De visfile in de Berkel is opgelost

Voor tientallen miljoenen euro's zijn passages aangelegd in rivieren en beken, zodat vissen weer kunnen trekken. Voor het eerst is nu onderzocht of die maatregelen wel helpen. Antwoord: enorm!

Wat was het leven van een zalm toch prachtig, zo'n honderd jaar geleden. En ook dat van de steur mocht er zijn, en de zeeforel, de rivierprik en de elft. In de winter verscholen ze zich tegen de vorst in zee of in de diepe delen van de rivier, om tegen de lente weer tevoorschijn te komen. Het water warmde op, het licht zwelde aan, er was meer zuurstof, het voedsel nam toe, waardoor de vissen wisten: we gaan de rivier op, tegen de stroom in. Om ergens in de verte te paaien en eitjes af te zetten. In een massale trek bewoog de zalm zich van zee naar de Alpen. De rivierprik nam genoegen met een binnenlandse reis, van de Maas naar een Limburgse beek.

Totdat de mens dijken aanlegde, stuwen bouwde, sluizen plaatste, en niet alleen het gehele internationale stroomgebied van Rijn en Maas in onneembare compartimenten verdeelde, maar ook de provinciale waterwegen in het Nederlandse polderland in stukken hakte.

"Vooral in de laatste eeuw zijn er door de opkomende landbouw zoveel peilvakken ontstaan, dat bijna iedere akker zijn eigen waterniveau heeft", zegt Wilco de Bruijne, adviseur ecologie en waterkwaliteit bij ingenieursbureau Arcadis. "En die niveaus worden allemaal op peil gehouden door stuwtjes, dijkjes en gemalen. De trekvissen kunnen daardoor geen kant meer op. In het voorjaar ontstaan er letterlijk files onder water van vissen die wanhopig zoeken naar een uitweg."

De beheersing van het water vindt al plaats vanaf de Middeleeuwen, en de trekvis kon daar met wat kunst en vliegwerk mee leven, maar de watervervuiling door de industrialisatie was de nekslag voor veel soorten. Ecoloog De Bruijne: "Tot in de jaren vijftig nog zorgden beroepsvissers in de buurt van Rotterdam voor een behoorlijke zalmvangst. Maar daarna ging het ook door verontreiniging snel bergafwaarts."

De zalm is inmiddels nagenoeg verdwenen uit de Nederlandse binnenwateren. Maar er gloort hoop. Door Europese wetgeving is het gebruik van schadelijke chemicaliën in industrie en landbouw afgenomen en het lozen van afval in de rivieren haast gestopt. De kwaliteit van het rivierwater dat uit andere landen naar afvoerputje Nederland stroomt, is daardoor enorm verbeterd. Het Wereld Natuur Fonds (WNF) heeft om dit te vieren vorig jaar jonge steur uitgezet, en ook andere trekvissoorten hebben weer kans. Maar dan moet er wel wat worden gedaan aan die duizenden obstakels die de 'vrije optrekbaarheid' blokkeren, zoals ze dat bij Arcadis noemen.

In het rapport 'Nederland leeft met vismigratie' dat de Unie van Waterschappen in 2008 uitbracht, staat dat er zich in de Nederlandse rivieren en beken maar liefst 2600 knelpunten bevinden, en dat er zo'n 680 'migratievoorzieningen' nodig zijn om de grootste problemen op te lossen. Te denken valt dan aan vistrappen die de stuwen omzeilen, of visvriendelijke pompen die paling zonder verwondingen door een gemaal leiden.

Opzwembare vistrap
Nederland heeft zich met de andere Europese landen via de Kaderrichtlijn Water (KRW) uit 2000 verplicht de obstakels voor trekvissen uit de weg te ruimen. De stuwen en gemalen mogen blijven, als de vis er maar langs kan. In 2015 moeten de eerste aanpassingen klaar zijn, in 2021 de tweede reeks. In 2027 is er dan sprake van een vrij optrekbaar stroomgebied.

"Juist omdat de eerste serie komend jaar wordt afgerond", zegt De Bruijne, "hebben we onderzocht wat het effect is van die ingrepen. Gebruiken trekvissen de alternatieve routes echt, of liggen de honderden splinternieuwe vispassages er verlaten bij?" De Bruijne maakt in zijn onderzoek onderscheid tussen de voorzieningen boven zeeniveau, zeg in Oost-Nederland, waar er een afstroom is van beekje naar rivier en uiteindelijk naar zee. In het oosten wordt de stroming van rivieren voornamelijk getemd door voor vissen onneembare stuwen.

In West-Nederland is er onder zeeniveau sprake van een tegennatuurlijk systeem. De sloten liggen hier juist laag, en dit water wordt via gemalen naar hogergelegen boezems en kanalen gepompt. De trekvis verdwijnt met het water het gemaal in, en komt er vaak in stukjes uit.

De vispassages bij de stuwen zijn het eenvoudigst. Arcadis ontwierp er meerdere, in verschillende vormen en maten. In alle gevallen is het peilverschil van de stuw via een naastgelegen vistrap in treden van tien centimeter gehakt, waardoor er een stroom ontstaat die voor een vis opzwembaar is.

Afgelopen drie jaar zette De Bruijne in het voorjaar fuiken achter de nieuwe vispassages, om te onderzoeken welke vissen er gebruik van maken. "Het resultaat is overweldigend", zegt hij. Hoewel hij van de grote rivieren wegbleef en vooral de binnenwateren in kaart bracht, ving hij tienduizenden vissen. "Een fuik die een paar dagen in het water lag, leverde 2500 vissen op. Een fuik van een paar weken soms tot 10.000 vissen. Ik heb meegemaakt dat de dag nadat de aannemer de schuif had weggehaald, honderden vissen de passage al wisten te nemen. Hun drang om stroomopwaarts te komen is enorm. De alternatieve routes hebben dus echt nut."

De Bruijne vond vooral stromingsminnende (zogenaamde rheofiele) soorten in zijn net, als de riviergrondel, winde en beekprik. Deze zijn in het verleden juist door de stuwen benadeeld, en profiteren nu het meest van de vistrappen. De vissen die van stilstaand water houden (limnofiele soorten) zoals ruisvoorn en zeelt, en de snoek als niet-kieskeurig type, kwamen minder in de netten van De Bruijne. Toch zijn de open verbindingen ook voor deze vissen van belang. Doordat larven en jonge visjes worden meegevoerd, kunnen deze soorten zich ook beter over Nederland verspreiden.

Beverdam
Op sommige locaties onderzocht De Bruijne niet alleen de oogst na één vispassage, maar volgde hij een soort over een langer traject. De karperachtige windes bijvoorbeeld, die hij met een rood en genummerd 'vinmerk' herkenbaar maakte, ving hij op hun weg vanuit de IJssel bij verschillende passages in het achterland.

Hoewel hij de aanpassingen van de gemalen slechts op enkele locaties onderzocht, lijken ook deze succesvol. "Gemalen zijn en worden voorzien van visvriendelijke pompen, waarin alle scherpe onderdelen zijn aangepast. Opmerkelijk genoeg is deze innovatie afkomstig uit de viskweek waar de vissen van het ene bassin naar het andere worden gepompt."

De Bruijne heeft vastgesteld dat de onderwaterfiles in de Berkel inmiddels zijn opgelost, en die in de Groote Beek ook, en in het Overijssels Kanaal. Maar hij plaatst ook kanttekeningen. "Het bouwen van een vispassage mag geen doel op zich worden. We zetten dan een vinkje, stappen over naar een volgend traject en kijken vervolgens niet meer om. Je moet de nieuwe verbindingen natuurlijk wel onderhouden en vooral open houden." Te vaak ligt er drijfvuil in en wordt de doorgang geblokkeerd door boomstammen. Met de opkomst van de bever worden er soms hele dammen in gelegd.

De echte uitdagingen liggen op de locaties waar grote rivieren in zee uitkomen. Grote verdedigingswerken blokkeren daar de migratie van soorten die de grote rivieren op willen. De sluizen in het Haringvliet gaan in 2018 open, maar de Afsluitdijk en de Grevelingendam blijven voorlopig onneembare wallen. Andere problemen liggen buiten Nederland, stroomopwaarts, waar met name Duitsland en Frankrijk aan hun internationale verplichtingen moeten voldoen. De Bruijne: "Wij kunnen hier ons best doen, maar de zalm trekt verder en wil toch echt in Zwitserland zijn eitjes afzetten."

Onderzoeker Wilco de Bruijne

Een nieuwe vispassage in de Strypse Wetering bij Rockanje. Vissen kunnen hier nu stapsgewijs naar het hogere waterniveau klimmen.

Nu Frankrijk nog
Met een zes meter lange nep-zalm trekt Esther Blom van het Wereld Natuur Fonds vandaag naar de Rijnministersconferentie in Bazel, waar ze aandacht vraagt voor de blokkades die deze trekvis tegenkomt.

"Nederland, Duitsland en Zwitserland hebben de Rijn inmiddels voor zalmen geopend", zegt Blom. "Maar in de Franse Elzas blokkeren acht waterkrachtcentrales de trek naar de oorspronkelijke paaigronden in Zwitserland." In 2001 zijn al afspraken gemaakt om de rivier passeerbaar te maken. Tot nu toe onderneemt Frankrijk geen actie. "De Rijn is voor Frankrijk slechts een grensrivier. Voor twee van de acht barrières bestaan plannen voor grote vispassages, maar bij de overige zes worden de mogelijkheden niet eens onderzocht. Gebrek aan technologie is nooit een probleem. Geld en de wil om oplossingen te zoeken wel. Daarom zullen we de Fransen vandaag aan hun internationale verantwoordelijkheden herinneren."

Als Nederland in 2018 de Haringvlietsluizen op een kier zet, vormen de waterkrachtcentrales nog het enige obstakel in de Rijn. Blom: "Zalmen kunnen nu al in zijrivieren hun eitjes afzetten, maar hun paaigebied verdubbelt als Frankrijk alternatieve routes opent."

Zalmen zetten hun eitjes af op kiezelbanken in helder zoet water, onder zeer specifieke licht-, temperatuur- en zuurstofcondities. In de bovenloop van de Rijn verblijft de jonge zalm dan in rustige beken voor een tot drie jaar om sterk genoeg te worden voor de reis naar zee. Als ze volwassen zijn, keren ze terug naar de 'geboortegrond' om te paaien.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden