De vlucht vooruit van Frits de Lange

We leven in doemdenkende tijden. De een voorspelt de rappe ondergang van de planeet dankzij de klimaatverandering. De ander maakt zich zorgen over de seksualisering van de samenleving, of weet zeker dat het onderwijspeil schrikbarend is gedaald. Vroeger, kortom, was alles beter. Of toch niet?

De een zoekt zijn roots, de ander verlangt naar vleugels. Ik heb me altijd tot de laatste aangetrokken gevoeld. Zoveel wortels heb ik ook niet. Mijn stamboom is nooit echt uitgezocht. Mijn speurtocht eindigde bij een hoogbejaarde oom die verhaalde van zijn vaders boerengezin, waarin drie zoons opgroeiden zonder boerderij in het vooruitzicht. Ze werden als knecht uitbesteed aan Duitse boerenfamilies in het grensgebied. Het lukte mijn grootvader later een bescheiden boerderij te pachten.

Zijn verhaal zou ik heel graag willen horen, ik draag zijn naam. Maar verder terug, op zoek naar mijn roots in voriger eeuwen? Geef mij maar vleugels.

Ik verbaas me over die achteloosheid tegenover mijn genealogische verleden. Waar komt die vandaan? Het moet, ironisch genoeg, met dat verleden te maken hebben, die oorsprong in dat milieu van kleine boeren en landarbeiders. Armoede maakt je ook arm aan langetermijngeheugen, te druk als je bent met de directe zorg voor morgen. Een geschiedenis hebben, een erfenis om over te dragen – voor dat bredere tijdsperspectief moet je ruimer bedeeld zijn.

Er werden bij mij thuis dan ook geen voorvaderen vereerd. En van de verre toekomst van hun geslacht lagen mijn ouders evenmin wakker. Wel van het school- en boekengeld voor hun kinderen. Er werden geen dagboeken bijgehouden. Behalve de wekelijkse bestelling in het boekje van de kruidenier werd er weinig voor later opgeschreven. Mijn ouders’ zorgvuldig gekoesterde fotoverzameling van zestig jaar huwelijk en gezinsleven paste uiteindelijk in één schoenendoos. Een ongeordende database van kostbare hoogtepunten waarop dankbaar werd teruggekeken, maar zonder dat naar die tijd zelf werd terugverlangd.

Daarvoor was ’vroeger’ misschien te veel een tijd om niet aan herinnerd te worden. Dat mijn moeder op haar twaalfde moest gaan dienen bijvoorbeeld, was een pijnlijke herinnering die eerder trauma’s veroorzaakte dan heimwee opriep.

Mijn vaders arbeidsverleden was meer een vorm van schotsenlopen geweest dan een zorgvuldig geplande carrière. Hij had aan zijn gezin bestaanszekerheid verschaft en aan zijn kinderen een toekomst. Hij kon daar met geheven hoofd op terugkijken. Maar hij – de zachtmoedige – zweeg over het misbruik dat vaak van zijn goedmoedigheid was gemaakt.

De vooroorlogse, ’stille generatie’, waartoe ze behoorden, had het niet breed. Maar binnen de grenzen hadden zij het uiterste gedaan om voor hun kinderen kansen te creëren die ze zelf niet hadden gehad. Vroeger alles beter? De welvaart en de bestaanszekerheid van de WAO wiegden na de oorlog hun herinneringen aan de eigen harde jeugd in een weldadige sluimer. Ze hadden het eindelijk beter. Maar hun toekomst, dat was inmiddels de toekomst van hun kinderen geworden.

Ik moet het van hen hebben, die vlucht vooruit, en dat verlangen naar vleugels. Op mijn beurt heb ik het ouderlijk huis achter me gelaten zodra het kon. Voor mijn ouders was het eigen huis een gerealiseerde droom. Voor mij als roerige adolescent, eind jaren zestig, een oord van verveling. Toen ik eindelijk op kamers kon om te studeren, ervoer ik dat als een bevrijding. Ik weet nauwelijks wat heimwee is. Wat verlangen is des te meer.

De godsdienst hielp ook een flink handje mee, in die onverschilligheid tegenover het verleden. Gereformeerden hadden in de negentiende eeuw het geloof weer opnieuw uit gevonden, alsof dat zomaar kon. ’Vroeger’ – dat stond voor dwaling en ontaarding. Zij hadden gebroken met de vrijzinnig geworden Nederlands Hervormde Kerk zoals de Reformatie drie eeuwen daarvoor brak met het ketterse Rome. Later begreep ik dat noch Luther, noch Hendrik de Cock of Abraham Kuyper van plan waren geweest bij nul te beginnen. Ze wilden als het even kon de ’katholiciteit’ van de kerk bewaren, in verbondenheid met de kerk van alle tijden en plaatsen. Maar die hoge theologie was niet erg doorgedrongen tot het dorpse grondvlak. In mijn prille gereformeerde beleving was de ware kerk in de negentiende eeuw weer opnieuw in de geschiedenis geplant. In recalcitrante overmoed aarzelde ik later niet met mijn Gereformeerde Jongelings Vereniging om de kerkenraad voor te stellen ook de Gereformeerde Kerk per direct maar op te heffen. Zij leek immers in niets meer op die eerste, ideale christengemeente? In de ogen van een echte rooms-katholiek moet zo’n religieuze ’creative destruction’ lijken op het vervloeken van de eigen moederschoot.

Al heb ik later bijgeleerd, ik merk dat ik in mijn verhouding tot het verleden aardig gereformeerd gebleven ben. Protestanten hebben nu eenmaal een moeizame verhouding tot traditie. Ze zweren bij de Schrift en de Schrift Alleen. Protestantisme is een geloof zonder bemiddelingen, de ziel staat er naakt tegenover God. Geen priester, geen sacrament, geen geloofsleer, geen instituut, geen overlevering, ja zelfs geen Bijbel (als hij als ’papieren paus’ wordt gebruikt) kan de plaats innemen van het geloof van de enkeling. Ze zijn hoogstens hulpmiddelen, geleiders van het geloof, maar kunnen het niet vervangen.

Het radicale gemak waarmee sommige gereformeerde theologen in de laatste decennia afscheid namen van hun religieuze erfgoed moet hiermee te maken hebben. In de breuk met hun traditie staan ze in een duidelijke traditie: het protestantse sektarisme, dat moeiteloos de tak doorzaagt waar het zelf op zit. De radicale onkerkelijkheid, waarmee Nederland zo langzamerhand een mondiale uitzondering aan het worden is, kan wellicht in ditzelfde licht worden verklaard. Er zit iets typisch protestants in de breuk van de babyboomgeneratie met de verzuilde wereld van haar ouders.

Dezelfde minachting voor traditie die gereformeerden tot kerkscheurders maakte, kenmerkte ook de babyboomer die in de jaren zestig en zeventig de gevestigde orde bij het grofvuil wilde zetten. Ik ben een kind van die jaren, zowel in religieus als in cultureel opzicht. Zo gemakkelijk als in Nederland in de jaren zestig en zeventig de nieuwe elites gevolgd werden en de oude vaarwel werden gezegd, gebeurde het nergens, viel James Kennedy later op. Nederland is daardoor een land van hypes en trends geworden, nu eens het libertaire gidsland voor de wereld, waarin ’alles kan’; dan weer het toonbeeld van repressieve no-nonsensepolitiek. Zijn we de weg kwijt? Dat niet – we vinden hem elke keer weer opnieuw uit.

Een familie zonder verleden, een religie met een moeizame verhouding tot traditie, een generatie zonder geheugen – geen wonder dat me dat ’vroeger was alles beter’ gestolen kan worden. Maar kom me evenmin met het omgekeerde aan, met ’later komt alles goed’. Met die belofte heb ik ook een moeizame verhouding. De theologie die ik als student indronk was doortrokken van een militant geloof in later. Het gonsde van de ’theologieën van de revolutie’ en ’theologieën van de geschiedenis’. Het vooroorlogse, conservatieve beroep op scheppingsordeningen had afgedaan, en werd ingeruild voor de categorie van de dynamische geschiedenis.

De theologie wilde niet meer terug naar het paradijs, maar vooruit naar het Rijk van God. Het vooruitgangsgeloof domineerde de jaren zestig en zeventig en zette alle kaarten op de technologische en politieke maakbaarheid van de cultuur. De theologie volgde braaf; schreef de marxist Ernst Bloch ’Das Prinzip Hoffnung’, de theoloog Jürgen Moltmann antwoordde met een ’Theologie der Hoffnung’. Een messiaanse bevlogenheid maakte zich van de godgeleerden meester.

Ook van Nederlandse, van Ter Schegget tot (zij het maar voor eventjes) Kuitert. ’Boven’ werd omgebogen naar voren: God is de Komende en wij helpen hem een handje bij de komst van zijn Rijk. Al kunnen we het niet realiseren, we kunnen in de geschiedenis op zijn minst de weg bereiden. Ook mijn theologische leermeester, Okke Jager, was behept met dat ongeduld. „Iets meer continuïteit in ons eschatologisch concept – en wij zijn andere mensen”, schreef hij. Een beetje actie, en nu zal gaandeweg steeds meer lijken op later. Was de leer van de laatste dingen, de eschatologie, vroeger gewijd aan het eeuwige leven en de hemel, nu werd hij zomaar de geschiedenis ingetrokken.

Ik hield er een weerzin aan over tegen een berustend geloof dat mensen – zoals Jager schreef – alleen als ’hemelrekruten’ behandelt. Het vrome vers ’stil maar wacht maar, alles wordt nieuw*’ , krijg ik niet meer over mijn lippen. Maar waarom ben ik nooit met het virus van de revolutie besmet geraakt? Lafheid en laksheid, ongetwijfeld. Voor barricaden was ik niet moedig genoeg. Maar ook moet, realiseer ik me nu, mijn achtergrond een rol gespeeld hebben: de korte tijdshorizon van thuis, waarin nooit lang achterom gekeken werd, noch ver vooruit. De toekomstverwachting die kort aangebonden bleef, gericht op de dag van morgen.

Het hielp ook wel dat de toekomsthype in de theologie redelijk snel weer overging. Het geloof in de vooruitgang werd als Groot Verhaal ontmaskerd en vervangen door de postmoderne these van het Einde van de Geschiedenis. De tijdservaring versplinterde. Of de droom van een beter bestaan nu als heimwee in het verleden wordt geplaatst of als verlangen in de toekomst wordt geprojecteerd, doet er in het postmodernisme niet meer toe. Zowel de mythen van een vroegere Gouden Eeuw of Hof van Eden als die van een later messiaans Rijk worden beschouwd als narratieve constructies die het menselijk tekort moeten compenseren.

Het laatmoderne relativisme lijkt ons het geloof in zowel het ongeschonden paradijs als de glorieuze toekomst te hebben ontnomen, door elke vorm van realiteitswaarde eraan te ontzeggen. Het zijn niet meer dan verhalen. ’Vroeger’, ’nu’ en ’later’ zijn literaire constructen geworden. Ieder is de held in zijn eigen levensverhaal en kiest zijn eigen genre en toon. Sommigen, schreef Northrop Frye, ervaren hun leven – wat er ook in gebeurt – als een komedie, met een slecht begin maar een happy ending. Anderen zijn de schlemielige antiheld in hun eigen tragedie, die ooit veelbelovend begon maar zeker slecht zal aflopen. Weer anderen kiezen ervoor een ironische outsider in de tijd te blijven. Niet te investeren in vroeger, nu of later, maar schouderophalend te lachen om het leven – om er niet om te hoeven huilen.

Maar wie zijn leven als een roman ervaart, zal de strijd willen aanbinden met wat hem weerstaat. Hij zal nu eens verliezen en dan weer winnen. Komedie, tragedie, ironie, roman – het zijn narratieve structuren die zich loszingen van de feitelijke werkelijkheid. Was vroeger alles beter? Zelfs iemand met de beroerdste jeugd kan zijn levensverhaal romantisch herdichten. Zal later alles goed komen? Wie maar genoeg komisch talent bezit zal het, ook als hem alles tegenzit, blijven volhouden.

Vroeger, nu en later worden in het licht van het hedendaagse sociaal constructivisme een mythe: een oergeloof dat weinig voor rede vatbaar is en haaks kan staan op de feiten. Wie voor een betere wereld strijdt, maakt geen collectieve geschiedenis meer, maar speelt op zijn hoogst een hoofdpersoon die nogal fanatiek in zijn eigen verhaal gelooft. Ook ’vroeger was alles beter’ is een genre geworden. Geen feitelijke bewering meer die kan worden gelogenstraft.

Ik wil graag ontsnappen aan dit relativerende cynisme, waarin er geen werkelijk verschil meer is tussen kwade en goede dagen, vroeger, nu en later. Het doet er wel degelijk toe of morgen ook écht een nachtmerrie wordt of een droom, en of ik met anderen voor de droom wil gaan of niet. Ik wil als realist in de tijd staan. Ik denk dat ik me daarvoor het beste maar kan bekennen tot dezelfde, kort aangespannen toekomstverwachting die ik van huis heb meegekregen. Met weinig verleden, maar met een taaie, strak aangespannen gerichtheid op morgen. Hoe gisteren ook was, morgen zal beter zijn dan vandaag. Als dat niet meer voor jezelf geldt, dan wel voor je kinderen.

Dat het morgen beter gaat – om dat te kunnen beweren heb je geen uitgewerkte geschiedenisfilosofie nodig. Een evolutionair bioloog zal zeggen: dat onuitroeibare vertrouwen in de dag van morgen zit nu eenmaal in de aard van ons beestje. Als theoloog denk ik: dit is de hoop, en in die hoop woont God. Het is een kleine, maar krachtige eschatologie.

„Dat mensen in Mij geloven, het verbaast me niet”, legt de dichter Charles Péguy in de mond van de Eeuwige, „het is niet zo verrassend.” Dat ze liefhebben, het verbaast God evenmin, ook dat is niet zo verrassend. Het geloof is voor mensen immers een trouwe echtgenote, de liefde een vurige moeder. Op beiden kun je rekenen in moeilijke tijden. „De hoop daarentegen is een klein meisje van niks, dat ondanks alles er van uit gaat dat het morgen beter gaat.” Elk jaar met Kerst wordt het opnieuw geboren.

Cette petite espérance qui n’a l’air de rien du tout. Cette petite fille espérance.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden