De Vlaamse leeuw is dood

Niet meer kunnen schrijven was wel het wreedste lot dat Hugo Claus kon treffen. De taalvirtuoos die met zijn magistrale oeuvre vrienden en vijanden maakte, wilde niet langer bestaan.

De leeuw van Vlaanderen is dood. Hugo Claus heeft zijn lot in eigen hand genomen. De schrijver leed al een tijd aan Alzheimer, een ziekte die zijn geest steeds ernstiger bewolkte. Hij wilde niet langer bestaan dan gisteren, de dag dat hij in het Antwerpse Middelheimziekenhuis een einde aan zijn leven liet maken. Hoewel het bericht de hele Lage Landen in rouw heeft gedompeld, is het bericht voor hen die hem nabij waren, geen verrassing.

Claus, de alleskunner, de duivelskunstenaar, de man die Vlaanderen in zijn visionaire verbeelding haar ware vorm had gegeven en een magistraal oeuvre op zijn naam heeft staan, kon niet meer schrijven. De laatste jaren wist hij, als hij een zin begon, niet langer hoe hij die moest afmaken.

Niet meer kunnen schrijven, dat is wel het wreedste lot dat Hugo Claus kon treffen. Hij was een taalvirtuoos, een natuurtalent dat met speels gemak schijnbaar uit niets de schitterendste beelden opriep in een vurige en vonkende taal. De taal vormde voor hem de mogelijkheid om te ontsnappen aan iedere gewenste situatie. Niemand kon hem met woorden vangen. Hij was een fabulator, een verteller die erop los loog, als het hem zo te pas kwam. Een kameleon, binnen en buiten zijn romans.

In een lobby in een Italiaans hotel in 2001 heb ik hem eens aan drie opeenvolgende interviewers drie verschillende biografische schetsen van zichzelf zien geven. Aan de eerste journalist vertelde hij nog naar waarheid dat hij op 5 april 1929 in Brugge werd geboren en vanaf anderhalf jaar oud tot zijn elfde in nonnenpensionaten had verbleven – wat hem een levenslange haat tegen het katholicisme had opgeleverd, waarvan de sporen waren terug te vinden in zijn magnum opus ’Het verdriet van België’.

’Interview klaar, dank u wel, tot ziens, bravo, weg. Vraag van meneer twee: waar bent u geboren? „Wel, in Nedersaksen, mijn familie woont daar al sinds eeuwen.” Einde interview, handje schudden, salut. Meneer drie: waar bent u geboren? „Ik heb lange tijd gedacht dat ik in Nedersaksen was geboren, maar toen ik bij toeval laatst iemand van het gemeentebestuur sprak, bleek dat een misvatting. Ze hebben daar iets verkeerds opgetekend.”

Hoe ongelofelijk geestig ook, dit spel was voor Claus niet louter Spielerei. Het was hem ernst. Claus weigerde zich vast te leggen. Niet in de inhoud, niet in de vorm. Hij beperkte zich niet tot één ding: hij was een schilder, een regisseur, een schrijver, een dichter, een essayist en een toneelschrijver. Te veel voor één persoon? Welnee, vond Claus. Naar eigen zeggen leed hij aan het syndroom van Leonardo da Vinci. „Mensen die aan dat syndroom lijden, menen pas compleet te zijn als zij verschillende genres beoefenen.”

Net als Leonardo was Hugo een wonderkind. In 1947 verscheen zijn poëziedebuut, ’Kleine reeks’, uitgegeven door een drukkersbedrijfje van zijn vader. „Gedichten die nauwelijks verschillen van die van andere zestienjarigen die een beetje kunnen rijmen. Het gaat over vervloeking, verdoemd zijn, de dood, de liefde en het gebrek aan communicatie.”

Een jaar later werd hij in Oostende, waar hij in een hotelkamer woonde, door een uitgever uitgedaagd een roman naar Amerikaans model te schrijven. Vijf weken later voltooide hij zijn romandebuut ’De Metsiers’, dat bekroond werd met de prestigieuze Leo C. Krijnprijs.

In 1950 vertrok de jonge schrijver naar Parijs, waar hij bevriend raakte met de Nederlandse experimentele dichters Lucebert en Remco Campert, en Cobraschilders Appel en Corneille.

In de roman ’Een zachte vernieling’ beschrijft Claus de idealen van de vrienden, zijn liefdes en de ruzies van die tijd. Het boek is een romantisch liefdesverhaal (‘jongen wordt hevig verliefd op een meisje in Gent, ze gaat naar Parijs, hij achter haar aan’, de samenvatting is van de meester zelf), maar laat ook de erbarmelijke omstandigheden zien waarin de iconen van nu toen leefden. In kamertjes achteraf in het stinkende pakhuis aan de Rue Santeuil, dat zij als atelier gebruikten.

Claus zag bij de schilders van Cobra en de dichters van Vijftig zijn liefde voor het experiment bevestigd. Net als Karel Appel – ’ik rotzooi maar wat aan’ – is het gemak, de vrijheid en de snelheid waarmee Claus zijn beeldende en literaire werk produceerde verbluffend. Zonder last van valse bescheidenheid vertelde hij dat sommige van zijn toneelstukken, klassiekers als ’Suiker’ en ’Vrijdag’, vol valkuilen, dubbele bodems en bruisend van barokke taal binnen drie weken waren ontstaan. Tegen Adriaan van der Veen zei hij in 1972: „Ik weiger de eenvoud als norm. Ik wens niet erin te geloven dat eenvoud per definitie goed is. Een teveel? Goed. Voor mij baart kwantiteit kwaliteit.”

Met zijn dwarsheid streek Claus ook veel mensen tegen de haren in. In 1968 daagde een pastoor Claus voor de rechter vanwege het toneelstuk Masscheroen, waarin Claus de Heilige Drie-eenheid liet optreden als drie naakte mannen, die door de slechts in een kuisheidsgordel geklede maagd Mariken met de zweep van het podium af werden geslagen. Claus werd veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf wegens openbare zedenschennis. „Helaas niet voor Godslastering”, vertelde hij de pers minzaam.

Zoals hij schreef, zo leefde hij ook. Claus hield het motto van de surrealisten in ere: l’amour, la poésie et la révolution. „Volgens de surrealisten moest je een dichter zijn, een grote minnaar en een revolutionair. Ik dacht: dat is helemaal aan mij besteed.” In de jaren zeventig beleefde hij vele romances, met Kitty Courbois bijvoorbeeld, die hij tragisch vereeuwigde in ’Het jaar van de kreeft’, en met Sylvia Kristel, destijds wereldberoemd als de sexbom van het witte doek, Emanuelle. Kritiek op zijn levensstijl beantwoordde hij steevast met de opmerking: „Een leeuw stoort zich niet aan de luizen in zijn pels.”

Toch heeft Hugo Claus bij alle gekrakeel vooral veel waardering geoogst voor zijn werk. Zijn dichtbundel ’De Oostakkerse gedichten’ (1955) wordt algemeen beschouwd als een van de mooiste bundels uit de Nederlandse poëzie. Het bevat hemeltergende, romantische regels als: ’Ik zou je een lied in dit landschap van woede willen zingen, / Livia, dat in je zou dringen, je bereiken in je negen openingen, / Blond en rekbaar, hevig en hard.’ Zelf zag Claus die gedichten als „de zuiverste belichaming van mijn wereld”.

In zijn proza bereikte hij zijn hoogtepunt in het verhaal van Louis Seynaeve, zijn alter ego uit de vuistdikke roman Het verdriet van België. Na verschijning in 1983 werd de roman alom bejubeld als een meesterwerk van ’De God van Gent’. Lang werd gedacht dat dit boek, dat de ziel van een volk in woorden had weten te vatten, Claus de Nobelprijs voor Literatuur zou kunnen opleveren. Elk jaar leverde dat de vreemdste taferelen op. De schrijver zelf bleef er bewonderingswaardig rustig onder: „Als je het werk vergelijkt met dat van Shakespeare, Homerus, Dante is er geen enkele reden gelukkig te zijn. Twijfel. Voortdurend.”

Met de Prijs der Nederlandse Letteren ontving in 1986 Claus zijn hoogste literaire onderscheiding. „Ja, dat is nogal een verrassing, maar het was natuurlijk een grotere verrassing als iemand anders hem had gekregen.” In de jaren negentig hield het succes aan. Voor zijn schitterende bundel ’De Sporen’ kreeg hij in 1994 de VSB-poezieprijs – ’De sporen / van hem die versplintering loofde / al beet hij zich in het enkelvoudige vast / hij met zijn mandje vol antwoorden’. En in 1996 werd zijn duistere, tintelende roman De Geruchten bekroond met de Libris Prijs.

Met Hugo Claus is één van de laatste grote schrijvers van zijn generatie overleden. Na de dood van Gerard Reve in 2005 en van Jan Wolkers afgelopen herfst lijkt een hele wereld voorgoed voorbij. Op 31 december 2006 belden Wolkers en Claus om elkaar een gelukkig nieuwjaar te wensen. Claus zei tegen Wolkers: „Ja, ik vergeet veel de laatste tijd, maar je laatste gedicht, ’Najaar’ heb ik onthouden.” Toen Claus ophing, zei hij: „Dag lieve Jan.” Waarop Wolkers zei: „Dag lieve jongen.” Waarop beiden in daverend gelach uitbarstten.

Claus vreesde de dood niet, zelfs niet nadat hij door Alzheimer werd getroffen. In interviews stelde hij boven alles: waardig sterven. Tegen de verslaggever van het Vlaamse weekblad Humo zei hij in 1996 dat hij vooral niet wilde creperen: „Als het zover is, komt er een kenner langs. Die zal zeggen: ’Hier, Hugo Claus, deze pilletjes zullen u verlichten.’ En daarna ben ik er niet meer.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden