar ik ben in Sierra Leone geboren. Ik wil niet naar Ghana, ik ben daar nog nooit geweest en ken er niemand.

"Toen ik acht was is de rest van mijn familie naar Liberia gegaan. Ik weet niet of ze nog leven. Want daar woedt nu oorlog. Ze lieten mij achter bij Mama Thomas. Maar toen ik zestien was en in de derde klas zat ging mama Thomas dood. Toen had ik niemand meer. Drie jaar lang had ik geen werk. Ik woonde bij een vriend die mij eten gaf. Uiteindelijk ben ik met een kano naar Guinee gevaren. Daar heb ik twee maanden als visser gewerkt. Maar er was al gauw geen werk meer. Dus ben ik terug gegaan naar Freetown. Ik heb er een kruiwagen gebouwd om spullen in de haven te versjouwen. Maar om het terrein op te komen en om er te slapen moest ik de bewakers iedere dag betalen. En soms verdiende ik niet genoeg. Toen vertelde mijn vriend dus dat er een schip was. Hij wist hoe het moest. Hij was al een keer als verstekeling naar Belgie geweest."

Kojo kijkt uit het raam. Buiten begint het te schemeren. Het miezert. De lichtjes en de muziek van de kernmis aan de overkant van het politiebureau fascineren hem. In de verte klinkt een scheepstoeter.

"Ik heb er nu wel spijt van. We gaan nu naar Canada. De kapitien moet me daar van het schip aflaten, vind ik. Als hij dat doet zal ik hem om wat geld vragen, want ik heb niets. Maar de radio-officier zegt dat ik misschien wel twee of drie jaar op het schip moet blijven. Ik wil nog steeds naar Europa. Er is hier een hoop werk. De volgende keer ga ik naar Las Palmas. Want daar begint Europa."

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden